Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
De Belastingdienst gaat stapsgewijs fiscaal inzagerecht invoeren. Uit een recente Kamerbrief blijkt dat een snelle invoering niet haalbaar is vanwege de omvang van de benodigde aanpassingen in systemen en werkprocessen. Daarom kiest het kabinet voor een gefaseerde aanpak, waarbij ondernemers geleidelijk meer inzicht krijgen in hun fiscale dossier. Wat betekent dit tijdpad voor MKB-ondernemers?
Het fiscale inzagerecht is bedoeld om belastingplichtigen meer inzicht te geven in de informatie die de Belastingdienst gebruikt bij de behandeling van hun fiscale zaken. Uit de Kamerbrief blijkt dat snelle invoering niet uitvoerbaar is. Gegevens zijn verspreid over verschillende systemen en het samenstellen van een volledig fiscaal dossier vraagt per geval een zorgvuldige beoordeling.
Daarom kiest het kabinet voor een gefaseerde invoering, waarbij het fiscale dossier stap voor stap wordt uitgebreid:
De planning sluit aan bij de digitalisering van de Belastingdienst en is afhankelijk van de beschikbare ICT-capaciteit. In de tweede helft van 2026 ontvangt de Tweede Kamer een nadere routekaart voor de verdere uitvoering.
Tip: Een overzichtelijke administratie, goed vastgelegde fiscale standpunten en complete correspondentie maken het eenvoudiger om toekomstige dossierinformatie van de Belastingdienst te controleren en eventuele verschillen snel te signaleren. Uiteraard helpen we u hierbij.
Een werknemer verblijft tijdelijk op de camping en reist van deze plek naar het werk. De werkgever wil een onbelaste kilometervergoeding geven voor deze reizen. Is dit woon-werkverkeer en is de gerichte vrijstelling voor reiskosten daarom van toepassing? De Belastingdienst heeft de handreiking hierover geactualiseerd met een uitleg aan de hand van twee voorbeelden.
Woon-werkverkeer is het binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug reizen tussen de woning of verblijfplaats en de arbeidsplaats(en). De kilometers die de werknemer maakt voor woon-werkverkeer zijn zakelijke kilometers. Hiervoor mag de werkgever een onbelaste vergoeding geven van maximaal € 0,25 per kilometer. Dit is een gerichte vrijstelling. Heeft de werknemer een auto van de zaak, dan zijn de kilometers voor woon-werkverkeer zakelijke kilometers.
Woonplaats en verblijfplaats
Waar iemand woont of verblijft beoordeelt u aan de hand van de feiten en omstandigheden. Duurzaamheid is hierbij een belangrijk aspect. Een werknemer kan zowel een woonplaats als een verblijfsplaats hebben.
Camping
Of een camping fiscaal gezien een verblijfplaats is, is dus afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Als een werknemer zeer tijdelijk op de camping verblijft, is geen sprake van enige duurzaamheid. De camping is dan geen verblijfsplaats.
Voorbeeld: Alleen in de weekenden op de camping
Mark verblijft in het voorjaar (mei en juni) elk weekend op de camping. Hij reist vrijdag van kantoor naar de camping en maandag van de camping weer naar kantoor. De rest van de week reist hij van zijn woonplaats naar kantoor en andersom.
De werkgever wil een onbelaste kilometervergoeding geven voor de reizen tussen de camping en kantoor. Is dit toegestaan?
Als een werknemer alleen de weekenden op de camping doorbrengt, is de camping geen verblijfplaats. De vereiste duurzaamheid ontbreekt. De reizen van kantoor naar de camping op vrijdag en van de camping naar kantoor op maandag zijn daarom geen woon-werkverkeer. De gerichte vrijstelling voor reiskosten is niet van toepassing.
Vrije ruimte
Als de werkgever toch een onbelaste kilometervergoeding wil geven aan de werknemer voor de reizen tussen de camping en kantoor, dan kan de werkgever deze vergoeding aanwijzen als eindheffingsloon als deze voldoet aan de gebruikelijkheidseis. De vergoeding kan dan ten laste komen van de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Voorbeeld: drie maanden op de camping
Anna verblijft in de zomer niet in haar woonplaats, maar op een camping in Nederland voor een periode van drie maanden. Ze reist in deze periode dagelijks met de auto vanuit de camping naar kantoor en andersom.
De werkgever wil een onbelaste kilometervergoeding geven voor deze reizen. Is dit toegestaan?
Een camping kan een verblijfplaats zijn als een werknemer hier meerdere maanden verblijft. U beoordeelt dit aan de hand van de feiten en omstandigheden. Verblijft de werknemer drie maanden op de camping, dan zou dit een verblijfsplaats kunnen zijn. De werknemer heeft dan zowel een woonplaats als een verblijfsplaats.
Is de camping een verblijfsplaats, dan zijn de reizen tussen de camping en kantoor woon-werkverkeer. Dit geldt ook voor de reizen tussen de woning van de werknemer en kantoor. Voor deze kilometers mag de werkgever maximaal € 0,25 per kilometer gericht vrijgesteld vergoeden. Er moet dan wel zijn voldaan aan de redelijkheidseis.
Als de werknemer naar of van zijn werk een tussenstop maakt bij de woning, is voor het deel van de reis tussen de woning en de camping sprake van omrijkilometers waarvoor de werkgever maximaal € 0,25 per kilometer gericht vrijgesteld mag vergoeden.
Redelijkheidseis
De werkgever moet aannemelijk maken dat de vergoeding binnen de perken der redelijkheid ter wille van een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is gedaan. Dit is mogelijk niet het geval als een werknemer zijn woonplaats verlegt naar een plaats die veel verder weg ligt van de plaats van werkzaamheden en deze keuze overwegend is ingegeven door persoonlijke argumenten.
Tip: Hebt u een concreet geval waarover u duidelijkheid wilt, dan kunnen we daarover zo nodig met de Belastingdienst vooroverleg voeren.
Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) is de enige werknemer van zijn BV. De BV heeft een 51% belang in een BV die zich bezighoudt met groothandel in kunstschildersbenodigdheden. Na een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst een naheffingsaanslag opgelegd met daarin een correctie voor de kosten voor personal training en abonnementen voor een sportschool. Terecht?
Hoofdvraag
Kunnen het verstrekken of vergoeden van de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt worden als gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen?
Subvraag 1: Valt een DGA binnen de Arbeidsomstandighedenwet?
De Belastingdienst voert aan dat de DGA geen werknemer of werkgever is maar een zelfstandige. De Belastingdienst verwijst hierbij naar de wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in 20011 en de wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in 20062. Hierdoor is artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet niet van toepassing omdat daar enkel over werkgevers en werknemers wordt gesproken. De verstrekking en/of vergoeding van kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool aan de DGA en zijn echtgenote vloeien dan ook niet rechtstreeks voort uit het arbobeleid dat de BV op grond van de Arbeidsomstandighedenwet voert, waardoor deze verstrekkingen en/of vergoedingen niet als gericht vrijgesteld kunnen worden aangemerkt.
