Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Koopt u een woning met bijvoorbeeld een grote schuur, paardenbak of weiland? Dan betaalt u over de woning 2% overdrachtsbelasting als u in de woning gaat wonen. Maar hoe zit het met de schuur, paardenbak en het weiland? Horen die bij de woning of geldt daarvoor het tarief van 10,4%? Hoe oordeelt de rechter?
In de zaak kocht een stel een voormalige agrarische locatie met een woning, een grote schuur, een paardenbak en weiland. De Belastingdienst vond dat alleen de woning onder het 2%-tarief viel. Over de overige onderdelen zou het algemene tarief van 10,4% moeten worden betaald.
De rechter kijkt vooral naar de feitelijke situatie en het gebruik bij de aankoop. De verschillende onderdelen vormen volgens de rechter één geheel met de woning. De schuur werd privé gebruikt voor onder meer de paarden, terwijl de paardenbak en het weiland eveneens een functie hadden bij het wonen en hobbymatig houden van paarden.
Dat de schuur vroeger voor agrarische bedrijfsactiviteiten was gebruikt en aanzienlijk groter was dan de woning, maakt volgens de rechter niet dat deze geen aanhorigheid kon zijn. Ook een afzonderlijk kadastraal perceel hoeft daarvoor geen belemmering te zijn.
De rechter concludeert dat de schuur, paardenbak én het weiland als aanhorigheden bij de woning kunnen worden aangemerkt. Daardoor is over de volledige verkrijging het 2%-tarief van toepassing.
Tip: Koopt u een woning met extra grond, een schuur, garage, stal of andere bijbehorende voorzieningen? Laat dan vóór de aankoop beoordelen of deze onderdelen fiscaal als aanhorigheid kunnen worden aangemerkt. Bij een aanzienlijke koopsom loopt het verschil tussen 2% en 10,4% flink op.
Een particulier heeft in zijn aangifte ruim € 1.100 specifieke zorgkosten afgetrokken die betrekking hebben op de bevallingskosten van zijn vrouw. Hun zoon is op de Filippijnen geboren. De Belastingdienst corrigeert de aftrek. Hoe oordeelt de rechter?
Uitgaven voor specifieke zorgkosten
Op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 kunnen uitgaven voor specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen als deze op de belastingplichtige hebben gedrukt. In de wet is opgesomd welke uitgaven als specifieke zorgkosten zijn aan te merken. Onder specifieke zorgkosten vallen onder meer uitgaven voor genees- en heelkundige hulp en geneesmiddelen.
De particulier heeft diverse afschriften van rekeningen die samenhangen met de geboorte van zijn zoon overgelegd. De facturen zijn onder meer van een gynaecoloog en een kinderarts. Hij heeft ook kosten van gezinshulp in aftrek genomen.
Oordeel rechter
De particulier heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van extra kosten van gezinshulp als bedoeld in de wet. Het gaat hier uitsluitend om kosten die samenhangen met de bevalling en die kosten zijn niet aftrekbaar als ziektekosten. Dit is uitdrukkelijk zo aangegeven in de parlementaire toelichting bij de totstandkoming van de wetgeving.
Deze kosten kunnen niet als specifieke zorgkosten in aftrek worden genomen.
Let op: Het kabinet is voornemens om de aftrek specifieke zorgkosten per 2028 helemaal af te schaffen.
Vanaf 2026 kunnen particulieren met een elektrische auto onder bepaalde voorwaarden een vergoeding ontvangen voor de stroom die zij thuis via hun eigen laadpaal laden. Dit gebeurt via zogenoemde ERE-certificaten (Emissiereductie-eenheden), die aantonen dat er CO₂-uitstoot is bespaard. Werknemers die hun elektrische auto van de zaak thuis opladen, kunnen voor die geladen stroom ook een vergoeding voor de ERE-certificaten krijgen. Is dat belast loon?
Toelichting
De vergoeding voor de ERE-certificaten wordt betaald door bedrijven die fossiele brandstoffen verkopen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het aantal geladen kilowatturen (hierna: kWh) en de marktwaarde van de certificaten.
Vergoeding belast loon?
Werknemers die hun elektrische auto van de zaak thuis opladen, kunnen voor die geladen stroom ook een vergoeding voor de ERE-certificaten krijgen. Is dat belast loon?
Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt gepubliceerd: de vergoeding vormt geen belast loon.