Volgens de rechter is tussen de BV en de DGA wel sprake van een gezagsverhouding waardoor artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet wel van toepassing is. Het is namelijk niet relevant of materieel sprake is van een gezagsverhouding. De verwijzingen van de Belastingdienst leiden niet tot een ander oordeel omdat deze zien op een later ingevoerd specifiek wetsartikel en niet op de algemene definities van de Arbeidsomstandighedenwet.
Subvraag 2: Vallen personal training en een sportschoolabonnement binnen de kaders van de Arbeidsomstandighedenwet?
De BV stelt dat de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt kunnen worden als gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen. Door deze vergoedingen/verstrekkingen zorgt de werkgever namelijk voor de gezondheid van zijn werknemers, wat verplicht is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. De Belastingdienst betwist dat sprake is van zorg dragen voor de veiligheid en gezondheid van werknemers door het vergoeding of verstrekking van personal training en sportschoolabonnementen.
Volgens de rechter hoeft er in deze zaak geen direct verband te zijn met de preventie van ziekteverzuim. De vrijstelling is ruim waardoor ook het verstrekken of vergoeden van de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt kunnen worden als gerichte vrijstelling. Daarbij maakt de rechter wel de kanttekening dat dit alleen geldt voor de DGA en niet voor de kosten die gemaakt zijn voor zijn partner. De kosten voor de partner vallen naar het oordeel van de rechter niet onder de gerichte vrijstelling. De partner van de DGA is namelijk geen werknemer van de BV.
Subvraag 3: Op de werkplek?
De BV stelt dat de arbeidsvoorzieningen op de werkplek zijn verbruikt. De Belastingdienst betwist dit.
Uit de Uitvoeringsregeling loonbelasting volgt dat ook arbovoorzieningen buiten de werkplek kunnen vallen onder de gerichte vrijstelling. Dit komt ook terug in het Handboek Loonheffingen. Naar het oordeel van de rechter wordt daardoor aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling voldaan.
Subvraag 4: Gebruikelijk?
De Belastingdienst stelt dat niet voldaan wordt aan de gebruikelijkheidstoets. De vergoedingen/verstrekkingen zijn gelet op de hoogte ongebruikelijk, volgens de Belastingdienst. Naar het oordeel van de rechter is hier echter onvoldoende bewijs voor geleverd.
Conclusie
Volgens de rechter heeft de Belastingdienst ten onrechte nageheven over de kosten van het verstrekken of vergoeden voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA. De Belastingdienst heeft wel terecht nageheven over het familieabonnement. De rechter vermindert de naheffingsaanslag daarom tot de kosten van het familieabonnement.
Let op: De kosten van personal training en een sportschoolabonnement voor de DGA kunnen dus volgens deze uitspraak vrijgesteld worden vergoed/betaald door de BV. Helaas betreft het een uitspraak over 2018 t/m 2020. In 2022 is de vrijstelling voor Arbovoorzieningen gewijzigd. Vanaf dan geldt de vrijstelling alleen nog maar voor verplichte Arbovoorzieningen.
Een Nederlandse werkgever werkt in Nederland met medewerkers die in het buitenland wonen. Gedurende hun verblijf in Nederland regelt de werkgever de huisvesting en het vervoer binnen Nederland. Voor het vervoer maken de werknemers gebruik van auto's van de werkgever. De werknemers hebben de autosleutels in hun bezit. Is er terecht een naheffing wegens privégebruik van deze auto’s opgelegd? Hoe oordeelt de rechter?
Standpunten partijen
De Belastingdienst stelt dat de beschikkingsmacht over de auto's bij de werknemers ligt omdat de autosleutels bij de werknemers blijven en er geen strikt toezicht is op de gereden kilometers.
De werkgever stelt dat de feitelijke beschikkingsmacht niet bij de werknemers ligt. Zo bevinden de autosleutels zich in de accommodatie zodat de werkgever op elk gewenst moment kan bepalen welke werknemer een bepaalde auto dient te gebruiken. Een projectmanager van de werkgever, die toegang heeft tot het GPS-volgsysteem, neemt rechtstreeks contact op met werknemers om ritten te controleren.
Overwegingen rechter
Volgens de rechter heeft de Belastingdienst aannemelijk gemaakt dat de auto’s door de werkgever ter beschikking zijn gesteld aan de werknemers. Zo zijn de autosleutels in het bezit van de werknemers waardoor zij feitelijk altijd gebruik kunnen maken van de auto’s. Verder voert de werkgever in de praktijk pas een controle uit naar welke ritten er zijn gemaakt als er een overschrijding is van meer dan 10% ten opzichte van de zakelijk te rijden kilometers.
De werkgever heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de auto’s ter beschikking zijn gesteld aan de werknemers. De stellingen van de werkgever komen er op neer dat zijn regelingen goed in elkaar zitten en dat iedere zelfstandige beschikkingsmogelijkheid over de auto’s daarmee is uitgesloten. Hoe de uitvoering van de regelingen in de praktijk plaatsvond, blijft echter onduidelijk. Specifieke instructies van de werkgever aan de werknemers ontbreken. Daarnaast blijft de feitelijke uitvoering rondom het houden van de autosleutels onduidelijk. Hoewel uit de stukken volgt dat de werknemers huur moeten betalen als zij een auto privé gebruiken, is er geen bewijs dat dit feitelijk ook gebeurde.
Gelet op de omstandigheid dat (bepaalde aangewezen) werknemers zelf de sleutel van de auto hadden en de ruimte hadden om bovenop het aantal zakelijke kilometers nog kilometers met de auto te rijden alvorens er een controle door de werkgever plaatsvindt naar het gebruik, acht de rechter aannemelijk dat auto’s ter beschikking zijn gesteld aan de werknemers. Het argument van de werkgever dat omdat sprake is van uitgezonden werknemers iedere vervoersbeweging die zij in Nederland maken als zakelijk is te beschouwen, leidt niet tot de conclusie dat de auto’s niet ter beschikking staan. De rechter acht niet op voorhand aannemelijk dat iedere vervoersbeweging een zakelijk doeleind heeft, temeer niet nu er geen inzicht is in de gemaakte ritten.
Zijn de auto’s niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden gebruikt?
Het is aan de werkgever om aannemelijk te maken dat de auto’s niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden zijn gebruikt. Hiervoor heeft hij echter geen bewijs geleverd. De Belastingdienst heeft dus terecht een correctie voor privégebruik auto’s vastgesteld.
Conclusie
De naheffingsaanslag loonheffingen blijft in stand.
Let op: De werkgever had zijn regelingen en de uitvoering daarvan niet goed op orde. Daardoor kon hij zijn stellingen, die al uitermate dun waren, niet onderbouwen. De bijtelling wegens privégebruik auto is een typisch controlepunt voor de Belastingdienst, waarvan de bewijslast meestal volledig bij de werkgever ligt. Voorkomen is vaak beter dan genezen. We helpen u daar graag bij.
De werkkostenregeling, waarmee werkgevers onbelast vergoedingen kunnen geven aan werknemers, wordt vereenvoudigd. Zo gaat de personeelskorting, waarmee werkgevers hun medewerkers maximaal € 500 per jaar belastingvrij aan eigen producten kunnen geven met een maximale korting van 20%, vervallen. Uit een evaluatie volgen nog elf andere aanbevelingen. Het kabinet heeft al aangekondigd welke aanbevelingen worden overwogen. Op Prinsjesdag wordt bekend wat het kabinet daarmee doet.
Aanbeveling 1: Afschaffen eerste schijf vrije ruimte
Een werkgever kan onder voorwaarden gebruikmaken van een generieke vrijstelling, de zogenoemde vrije ruimte, om daarmee een werknemer een onbelaste vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling te geven. Om hiervan gebruik te kunnen maken moet de werkgever de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling aanwijzen als eindheffingsloon. De werkgever is degene die de belasting verschuldigd is als en voor zover de vrije ruimte wordt overschreden. De hoogte van de vrije ruimte is afhankelijk van de totale fiscale loonsom van de werkgever. In 2026 bedraagt de vrije ruimte 2% over de eerste € 400.000, plus 1,18% over de resterende fiscale loonsom. De eindheffing bedraagt 80% over de eventuele overschrijding van de vrije ruimte.
De eerste schijf van de vrije ruimte binnen de WKR is bedoeld om met name mkb-ondernemingen tegemoet te komen. Sinds 2020 is het tweeschijvenstelsel ingevoerd, waardoor een hoger percentage vrije ruimte bij werkgevers met lage loonsommen terechtkomt. Het afschaffen van de eerste schijf is een complexiteitsreductie die het kabinet wil betrekken in de augustusbesluitvorming.
Aanbeveling 2: Afschaffen gerichte vrijstelling korting op branche-eigen producten
Het kabinet stelt voor deze gerichte vrijstelling af te schaffen per 1 januari 2027. Voor werkgevers die personeelskorting verstrekken en werknemers die momenteel korting ontvangen kan een aanpassing per 1 januari 2027 onverwacht ingrijpend zijn, ook omdat (collectieve) arbeidsvoorwaarden hierover eventueel moeten worden aangepast. Na afschaffing van deze gerichte vrijstelling kunnen werkgevers wel nog steeds belastingvrij korting geven op hun bedrijfseigen producten via de vrije ruimte. Het is dan niet langer nodig om de maximumbedragen bij te houden die nu gelden voor de gerichte vrijstelling en de werkgever hoeft het voordeel (voor de loonbelasting) niet meer op werknemersniveau te registreren. Dat zorgt voor een administratieve vereenvoudiging.
Aanbeveling 5: Afschaffen diensttijdvrijstelling (jubileumuitkering 25/40 jaar in dienst)
De huidige diensttijdvrijstelling (maximaal één onbelast maandloon bij 25 en 40 jaar in dienst) is als ondoelmatig beoordeeld, mede omdat het doel minder relevant is in de huidige arbeidsmarkt met aandacht voor wendbaarheid. Het structurele voordeel komt bij relatief welvarende werknemers terecht. Deze aanbeveling wordt gewogen in de augustusbesluitvorming. Veel cao’s kennen een uitkering bij een diensttijd van 12½, 25, 40 en 50 jaar, waarbij de uitkering bij 12½ en 50 jaar nu belast zijn, dan wel ten laste van de vrije ruimte komen. De aanbeveling dat dit dan ook zal gaan gelden voor de diensttijduitkering bij 25 en 40 jaar.
Aanbeveling 7: Inflatie-indexatie doelmatigheidsgrens (€ 2.400) gebruikelijkheidscriterium
De WKR kent een regel die als doel heeft om misbruik van het gebruiken van de vrije ruimte te voorkomen, het zogenoemde gebruikelijkheidscriterium. Dit criterium is algemeen geformuleerd en wordt als complex ervaren. De Belastingdienst hanteert een doelmatigheidsgrens van € 2.400 per jaar per werknemer. Onder dit bedrag wordt aangenomen dat vergoedingen gebruikelijk zijn. Deze doelmatigheidsgrens is sinds 2014 niet geïndexeerd. Voorgesteld is voor deze grens te indexeren omdat door het uitblijven van indexatie de doelmatigheidsgrens gaandeweg strenger is geworden. Het kabinet vindt algemene indexatie van de huidige doelmatigheidsgrens minder passend. Het kabinet ziet echter wel dat een doelmatigheidsgrens een eenvoudigere toets is dan het gebruikelijkheidscriterium zelf. Daarom wil het kabinet een doelmatigheidsgrens wettelijk vastleggen voor alle vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die ten laste van de vrije ruimte komen, gecombineerd met jaarlijkse indexatie. Dit voorstel wordt nog nader uitgewerkt.
Aanbeveling 8: Samenloop thuiswerk- en reiskostenvergoeding toestaan
Momenteel is het niet mogelijk om voor dezelfde dag een gericht vrijgestelde thuiswerkkostenvergoeding en reiskostenvergoeding te geven als een werknemer op die dag zowel thuiswerkt als op diens vaste plaats van werkzaamheden. Aanbevolen is om samenloop wel toe te staan. Werkgevers hebben een regel minder waar rekening mee moet worden gehouden en hoeven niet langer te controleren of een werknemer toevallig beide vergoedingen onbelast op dezelfde dag ontvangt. Tegelijkertijd heeft de Belastingdienst bij het toestaan van deze samenloop minder contra-informatie om te controleren of een werknemer die dag thuis heeft gewerkt. Het kabinet onderzoekt daarbij opties die voorkomen dat het loslaten van het verbod op samenloop als effect heeft dat sommige werkgevers iedere werknemer die kan thuiswerken automatisch een thuiswerkkostenvergoeding geven met als voorwaarde dat deze werknemer belast loon inlevert. Zoals een verbod op uitruil. De effecten op de CO2-uitstoot en de bereikbaarheid van werklocaties (i.v.m. congestie) worden hierbij ook meegenomen. Besluitvorming hierover vindt plaats in augustus.
Aanbeveling 10: WKR zeer terughoudend inzetten voor aanvullende beleidsdoelstellingen
Uit de evaluatie volgt dat nieuwe gerichte vrijstellingen waarbij een bepaalde stimulans het beleidsdoel is, in de regel minder doeltreffend zijn. Dergelijke regelingen zorgen vooral voor complexiteit en ze zijn niet nodig, omdat de vrije ruimte hier voor kan worden ingezet. Het kabinet neemt deze aanbeveling expliciet over en roept de Tweede Kamer ook op terughoudend te zijn bij het toevoegen van beleidsdoelstellingen aan de WKR. Dit draagt bij aan blijvende vereenvoudiging en beperking van administratieve lasten voor ondernemers en de Belastingdienst.
Aanbeveling 11: Onderbouw eindheffingstarief en pas aan indien nodig
Aanbevolen wordt om een nieuwe cijfermatige onderbouwing te geven van het eindheffingstarief (nu 80% bij overschrijding van de vrije ruimte) en deze te actualiseren. Historisch is het tarief gerelateerd aan de marginale belastingdruk inclusief werkgeversheffingen. Een verhoging van het percentage naar de huidige gemiddelde marginale belastingdruk wordt nader onderzocht en opvolgend gewogen in de augustusbesluitvorming.