Waarom geen belast loon?
Het loonbegrip laat zich samenvatten in de volgende drie voorwaarden:
Er is geen sprake van loon van de werkgever (hierna: werkgeversloon) als aan één van de drie voorwaarden niet is voldaan. In het geval van werkgeversloon is de werkgever altijd inhoudingsplichtig.
In dit geval wordt niet voldaan aan de verstrekkingseis. Er is geen sprake van een voordeel in opdracht en voor rekening van de werkgever en het kan daarmee ook niet op één lijn worden gesteld.
Ook wordt niet voldaan aan de causaliteitseis. De vergoeding houdt onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking. Het voordeel behoort tot de persoonlijke sfeer van de werknemer en kan, rekening houdende met de maatschappelijke opvattingen, niet worden toegerekend aan de dienstbetrekking.
Een eventuele vergoeding van de werkgever voor de werkelijke laadkosten van de auto van de zaak behoort niet tot loonsfeer, omdat sprake is van intermediaire kosten.
Een eventuele vergoeding voor ERE-certificaten drukt hierbij de integrale kostprijs per kWh. De vergoeding voor ERE-certificaten kan wel buiten beschouwing blijven als een werkgever en een werknemer afspraken maken over doorlevering van energie onder zakelijke en dus marktconforme voorwaarden. Immers, daarvoor is bepalend de prijs op de energiemarkt op het moment van maken van de afspraken tussen partijen.
Ook geen loon van derden
Als een voordeel niet als werkgeversloon kan worden aangemerkt, kan toch sprake zijn van loon, namelijk in het geval van fooien en dergelijke prestaties van derden, ook wel loon van derden genoemd. Voordelen van derden vormen loon uit dienstbetrekking als aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:
Er is geen sprake van loon van derden als aan één van de twee voorwaarden niet is voldaan.
Voor de finaliteitseis is een nauwere relatie vereist met de dienstbetrekking dan op grond van het causaliteitscriterium. Het voordeel moet een tegenprestatie zijn voor werkzaamheden die de werknemer in zijn hoedanigheid van werknemer heeft verricht voor de werkgever of voor de derde.
De vergoeding in dit geval voldoet niet aan de finaliteitseis. Er is geen sprake van een beloning voor werkzaamheden die de werknemer voor de werkgever of de derde heeft verricht in de uitoefening van zijn dienstbetrekking. Het is geen tegenprestatie voor werkzaamheden, die de ontvanger in zijn hoedanigheid van werknemer heeft verricht. Het opladen van de auto van de zaak is geen werkzaamheid en de werknemer doet dit niet in zijn hoedanigheid van werknemer, maar als particuliere gebruiker van het stroomnet.
Een man koopt een appartement met toepassing van het 2%-tarief overdrachtsbelasting voor de eigen woning. Een dag na de levering komt hij vast te zitten in de lift. Een aanval van claustrofobie leidt tot het besluit de woning zo snel mogelijk te verkopen. De Belastingdienst legt vervolgens een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op met een bijheffing van 8,4% van de koopsom van de woning. Terecht?
Standpunt man
Het verlaagde tarief van 2% is en blijft van toepassing. Er is sprake van onvoorziene omstandigheden, waardoor hij de woning redelijkerwijs niet als hoofdverblijf kon gebruiken. Hij is slecht ter been en heeft grote moeite met traplopen. Daarom was hij aangewezen op de lift. De dag na de levering van het appartement is hij voor enige tijd in de lift vast komen te zitten. Wegens bij hem bestaande claustrofobie heeft hij dit voorval ervaren als zeer traumatisch.
Standpunt Belastingdienst
Volgens de Belastingdienst is geen sprake van onvoorziene omstandigheden en is het algemene tarief (10,4%) van toepassing. De lift was namelijk ten tijde van de aankoop al aanwezig. Daarnaast was de lift goed onderhouden, gekeurd en dienstbaar aan alle bewoners van het appartementencomplex. Bovendien is de Vereniging van Eigenaren niet bekend met incidenten of meldingen in de afgelopen jaren ter zake van de lift.
Oordeel rechter
Onvoorziene omstandigheden kunnen ertoe leiden dat de koper van een woning redelijkerwijs niet in staat is deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gaan gebruiken. Als dit het geval is, wordt hij geacht de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te hebben gebruikt. In dat geval is het verlaagde tarief van 2% van toepassing.