Aanbeveling 12: Verhoog bekendheid met de WKR
Ondanks bestaande informatievoorziening via de Belastingdienst, nieuwsbrieven en het Ondernemersplein blijkt de bekendheid met en het juiste gebruik van de WKR bij werkgevers nog voor verbetering vatbaar. Het kabinet neemt de aanbeveling over en zal met meer regelmaat aandacht besteden aan de WKR. Ook heeft het kabinet besloten geen horizonbepaling (einddatum) voor te stellen voor de gerichte vrijstelling voor scholing en studie, maar deze vrijstelling beter onder de aandacht te brengen.
De Belastingdienst heeft een handreiking opgesteld die specifiek is gericht op het onderwerp btw en vakantiewoning. Hieronder vindt u een overzicht van alle aandachtspunten, met een praktijkvoorbeeld om de regels te verduidelijken
Hebt u een vakantiewoning in Nederland en gaat u deze verhuren? Dan moet u over de huuropbrengsten 21% btw berekenen, tenzij u deelneemt aan de kleineondernemersregeling (KOR). U kunt btw terugvragen op kosten die u maakt voor de verhuur. Denk bijvoorbeeld aan de btw die mogelijk in rekening is gebracht op de factuur voor de aankoop van de woning of aan facturen die u ontvangt voor bijvoorbeeld de inrichting van de woning, het onderhoud of voor gas, water en elektriciteit.
Hierna gaan we alleen in op de btw die ziet op de aanschaf van een vakantiewoning die voor de btw 100% zakelijk is aangemerkt.
Aanmelden als ondernemer
Voor het afdragen en het terugvragen van btw hebt u een btw-nummer nodig. Daartoe meldt u zich aan bij de Belastingdienst met het formulier Opgaaf Startende Ondernemer (niet ingeschreven in het handelsregister). Voor de verhuur van een vakantiewoning hoeft u zich niet in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Aankoop met of zonder btw?
De aanschaf van een vakantiewoning is niet in alle gevallen belast met btw. Als u de woning koopt van iemand die deze niet verhuurde en daardoor geen btw-ondernemer is, wordt geen btw in rekening gebracht.
Ook als de verkoper wel btw-ondernemer is, kan het zijn dat er geen btw in rekening wordt gebracht. De verkoop van een onroerende zaak is in principe namelijk vrijgesteld van btw. Dat is anders als het gaat om een nieuwe onroerende zaak, dit wil zeggen een onroerende zaak die nog niet in gebruik is genomen of die minder dan 2 jaar geleden in gebruik is genomen. Als een nieuwe onroerende zaak wordt verkocht, is de verkoop belast met btw.
Er is 1 uitzondering: als de levering in principe is vrijgesteld van btw, omdat het geen nieuwe woning is, kunnen de koper en de verkoper er samen voor kiezen om de levering toch te belasten met btw. In dat geval moeten ze wel voldoen aan de voorwaarden, de btw wordt dan verlegd naar de koper. Dit kan bijvoorbeeld als voordeel hebben dat de verkoper in het verleden afgetrokken btw niet hoeft terug te betalen.
Het kan ook voorkomen dat de vakantiewoning niet als onroerend maar als roerend wordt aangemerkt. In dat geval is de verkoop door een btw-ondernemer altijd belast met btw. Vakantiewoningen worden voor de omzetbelasting overigens vaak als onroerende zaak beschouwd.
Als u een vakantiewoning gaan kopen om die te verhuren, is het belangrijk om vast te stellen of de verkoop belast is met btw of niet. Btw die u bij de aanschaf betaalt, kunt u immers (gedeeltelijk) terugvragen als wordt voldaan aan de algemene voorwaarden.
Btw terugvragen over de aanschaf
Als u btw hebt betaald over de aanschaf van de vakantiewoning, is het belangrijk om te bepalen of en zo ja hoeveel btw u kunt terugvragen. Hierbij zijn 3 zaken van belang:
Roerende zaak
Als sprake is van een roerende zaak en u verhuurt de woning belast met btw, dan kunt u alle btw die drukt op de aanschaf van de woning in aftrek brengen. Het maakt daarbij niet uit of u de woning ook privé gebruikt. In het jaar van ingebruikname en de 4 daaropvolgende jaren moet u bekijken of een correctie moet worden aangebracht voor privégebruik.
Onroerende zaak
Als sprake is van een onroerende zaak en u verhuurt de woning belast met btw, dan kunt u alleen alle btw aftrekken als geen sprake is van privégebruik. Gaat u de woning ook gebruiken voor privédoeleinden, dan wordt het aftrekrecht meteen beperkt. Is het gebruik van de woning bijvoorbeeld 20% privé en 80% zakelijk, dan kunt u maximaal 80% van de btw aftrekken. Als er sprake is van privégebruik, kunt u dus niet alle btw aftrekken.
Voor een onroerende zaak geldt dat in het jaar van ingebruikname en de daaropvolgende 9 jaren moet worden gekeken of het oorspronkelijk ingeschatte privégebruik overeenstemt met het werkelijke privégebruik. Als het privégebruik in de jaren 2 tot en met 9 afwijkt van het werkelijk privégebruik in jaar 1 (het jaar van aanschaf), moet u dit corrigeren. Voor deze correctie geldt een drempel van 10%, zie onderstaand voorbeeld. Dit kan leiden tot een extra teruggaaf bij minder privégebruik, of tot een gedeeltelijke terugbetaling van de afgetrokken btw bij meer privégebruik.
Hoe werkt het in de praktijk?
In het volgende voorbeeld gaat het om een onroerende vakantiewoning.
Bij aanschaf van de woning wordt verwacht dat u de woning voor 90% zakelijk gebruikt. Er kan in het 1e kwartaal 2026 90% van € 31.500 = € 28.350 aan btw worden afgetrokken. Een onroerend investeringsgoed wordt in het jaar van ingebruikname plus de 9 jaren daaropvolgend gevolgd.
Aan het eind van 2026 blijkt dat de woning 20% privé is gebruikt en 80% zakelijk. In de laatste aangifte van 2026 moet u dan € 3.150 aangeven als te betalen btw. Het recht op aftrek over 2026 is 80% van € 31.500 = € 25.200. Omdat oorspronkelijk € 28.350 is teruggevraagd, moet u het verschil terugbetalen.
Van de btw die u bij aankoop heeft betaald (€ 31.500) rekent u 10% toe aan elk van de 9 jaren na het jaar van ingebruikname. Dat is € 3.150 per jaar. Ook van de btw die u in het jaar van ingebruikname per saldo hebt teruggevraagd (€ 25.200), rekent u 1/10 deel toe aan elk van deze 9 jaren. Dat is € 2.520 per jaar.
Hoe werkt de herziening tijdens de 9 jaren na het jaar van ingebruikname?
In de jaren 2027 tot en met 2035 moet u steeds aan het eind van het jaar vaststellen hoeveel u de woning in dat kalenderjaar privé heeft gebruikt. Dit heet de herzieningsperiode.
Er zijn 3 mogelijkheden:
En na de herzieningsperiode?
Als de herzieningsperiode voorbij is heeft u geen correctie voor privégebruik meer.
U mag de btw alleen herzien als het bedrag dat u extra mag terugvragen of moet bijbetalen, méér is dan 10% van het afgetrokken btw-bedrag dat aan dat jaar is toegerekend. In het voorbeeld wordt aan elk kalenderjaar € 2.520 toegerekend. U herziet de btw dus alleen als het herzieningsbedrag hoger is dan € 252.
Voor de jaren 2027 tot en met 2035 uit het voorbeeld betekent dit:
Tip: Zoals u hebt gelezen, is de btw-situatie rond de verhuur van een vakantiehuis behoorlijk gecompliceerd. Uiteraard zijn we u graag van dienst bij een correcte verwerking van alle btw-aspecten.
Werknemers met een flexibel arbeidscontract krijgen meer zekerheid over hun inkomen en hun werktijd. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel dat dit regelt aangenomen. Er komen strengere regels om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen. En oproepcontracten worden vervangen door contracten met een minimumaantal uren dat ze standaard worden betaald en ingeroosterd. Als ook de Eerste Kamer instemt kan het wetsvoorstel per 1 januari 2028 in werking treden.
Draaideurconstructies
Met deze nieuwe wet wordt het uitgangspunt dat tijdelijke contracten alleen bedoeld zijn voor tijdelijk werk. Na een tijdelijk contract moeten werknemers sneller een vast dienstverband krijgen en mogen zij niet meer na zes maanden opnieuw een tijdelijk contract krijgen.
Oproepcontracten
In plaats van de nulurencontracten komt er een bandbreedtecontract. Daarin wordt er een minimum- en een maximumaantal uren afgesproken, waarbij het verschil maximaal 130% is. Dit betekent dat bij een minimum van 10 uur het maximum 13 uur is. Oproepen die boven het maximum zitten mogen door de werknemer geweigerd worden. En als er structureel meer wordt gewerkt moet er een contract worden aangeboden met een hoger aantal uren.
Uitzendkrachten
Mensen die werken via een uitzendbureau moeten minimaal gelijkwaardige arbeidvoorwaarden krijgen als mensen die regulier in dienst zijn. Dit volgde voor beloning al uit een uitspraak van het Europees Hof van Justitie, en wordt nu voor alle arbeidsvoorwaarden vastgelegd in de Nederlandse wet. Ook worden de fases van uitzendwerk waarin je elke dag kan worden ontslagen of niet weet hoeveel uren je kan werken verkort van anderhalf jaar naar 1 jaar. Op die manier zorgt het wetsvoorstel voor meer zekerheid voor uitzendkrachten.
Aanpassingen door de Tweede Kamer
De Tweede Kamer heeft enkele aanpassingen gemaakt in de wet. Zo mag er na drie tijdelijke contracten drie jaar lang geen tijdelijk contract meer worden afgesloten. In het eerdere wetsvoorstel was dit nog vijf jaar. Ook mogen AOW-gerechtigden straks nog wel op een oproepcontract werken. De wet kende deze uitzondering al voor jongeren, scholieren en studenten met bijbanen. En tot slot krijgt de minister de mogelijkheid om in te grijpen als er sprake van structurele onderbetaling in de uitzendsector.
Arbeidsmarktpakket
Samen met enkele andere wetsvoorstellen vormt dit voorstel een hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt die moet zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor ondernemers. Het is het eerste grote wetsvoorstel van het arbeidsmarktpakket dat is aangenomen. Deze wetsvoorstellen vloeien voort uit afspraken die het kabinet in 2023 heeft gemaakt met vakbonden en werkgevers en zijn gebaseerd op het rapport van de commissie Borstlap uit 2020 en het SER-advies uit 2021.
In box 3 dienen vorderingen en schulden voor de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen. Bij een onder zakelijke voorwaarden overeengekomen vordering of schuld is dit gewoonlijk de nominale waarde. Maar wat als dat niet zo is? En hoe stelt u dat vast? Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst enkele vragen beantwoord.
Vraag 1: Schuld met vaste looptijd en afwijkende rente
Voor welke waarde moet een schuld met een vaste looptijd (zonder boetevrije vervroegde aflossingsmogelijkheid) in aanmerking worden genomen in box 3 wanneer de contractrente afwijkt van (lees: hoger of lager ligt dan) de marktrente op de peildatum?
Antwoord 1
Een schuld dient tegen de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen. De waarde in het economische verkeer van een schuld is normaal gesproken, op het moment dat deze onder zakelijke condities wordt overeengekomen, gelijk aan de nominale waarde van de schuld. Wanneer echter een rentevaste periode wordt overeengekomen en de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente, dan wordt de waarde in het economische verkeer van de schuld geacht gelijk te zijn aan de contante waarde (ook wel: de actuele waarde) van de schuld.
Vraag 2: Niet direct opeisbare vordering met afwijkende contractrente
Voor welke waarde moet een niet direct opeisbare vordering in aanmerking worden genomen in box 3 wanneer de contractrente afwijkt van (lees: hoger of lager ligt dan) de marktrente op de peildatum?
Antwoord 2
Een vordering dient tegen de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen. De waarde in het economische verkeer van een vordering is normaal gesproken, op het moment dat deze onder zakelijke condities wordt overeengekomen, gelijk aan de nominale waarde van de vordering. Wanneer echter een rentevaste periode wordt overeengekomen en de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente, dan wordt de waarde in het economische verkeer van de vordering geacht gelijk te zijn aan de contante waarde (ook wel: de actuele waarde) van de vordering.
Vraag 3: Invloed niet-verhandelbaarheid
Heeft de niet-verhandelbaarheid van een vordering of schuld invloed op de waarde in het economische verkeer?
Antwoord 3
Nee, in beginsel wordt de waarde in het economische verkeer van vorderingen en schulden niet beïnvloed door de niet-verhandelbaarheid ervan.
Praktische oplossing: waardering op nominale waarde
Het berekenen van de waarde in het economische verkeer van een geldvordering of -schuld waarbij een rentevaste periode is overeengekomen en waarvan de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente van een lening met vergelijkbare voorwaarden, is administratief bewerkelijk en doet een groot beroep op belastingplichtigen. Daarnaast is het staande uitvoeringspraktijk dat onder meer door banken het boeksaldo van een geldlening of vordering als waarde in het economische verkeer wordt gerenseigneerd.
Uit praktische overwegingen en gelet op deze uitvoeringspraktijk mag een belastingplichtige bij het bepalen van de waarde in het economische verkeer van een geldvordering of -schuld (niet zijnde een effect als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht) uitgaan van de nominale waarde.
Hierbij moet wel sprake zijn van een bestendige gedragslijn, zodat consistent wordt gekozen voor de nominale waarde en niet slechts om een fiscaal voordeel te behalen. Dit betekent dat de nominale waarde zowel wordt gebruikt ter berekening van het forfaitaire rendement als voor het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling box 3. Ook houdt dit in dat voor de berekening van het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling box 3 de nominale waarde wordt gebruikt aan het begin en einde van het kalenderjaar en voor eventuele stortingen en onttrekkingen als gevolg van verkrijging of vervreemding van een geldvordering of -schuld. Deze uitwerking geldt tot aan de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3, aangezien hierin specifieke regels zijn opgenomen met betrekking tot de waardering van geldvorderingen en -schulden tussen natuurlijke personen.