Nu de Belastingdienst betwist dat sprake is van onvoorziene omstandigheden, ligt de bewijslast daarvan bij de man
De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onvoorziene omstandigheden. De liften waren op het moment van de koop aanwezig. Het ontstaan van een tijdelijke storing of blokkering daarvan is inherent aan het gebruik van een lift. Dat de man is vast komen te zitten in de lift, hoe vervelend ook, vormt dus geen bijzondere omstandigheid. Ook niet in het licht van de bij hem aanwezige claustrofobie. Deze omstandigheden brengen los van elkaar noch in samenhang bezien niet met zich dat hij redelijkerwijs niet in staat was om de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf te gebruiken. Hier komt ook nog bij dat niet aannemelijk is dat sprake was van structurele gebreken of onveilige situaties met de liften in het woongebouw. Het enkele feit dat bij de lift een instructiebordje voor veilig gebruik hangt, brengt niet uit zichzelf mee dat de liften gevaarlijk of ondeugdelijk zijn.
De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting is terecht opgelegd.
Let op: Een bijzondere situatie die duidelijk maakt dat aan het verlaagde tarief voor zelfbewoning strikte voorwaarden zitten. Een onvoorziene omstandigheid na aankoop kan deze aan de kant zetten. Maar hier had de man volgens de rechter bij aankoop zelf de kleine kans op een incident met de lift aanvaard. Daarom is van een onvoorziene omstandigheid geen sprake.
Bij een belastingcontrole van een BV met een handel in bier, breezers en laag alcoholische dranken komt naar voren dat de man van de aandeelhoudster af en toe werkzaamheden voor deze BV verricht. De echtgenote zelf heeft elders een baan en doet eigenlijk niets voor haar BV. Volgens de man is zijn rol zeer beperkt, maar de Belastingdienst stelt vast dat hij wel degelijk meer doet en corrigeert zijn inkomen met het volle wettelijke fictieve loon. Hoe oordeelt de rechter?
Overwegingen rechter
Op grond van de wet geldt ten aanzien van iemand die in betekende mate arbeid verricht voor een BV waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, dat het belastbare loon niet lager wordt gesteld dan op het uit de wet voortvloeiende bedrag. Dit geldt ongeacht of daadwerkelijk loon is ontvangen.
Vast staat dat de echtgenote aanmerkelijk-belanghouder was van de BV. Beslissend voor het geschil is daarmee of de man in betekende mate arbeid heeft verricht voor de BV. De bewijslast daarvan rust op de Belastingdienst.
Uit het rapport van het boekenonderzoek blijkt van activiteiten van de BV die noodzakelijkerwijs substantiële arbeid vergden, en voorts dat de BV geen personeel in dienst had noch anderszins werkkracht inhuurde. Tijdens de controle kon of wilde de echtgenote, ook op indringend verzoek van de Belastingdienst, niet antwoorden op vragen over het reilen en zeilen van de onderneming. Die vragen werden uiteindelijk steeds beantwoord door haar man. De echtgenote werkte op oproepbasis in de medische zorg. Van een werkkring van de man anders dan bij de BV is niet gebleken.
De man voert aan dat hij vanaf 2012 volledig is afgekeurd en een WIA-uitkering ontvangt, waardoor hij onmogelijk meer dan hand- en spandiensten heeft kunnen verrichten. Maar volgens de rechter blijkt dat laatste nergens uit. Ook blijkt nergens uit dat de echtgenote feitelijk volledig verantwoordelijk was voor de dagelijkse bedrijfsvoering.
Daarom acht de rechter aannemelijk dat de werkzaamheden die waren gemoeid met de onderneming van de BV in overwegende mate door de man werden verricht, en voorts dat deze van een zekere omvang waren.
Nu aan de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van gebruikelijk loon wordt voldaan, blijft over de vraag naar welk bedrag dit loon moet worden vastgesteld. Anders dan de man meent, behoeft de vaststelling van het gebruikelijk loon op het normbedrag van (destijds) € 44.000 in beginsel geen nadere toets of motivering. Het volgt rechtstreeks uit de wettekst. Dat bijvoorbeeld geen formele functie is vastgesteld en geen loon is betaald aan de man doet dus niet ter zake. De Belastingdienst hoeft ook niet aan te tonen dat de BV winst heeft gemaakt. De bewijslast dat het gebruikelijk loon op een lager bedrag moet worden vastgesteld, rust volledig op de man. Maar hiervoor levert hij geen enkele onderbouwing aan.