Het kabinet verhoogt de onbelaste vergoeding van € 0,23 per kilometer met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 naar € 0,25 per kilometer. Dat is onderdeel van het Belastingplan 2027 dat op Prinsjesdag bekend wordt gemaakt. Hierop vooruitlopend heeft de staatssecretaris van Financiën de verhoging van de gerichte vrijstelling alvast goedgekeurd in een beleidsbesluit. Daardoor kunt u nu al € 0,25 per kilometer onbelast vergoeden. Maar hoe?
Verhoging vergoeding met terugwerkende kracht
U kunt de verhoging van € 0,02 per kilometer met terugwerkende kracht vergoeden aan de werknemers. Hieronder leest u hoe u dat verwerkt in de loonadministratie en de aangifte loonheffingen.
U vergoedde € 0,23 of minder per kilometer
Hebt u sinds 1 januari 2026 € 0,23 per kilometer vergoed aan de werknemer? Dan mag u de verhoging van € 0,02 per kilometer alsnog onbelast vergoeden (gericht vrijgesteld) bij een volgende loonbetaling. Dat geldt ook als u minder dan € 0,23 per kilometer vergoedde.
U vergoedde meer dan € 0,23 per kilometer en merkte het bedrag boven € 0,23 per kilometer aan als belast loon
Hebt u sinds 1 januari 2026 meer dan € 0,23 per kilometer vergoed aan de werknemer? En hebt u het bedrag boven € 0,23 aangemerkt als belast loon? Dan mag u voor elk aangiftetijdvak het loon en de ingehouden loonheffingen verlagen met € 0,02 per kilometer. Dat doet u door de aangiften over die tijdvakken te corrigeren.
U vergoedde meer dan € 0,23 per kilometer en betaalde al eindheffing over het belaste bedrag
Hebt u sinds 1 januari 2026 meer dan € 0,23 per kilometer vergoed aan de werknemer? En hebt u in 1 of meer tijdvakken het belaste deel van de vergoeding aangewezen als eindheffingsloon? En hebt u daarover al 80% eindheffing betaald? Dan mag u de eindheffing die u betaalde over die € 0,02 per kilometer, verrekenen in een volgende aangifte loonheffingen.
U maakt gebruik van de salderingsregeling
Gebruikt u de zogenoemde salderingsregeling? Dan gaat u met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 uit van € 0,25 per kilometer.
Reiskostenvergoeding via de cafetariaregeling
Hebt u met de werknemer afgesproken dat de werknemer belast loon inlevert, in ruil voor de onbelaste kilometervergoeding of de verhoging daarvan? Dan mag u volgens het beleidsbesluit ook de eerdere aangiften loonheffingen corrigeren.
Hebt u werknemers in dienst met studerende kinderen? Dan kunt u de studiekosten van de kinderen vergoeden. Dit kan op verschillende manieren. De Belastingdienst een praktische handreiking gepubliceerd over de mogelijkheden.
U kunt de studiekosten op 4 manieren vergoeden:
1. Vergoeding aan de werknemer
Als u de vergoeding aan de werknemer betaalt, is dit een voordeel voor de werknemer. Als u dit niet aanwijst als eindheffingsloon, is dit belast loon. Op dit loon moet u op de gebruikelijke manier loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) inhouden. U betaalt over de vergoeding ook premie Zorgverzekeringswet (Zvw) en premies werknemersverzekeringen.
2. Eindheffingsloon werknemer
U mag de studietoelage die de werknemer ontvangt ook aanwijzen als eindheffingsloon. U moet wel voldoen aan de gebruikelijkheidstoets. Voor deze vergoeding geldt geen gerichte vrijstelling, dus dit komt ten laste van de vrije ruimte. Als u geen vrije ruimte meer hebt, betaalt u 80% eindheffing.
3. Vergoeding aan het kind
Heeft het kind een zelfstandig recht op de studietoelage en betaalt u de toelage rechtstreeks aan het studerend kind? Dan is dit voor het kind loon uit een bestaande dienstbetrekking van een ander. U houdt op de gebruikelijke manier LB/PVV in. De toelage is loon uit vroegere dienstbetrekking omdat er geen arbeid tegenover staat. Het kind is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
4. Studiefonds
Als u een studietoelage voor het kind van de werknemer betaalt uit een studiefonds, is dit geen belast loon als het fonds voldoet aan de volgende voorwaarden:
De brandstofprijzen zijn gestegen door de oorlog in het Midden-Oosten. Het kabinet heeft besloten vanaf 1 juli 2026 de motorrijtuigenbelasting (mrb) tijdelijk te verlagen. Deze maatregel geldt alleen voor bestelauto's met het ondernemerstarief en voor vrachtauto's.
Bestelauto's met het ondernemerstarief
Betaalt u het ondernemerstarief voor uw bestelauto('s)? Dan betaalt u vanaf 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 de helft aan mrb voor uw bestelauto('s). Dit aangepaste tarief staat vanaf 1 juli 2026 in het hulpmiddel Motorrijtuigenbelasting berekenen.
Vrachtauto's vanaf 12.000 kilo tijdelijk geen mrb
Voor vrachtauto's met een toegestane maximale massa van 12.000 kilo of meer betaalt u € 0 (nihiltarief). Deze maatregel geldt van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027.
Voor vrachtauto's met een toegestane maximum massa lager dan 12.000 kilo geldt vanaf 1 juli 2026 sowieso het nihiltarief.
Vanaf wanneer geldt de tijdelijke verlaging?
U betaalt de mrb altijd over een tijdvak van 3 maanden. De tijdelijke verlaging geldt vanaf het 1e tijdvak dat op of na 1 juli 2026 begint.
Voorbeeld:
Stel, uw tijdvak loopt van 25 juni 2026 tot en met 24 september 2026. Over die periode geldt nog het normale tarief mrb. Vanaf 25 september 2026 betaalt u tijdelijk het lagere tarief of het nihiltarief. Want dan begint voor u het 1e tijdvak na 1 juli 2026. Ook voor het daaropvolgende tijdvak (van 25 december 2026 tot en met 24 maart 2027) betaalt u het lagere tarief of het nihiltarief.
Als een werknemer na einde dienstbetrekking nog in een auto van de zaak rijdt, is geen sprake meer van zakelijk gebruik. Dit is ook het geval bij arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking. In deze handreiking van de belastingdienst leest u wat in dit soort situaties de gevolgen zijn voor de bijtelling privégebruik auto.
In de volgende situaties gebruikt een werknemer de auto van de zaak niet zakelijk:
Heeft de werknemer in deze situaties de auto van de zaak ter beschikking en rijdt hij meer dan 500 kilometer privé? Dan moet u de waarde van het privégebruik bij het loon tellen. U doet dit op basis van de bijtellingspercentages (bijtellingsregeling). Dit geldt ook als de werknemer de auto alleen nog voor privédoeleinden gebruikt.