Conclusie
Het gelijk is aan de Belastingdienst. De correctie is terecht toegepast.
Let op: Het wordt nog wel eens vergeten. Als een man in betekende mate werkzaamheden verricht voor de BV van zijn vrouw, geldt voor hem de fictief loonregeling in volle omvang.
Wie een eerste woning koopt, kan mogelijk gebruikmaken van de startersvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Maar aan die vrijstelling zijn strikte voorwaarden verbonden. Een recente uitspraak van de Belastingrechter laat zien dat een onjuiste toepassing kan leiden tot een naheffing. Waar ging het mis?
Een echtpaar kocht een woning en deed een beroep op de startersvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Al vóór de aankoop waren de kopers van plan deze woning volledig te slopen, inclusief de fundering, om op dezelfde locatie een nieuwe woning te bouwen. Dat plan is na de overdracht ook uitgevoerd.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de vrijstelling toch van toepassing was, omdat de kopers de bedoeling hadden om duurzaam op dat adres te gaan wonen. Het Gerechtshof kwam echter tot een ander oordeel.
Volgens het hof moet een koper de verkregen woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken. Daarvan was in dit geval geen sprake. De bestaande woning werd namelijk direct na de aankoop volledig gesloopt, waarna een geheel nieuwe woning werd gebouwd. De kopers zijn dus uiteindelijk niet in de aangekochte woning gaan wonen, maar in de nieuw gebouwde woning.
Het hof wees er bovendien op dat de wet wel ruimte biedt om een woning in aanbouw onder omstandigheden als woning aan te merken, bijvoorbeeld wanneer de fundering al is aangebracht. Dat betekent echter niet dat een bestaande woning die volledig wordt gesloopt, inclusief de fundering, voor de startersvrijstelling gelijk kan worden gesteld met een woning in aanbouw. Omdat de oorspronkelijke woning volledig ophield te bestaan, werd niet voldaan aan het wettelijke hoofdverblijfcriterium.
De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting bleef daarom in stand. De opgelegde boete werd door het hof wel vernietigd.
Tip: Bent u van plan een woning ingrijpend te verbouwen of zelfs volledig te slopen om nieuwbouw te realiseren? Laat dan vooraf beoordelen welke gevolgen dat heeft voor de overdrachtsbelasting. De startersvrijstelling geldt alleen als u de verkregen woning daadwerkelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. Bij volledige sloop kan de Belastingdienst de vrijstelling weigeren en de verschuldigde overdrachtsbelasting alsnog naheffen.
Schoonheidsspecialistes verrichten steeds vaker behandelingen die naast een cosmetisch ook een medisch karakter kunnen hebben. De Belastingdienst heeft in een nieuw kennisgroepstandpunt verduidelijkt of en wanneer voor dergelijke behandelingen de medische btw-vrijstelling kan gelden. De voorwaarden blijken strikt en vragen om een goede onderbouwing en administratie. Wanneer mag u een behandeling zonder btw factureren?
Volgens de kennisgroep omzetbelasting zijn de diensten van een schoonheidsspecialiste in beginsel belast met 21% btw, omdat deze meestal zijn gericht op uiterlijke verzorging. Alleen wanneer een behandeling kwalificeert als gezondheidskundige verzorging van de mens, kan de medische vrijstelling van toepassing zijn.
Daarvoor is niet voldoende dat een cliënt een medische klacht ervaart. Het therapeutische doel van de behandeling moet objectief worden vastgesteld door een daartoe bevoegde medische beroepsbeoefenaar, zoals een arts. Een schoonheidsspecialiste kan dit volgens de Belastingdienst niet zelfstandig beoordelen, omdat haar deskundigheid is gericht op cosmetische verzorging en niet op medische diagnostiek.
Bij behandelingen zoals laserontharing en acnétherapie geldt daarom als uitgangspunt dat deze met btw zijn belast. Alleen wanneer uit een medische diagnose blijkt dat de behandeling een therapeutisch doel dient, kan in een individueel geval de vrijstelling worden toegepast. De medische onderbouwing moet bovendien zorgvuldig in de administratie worden bewaard.
De kennisgroep noemt als voorbeeld van een behandeling die wel onder de vrijstelling kan vallen permanente make-up voor een tepelreconstructie na een borstamputatie. In zo'n situatie ligt het therapeutische karakter van de behandeling voor de hand.
Daarnaast geldt nog een belangrijke voorwaarde. De behandeling moet worden verricht op een kwaliteitsniveau dat gelijkwaardig is aan dat van een vergelijkbare behandeling door een Wet BIG-beroepsbeoefenaar. Alleen wanneer ook aan deze eis is voldaan, kan de medische btw-vrijstelling worden toegepast.
Tip: Wilt u de medische btw-vrijstelling toepassen? Controleer dan vooraf of u aan de voorwaarden voldoet. Een medische diagnose alleen is niet altijd voldoende. Zorg ook voor een goede administratieve vastlegging en beoordeel of de behandeling voldoet aan het vereiste kwaliteitsniveau. Dat kan een naheffing van 21% btw, vermeerderd met belastingrente en eventuele boetes, voorkomen.
Een werkgever heeft in zijn arboplan opgenomen dat thuiswerken op een arboverantwoorde manier moet plaatsvinden. Iedere werknemer mag tot een bedrag van € 500 aan arbovoorzieningen voor thuis aanschaffen en declareren bij de werkgever. Is de vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing op de vergoeding?
Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst onlangs een standpunt gepubliceerd.
De werkgever is op grond van de Arbowet gehouden zorg te dragen voor arbovoorzieningen en de kosten voor zijn rekening te nemen. Als hoofdregel geldt daarom dat de vrijstelling niet kan worden toegepast als de werknemer een eigen bijdrage verschuldigd is.
De vrijstelling is van toepassing als de aangeschafte voorziening voldoet aan de arbowettelijke eisen en de vergoeding kostendekkend is. Als de vergoeding niet kostendekkend is, bijvoorbeeld omdat een deel van de kosten vanwege een overschrijding van het budget niet wordt uitbetaald, is de vrijstelling in beginsel niet van toepassing.
Dit is alleen anders als de werkgever aannemelijk kan maken dat de werknemer voor het gedeclareerde bedrag een goedkopere arbovoorziening met een vergelijkbare functionaliteit had kunnen kopen. In dat geval houdt de eigen bijdrage immers geen verband met de naleving van de arbowetgeving, maar ziet deze op het verschil tussen een voorziening die voldoet aan de specifieke richtlijnen voor plaatsonafhankelijke arbeid en een duurdere uitvoering hiervan. Het is dan enkel de persoonlijke keuze van de werknemer die ertoe leidt dat de gekozen arbovoorziening duurder is.
In een reeks van meerdere declaraties kan het zijn dat het totaalbedrag van de arbovoorzieningen meer bedraagt dan het budget dat door de werkgever ter beschikking is gesteld.
Voorbeeld
De werkgever stelt een bedrag van € 500 ter beschikking voor de aanschaf van arbovoorzieningen voor thuis. Een werknemer schaft aan: (1) een geschikte bureaustoel (€ 200), (2) een extra beeldscherm (€ 225) en (3) een noise-cancelling koptelefoon (€ 100) en declareert de kosten hiervan bij zijn werkgever.
Als de werkgever aannemelijk kan maken dat de werknemer met bijvoorbeeld € 75 een koptelefoon met een vergelijkbare functionaliteit had kunnen kopen, is voor die voorziening geen sprake van een eigen bijdrage.
Let op: Een werkgever kan zijn verplichtingen op grond van de Arbowet niet nakomen door enkel een budget voor arbovoorzieningen toe te kennen aan zijn werknemers. Als de Arbowet hem verplicht tot het nemen van aanvullende maatregelen, is hij gehouden alle kosten hiervan voor zijn rekening te nemen.
Veel DGA’s combineren ondernemerschap met een afbouwende carrière, bijvoorbeeld omdat zij richting pensioen gaan of minder uren in de onderneming werken. Toch blijft de wettelijke regeling voor het gebruikelijk loon van toepassing zolang werkzaamheden voor de eigen BV worden verricht. De rechter maakte onlangs weer duidelijk dat een lager loon goed moet worden onderbouwd.