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking is sprake van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. De bijtellingsregeling blijft ook gelden als de werknemer door ziekte niet in de auto kan rijden. De werknemer heeft de auto dan nog steeds tot zijn beschikking. Het bedrag van de bijtelling is loon voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.
Loon uit vroegere dienstbetrekking
Mag de werknemer een auto privé blijven gebruiken na einde dienstbetrekking of bij permanente arbeidsongeschiktheid? Dan is het bedrag van de bijtelling loon uit vroegere dienstbetrekking. Het bedrag van de bijtelling is loon voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. U bent geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd.
Excessief privégebruik
Als de werkelijke waarde van het privégebruik duidelijk meer is dan de bijtelling op basis van het algemene bijtellingspercentage, is sprake van excessief privégebruik van de auto. U moet dan uitgaan van de hogere waarde van het privégebruik.
Geen eindheffingsloon
De bijtelling is altijd loon van de werknemer. U kunt dit loon dus niet aanwijzen als eindheffingsloon. Er is één uitzondering: het deel van de bijtelling voor buitengewone beveiligingsmaatregelen kunt u wel aanwijzen als eindheffingsloon.
Auto vóór aanvang dienstbetrekking
Krijgt een werknemer een auto ter beschikking voordat hij in dienst treedt? Dan is dit een voordeel dat voortvloeit uit de (toekomstige) dienstbetrekking. Het is loon in natura in de vorm van een bijtelling privégebruik auto. U verwerkt de bijtelling in de aangifte loonheffingen over het tijdvak waarin de auto ter beschikking is gesteld. U betaalt dan geen loon in geld maar u moet wel loonheffingen afdragen. Het bedrag dat u moet inhouden, kunt u verhalen op de werknemer. U kunt er ook voor kiezen om het bedrag te bruteren.
Privégebruik auto en weinig of geen loon in geld
Als u de werknemer weinig of geen loon in geld betaalt, moet u over de bijtelling privégebruik auto toch alle loonheffingen betalen. U kunt kiezen of u dit wel of niet verhaalt op de werknemer.
Verhalen op de werknemer
U mag de loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) en de in te houden bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) verhalen op de werknemer. Dit geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw. Als de werknemer nog loon ontvangt, kunt u dit doen via verrekening in het eerstvolgende loontijdvak.
Niet verhalen op de werknemer
Als u de LB/PVV en bijdrage Zvw niet verhaalt op de werknemer, kunnen zich 2 situaties voordoen:
Op 1 januari 2031 verliest een grote groep huiseigenaren het recht op hypotheekrenteaftrek. De benodigde gegevens om deze termijn te toetsen zijn echter onvoldoende beschikbaar bij burgers en de Belastingdienst. De regeling vraagt dus te veel van burgers en is voor de Belastingdienst niet goed handhaafbaar. Een ambtelijk rapport concludeert dat snelle beleidskeuzes nodig zijn.
De in 2001 ingevoerde termijn voor hypotheekrenteaftrek beperkt de aftrek van hypotheekrente tot maximaal 30 jaar. De bedoeling van de 30-jaarstermijn is om onbeperkte hypotheekrenteaftrek in box 1 te voorkomen, aflossing te stimuleren en om de belastingderving te beperken. Per 2031 verliest een grote groep huiseigenaren het recht op hypotheekrenteaftrek. De benodigde gegevens om deze termijn te toetsen zijn onvoldoende beschikbaar bij burgers en de Belastingdienst. Factoren zoals verhuizingen, scheidingen en oversluiten vergroten die complexiteit en zorgen voor onzekerheid en fouten. Oplossingsrichtingen variëren van volledige afschaffing van de hypotheekrenteaftrek voor oude hypotheken per 2031 tot verlenging of geleidelijke afbouw. De opties balanceren tussen eenvoud, uitvoerbaarheid en budgettaire effecten, tegen de achtergrond van een groot handhavingsprobleem. Het gaat namelijk om circa 2,7 miljoen hypotheken en de controle zal in de praktijk beperkt en steekproefsgewijs zijn omdat de Belastingdienst over onvoldoende gegevens beschikt.
Om welke hypotheken gaat het?
Op 1 januari 2031 loopt de 30-jaarstermijn af voor de eerste, grote groep belastingplichtigen die een hypotheek hebben van voor 2001. De problematiek van de 30-jaarstermijn spitst zich met name toe op eigenwoningleningen (hierna ook: hypotheken) afgesloten vóór 2013. Deze hypotheken vallen onder het overgangsrecht, de zogenaamde ‘bestaande eigenwoningschulden’ (BEWS). Dit zijn met name aflossingsvrije hypotheken. Voor belastingplichtigen met een BEWS is vaak niet duidelijk of zij al 30 jaar gebruikgemaakt hebben van hypotheekrenteaftrek (hierna ook: HRA). Ook spaar-, beleggings-, of levenshypotheken (hierna ook: SEW/BEW/KEW) vallen onder het overgangsrecht. Voor deze hypotheken is aflossing van (een deel van) de hypotheek binnen 30 jaar gewaarborgd.
Voor leningen die vanaf 2013 zijn afgesloten is de 30-jaarstermijn een minder groot probleem. Sinds 2013 bestaat alleen recht op HRA voor leningen die in maximaal 360 maanden worden afgelost. Wel geldt dat – indien van toepassing - rekening moet worden gehouden met de verstreken looptijd van een BEWS. Voor belastingplichtigen die ook een lening hadden afgesloten vóór 2013, tellen dus de reeds verstreken jaren van die oorspronkelijke 30-jaarstermijn mee voor de maximale periode waarop recht op HRA bestaat voor de ‘nieuwe’ lening. In zo’n situatie stopt het recht op HRA dus voordat de periode van 360 maanden is verstreken en dus voordat de lening volledig is afgelost.
Knelpunten rondom de 30-jaarstermijn
De Belastingdienst beschikt niet over voldoende historische gegevens om het recht op HRA goed te controleren en belastingplichtigen te informeren. Voor het controleren van de 30-jaarstermijn is uitgebreide historische informatie vereist die meestal ontbreekt. Door wettelijke bewaartermijnen is bepaalde data niet meer voorhanden, vooral van leningen van vóór 2013. Ook informatie van derden, bijvoorbeeld het Kadaster, is onvoldoende om de 30-jaarstermijn goed te kunnen handhaven. Complexe situaties, zoals wisselende eigendomsverhoudingen, partnerschappen en life events, vergroten het probleem. Dit leidt tot onzekerheid over de status van het recht op HRA en fouten in aanslagen, waardoor mogelijk ten onrechte HRA geclaimd wordt.