Deze zaak betrof een directeur-grootaandeelhouder (DGA) van meerdere vennootschappen. Hij verrichtte werkzaamheden voor zijn BV’s, maar hij gaf slechts een beperkt inkomen aan. Hij stelde dat een gebruikelijk loon van € 12.000 op jaarbasis passend was, omdat hij inmiddels met pensioen was en nog maar ongeveer één dag per maand werkzaamheden verrichtte.
De Belastingdienst was het daar niet mee eens en corrigeerde het inkomen. Volgens de Belastingdienst moest het wettelijke gebruikelijk loon worden toegepast. Dat was destijds € 47.000 (in 2026 is het normbedrag € 58.000). De DGA moest aannemelijk maken dat een lager loon passend was.
De rechter stelde vast dat de DGA onvoldoende concrete informatie had verstrekt over zijn werkzaamheden. Zo was niet duidelijk welke activiteiten hij precies verrichtte voor de verschillende vennootschappen, hoeveel tijd daarmee gemoeid was en waarom een lager loon zakelijk verdedigbaar zou zijn. Dat hij op leeftijd was en mogelijk minder uren werkte, vond de rechter onvoldoende. Ook deeltijdwerk betekent niet automatisch dat het gebruikelijk loon evenredig lager mag worden vastgesteld.
De rechter gaf daarom de Belastingdienst gelijk. De correctie van het gebruikelijk loon bleef in stand. Hierdoor werd het belastbare inkomen van de DGA verhoogd met ongeveer € 35.000.
Tip: Wilt u als DGA een lager gebruikelijk loon toepassen? Dan is een goede onderbouwing cruciaal. Leg bijvoorbeeld vast welke werkzaamheden u nog verricht, hoeveel tijd hiermee gemoeid is, welke vergelijkbare functies op de arbeidsmarkt bestaan en waarom een lager loon zakelijk verantwoord is. Alleen verwijzen naar leeftijd, pensioen of een beperkte inzet is onvoldoende. We adviseren u hier graag bij.
Het kabinet past het concurrentiebeding aan. Het moet voor werknemers makkelijker worden om van baan te wisselen. Dit wordt nu te veel beperkt doordat te veel werknemers een concurrentiebeding hebben. Ook voor werkgevers is het daardoor moeilijker om personeel aan te trekken. Vandaar het Wetsvoorstel modernisering concurrentiebeding. Wat zijn de hoofdlijnen?
Een concurrentiebeding is een afspraak voor werknemers die geldt als zij vertrekken naar een volgende baan. Zo kan een werknemer na het einde van het contract niet gelijk bij de concurrent aan de slag. Ook een relatiebeding dat verbiedt om te werken voor of bij relaties van de voormalige werkgever valt hieronder. Het doel van deze afspraken is om te voorkomen dat werknemers cruciale informatie meenemen die het bedrijf kunnen schaden, zoals bedrijfsgeheimen of klantgegevens.
Uit onderzoek blijkt dat het gebruik van het concurrentiebeding is verdubbeld. Inmiddels heeft een derde van de werknemers ermee te maken. Vaak is hier geen reden voor, want veel van hen werken niet met bedrijfsgeheimen of klantgegevens. In die gevallen is het dus onterecht om een concurrentiebeding te gebruiken. Dit wordt vaak toch opgenomen door werkgevers om te voorkomen dat personeel naar de concurrent vertrekt. Dit belemmert de doorstroom op de arbeidsmarkt.
De voorgestelde wet scherpt de bestaande regels voor het concurrentiebeding aan:
Het streven is om het wetsvoorstel eind 2026 aan te bieden aan de Tweede Kamer.
Tip: Loop in de komende periode uw arbeidsovereenkomsten al vast na en breng de wijzigingen in kaart die het wetsvoorstel met zich meebrengt.
De man van een eigenares van een schoonheidssalon richt een holding en een werkmaatschappij op en neemt de schoonheidssalon, inmiddels failliet, over. Hij heeft in de BV slechts een adviserende en coachende rol. Maar hij correspondeert wel namens de BV met de Belastingdienst. De echtgenote ontvangt uit de BV een salaris van € 26.500. Kort na de overname wordt de man ernstig ziek. De Belastingdienst legt hem een aanslag op met een gebruikelijk loon van € 26.500. Hoe oordeelt de rechter?