De 30-jaarstermijn kan voor belastingplichtigen zeer complex zijn, met name door life events. Bij life events kan gedacht worden aan samenwonen, echtscheiding, verhuizen of verbouwen. Er is vaak onvoldoende inzicht in hoeveel jaren van de 30-jaarstermijn zijn verstreken. Dit geldt nog sterker voor leningdelen met verschillende startdata. Belastingplichtigen moeten vanaf 2031 aannemelijk maken dat zij nog binnen de 30-jaarstermijn vallen. In veel gevallen kunnen zij dit echter niet. Als de Belastingdienst gegevens opvraagt zal veelal de belastingplichtige, hypotheekadviseur of bank niet meer beschikken over alle historische informatie die nodig is om te bepalen of er nog recht bestaat op HRA. De regeling is daarmee voor burgers zodanig ondoenlijk en complex, dat deze in de praktijk nagenoeg niet handhaafbaar is. Omdat de bewijslast bij belastingplichtigen ligt kan in die gevallen het recht op HRA (deels) vervallen voordat de 30-jaarstermijn verstreken is. Ook is het mogelijk dat belastingplichtigen ten onrechte wel HRA claimen en toegekend krijgen, terwijl de 30-jaarstermijn (deels) is verstreken. Ten slotte zal de ene belastingplichtige zekerheidshalve geen HRA claimen, terwijl de ander dat juist wel zal doen. Dit raakt aan de belastingmoraal.
Oplossingsrichtingen
Een uiterste maatregel om de uitvoeringsproblematiek voor alle typen schulden weg te nemen is het volledig afschaffen van de HRA, maar deze optie valt buiten de reikwijdte van het onderzoek.
De volgende oplossingsrichtingen zijn uitgewerkt:
Aftrek in box 3
In de huidige situatie blijft bij beperkingen van HRA in box 1 aftrek in box 3 mogelijk. Als de wens is om – in lijn met de oorspronkelijke doelstelling van de 30-jaarstermijn - de aftrekbaarheid van rente te beperken tot 30 jaar en de budgettaire derving te beperken zijn aanvullende maatregelen nodig. In de praktijk betekent de mogelijkheid om rente af te trekken in box 3 dat enkel huishoudens met voldoende vermogen (in box 3) na 30 jaar nog voor onbepaalde tijd renteaftrek kunnen blijven genieten. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen of een eventuele beperking van renteaftrek in box 3 juridisch houdbaar is.
Conclusie
Het is voor belastingplichtigen in veel gevallen onmogelijk om de 30-jaarstermijn te doorgronden en alle benodigde informatie hiervoor paraat te hebben. Dit maakt de regeling complex en ondoenlijk voor burgers. De Belastingdienst kan belastingplichtigen door het gebrek aan contra-informatie ook geen uitsluitsel geven over de resterende periode van de 30-jaarstermijn. Dat zorgt nu al voor problemen, waar financieel dienstverleners, en daarmee ook burgers, als eerste tegenaan lopen. Besluitvorming over hoe om te gaan met de 30-jaarsproblematiek is daarom noodzakelijk.
Consumpties die werknemers op de werkplek gebruiken mag u op nihil waarderen. Maar wat valt allemaal onder consumpties? En wat houdt het begrip werkplek in? Valt de thuiswerkplek hier ook onder? Hierover heeft de Belastingdienst in een handreiking praktische standpunten gepubliceerd.
Onder consumpties vallen: koffie, thee, gebak, een stuk fruit en andere tussendoortjes van weinig waarde. Consumpties tijdens een receptie of personeelsfeest op de werkplek mag u ook op nihil waarderen.
Vormen de consumpties samen met andere consumpties een maaltijd? Dan is de regeling voor maaltijden van toepassing.
Consumptie verstrekken
Alleen voor consumpties die een werkgever verstrekt op de werkplek, geldt een nihilwaardering.
Consumptie vergoeden
Een vergoeding voor consumpties op de werkplek is loon voor de werknemer. U kunt deze vergoeding ook als eindheffingsloon aanwijzen. Deze komt dan ten laste van de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Werkplek
Er is sprake van een werkplek als aan 2 voorwaarden is voldaan:
Werkruimte thuis
De werkruimte thuis is alleen een werkplek als werkgever en werknemer voldoen aan de volgende voorwaarden:
Alleen als aan bovenstaande 3 voorwaarden is voldaan, geldt de nihilwaardering ook voor de consumpties op de thuiswerkwerkplek.
Voorbeeld 1
Een werknemer werkt alleen op kantoor. Hij ontvangt een vergoeding van € 10 per maand om koffie en thee te kopen. Geldt hiervoor de nihilwaardering voor consumpties op de werkplek?
Nee. Alleen consumpties die een werkgever verstrekt op de werkplek, vallen onder de nihilwaardering.
Voorbeeld 2
Een werknemer koopt gebak voor een jubileumviering op de werkplek. De werknemer declareert deze kosten bij de werkgever. Wat zijn de gevolgen voor de werkkostenregeling?
Als de werknemer het gebak in opdracht van de werkgever koopt, dan valt de vergoeding van het gebak onder intermediaire kosten. De vergoeding is dan geen loon voor de werknemer.
Koopt de werknemer het gebak op eigen initiatief, dan is de vergoeding voor het gebak wel loon. De nihilwaardering voor consumpties op de werkplek geldt niet voor vergoedingen. De werkgever kan deze vergoeding ook als eindheffingsloon aanwijzen. Deze komt dan ten laste van de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Voorbeeld 3
De werknemers krijgen een borrelpakket met hapjes en drankjes thuisgestuurd. De werkruimte thuis voldoet niet aan het begrip werkplek. Wat zijn de gevolgen voor de werkkostenregeling?
De nihilwaardering voor consumpties geldt niet omdat er geen sprake is van een werkplek. Het borrelpakket is loon voor de werknemers. Als de werkgever het borrelpakket aanwijst als eindheffingsloon, valt het onder de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Een eenmanszaak wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 omgezet in een besloten vennootschap (hierna: BV). De oprichtingsakte van de BV is uiterlijk 31 maart 2026 bij de notaris gepasseerd. Is dan ook gedurende de voorperiode (de periode vóór oprichting van de BV) de gebruikelijkloonregeling (een jaarloon van € 58.000 in 2026) van toepassing? Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt in genomen.
Antwoord
Nee, gedurende de voorperiode van een bv is de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing. Deze is pas van toepassing na de daadwerkelijke notariële oprichting van de bv.
De wet bepaalt dat de gebruikelijkloonregeling van toepassing is voor een werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een BV waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. Voor toepassing van de gebruikelijkloonregeling dient dus sprake te zijn van een werknemer. In de voorperiode bestaat de BV juridisch nog niet. Daarom kan er geen sprake zijn van een (fictieve) dienstbetrekking.
Bij de inwerkingtreding van de gebruikelijkloonregeling heeft de wetgever bovendien bevestigd dat het fictieve salaris niet van toepassing is in de periode dat de BV nog in oprichting is. De toekomstige aandeelhouder geniet in die periode eventueel wel andere inkomsten uit arbeid.
Let op: De oprichter wordt in de voorperiode van de BV wel aangemerkt als aanmerkelijkbelanghouder. Dit standpunt van de staatssecretaris van Financiën heeft echter uitsluitend betrekking op situaties waarin sprake is van een terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan de BV, niet voor de gebruikelijkloonregeling.