Standpunt man
De man stelt dat hij vanwege medische redenen geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht voor de BV, zodat niet aan de vereisten voor gebruikelijk loon is voldaan. De werkzaamheden die hij wel heeft verricht, zijn geschied op arbeidstherapeutische basis. Verder betoogt hij dat van een lager gebruikelijk loon moet worden uitgegaan.
Overwegingen rechter
Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het van dat lichaam genoten loon (het gebruikelijke loon) ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:
Vaststaat dat de man een aanmerkelijk belang heeft in BV en dat de echtgenote de meestverdienende werknemer van de BV is met een jaarloon van € 26.500. Daarom heeft de Belastingdienst het gebruikelijk loon van de man gesteld op € 26.500.
De man betoogt dat hij geen arbeid heeft verricht voor de BV en dat daarom de gebruikelijkloonregeling geen toepassing vindt. Gelet op deze betwisting dient de Belastingdienst te bewijzen dat de man wel arbeid voor de BV heeft verricht. Dat is geslaagd: de man heeft namelijk met de Belastingdienst gecorrespondeerd over fiscale zaken en dus administratieve werkzaamheden verricht, hoe gering ook. Verklaringen van de huisarts en echtgenote over de gezondheidstoestand van de man doen er niet aan af dat hij deze werkzaamheden heeft verricht, zodat deze verklaringen het bewijs niet aantasten.
Vervolgens mag de man bewijzen dat ter zake van de meest vergelijkbare dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is. Met de enkele verwijzing naar de verklaringen van de huisarts en zijn echtgenote is de man niet in deze bewijslast geslaagd. Anders dan hij stelt, kan uit deze verklaringen bovendien niet worden afgeleid dat hij om medische redenen slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat is waarmee geen loon kan worden genoten.
Slotsom
Het gelijk is aan de Belastingdienst. De aanslag is terecht opgelegd.
Let op: De wettelijke regeling rond het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder bevat een bewijsvolgorde. Deze dient serieus te worden genomen, zo blijkt ook weer uit deze uitspraak.
Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor de transitievergoeding die ze betalen bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden van de werkgever.
Het vorige kabinet had al voorgesteld om de compensatie als gevolg van ontslag bij arbeidsongeschiktheid bij grotere werkgevers af te schaffen. In het coalitieakkoord van het huidige kabinet staat dat de compensatie voor alle werkgevers verdwijnt. Het kabinet kiest ervoor om de compensatieregelingen per 1 januari 2027 af te schaffen, ook voor kleine werkgevers.
Transitievergoeding
De hoogte van de transitievergoeding bij ontslag wordt bepaald op basis van twee onderdelen: het maandsalaris en de duur van het dienstverband. De vergoeding is per 1 januari 2026 maximaal € 102.000 bruto, of, als het jaarsalaris hoger is dan € 102.000, maximaal 1 bruto jaarsalaris.
Let op: In het coalitieakkoord is afgesproken dat ook de transitievergoeding zelf hervormd wordt. Deze moet mensen nog meer gaan helpen bij het begeleiden van werk naar werk. Zo wordt er gekeken of werkgevers die tijdig en voldoende hebben geïnvesteerd in bijscholing, omscholing of zich maximaal inzetten rondom de re-integratieverplichtingen uit de Wet poortwachter, lagere tot helemaal geen verplichtingen hebben ten aanzien van de nieuwe transitievergoeding. Hiervoor is echter nog geen voorstel gepubliceerd.
Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de procedure Massaal Bezwaar Plus. Deze procedure geldt voor iedereen die geen of te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het box 3-inkomen over 2017 tot en met 2020. Volgens de Hoge Raad hebben deze niet-bezwaarmakers geen recht op rechtsherstel box 3. Wat zijn hiervan de gevolgen?
Niet-bezwaarmakers mogen hun werkelijk rendement over 2017-2020 niet doorgeven
Mensen die geen of te laat bezwaar hebben gemaakt, hebben volgens de Hoge Raad geen recht op rechtsherstel. Zij mogen daarom het formulier Opgaaf werkelijk rendement voor 2017 tot en met 2020 niet invullen.
De uitspraak geldt ook voor:
Collectieve uitspraak op verzoeken om ambtshalve vermindering (2017-2020)
In vervolg op het arrest van de Hoge Raad heeft de Belastingdienst op 17 juli 2026 in een collectieve uitspraak alle lopende verzoeken afgewezen en alle lopende bezwaren ongegrond verklaard. Tegen de collectieve uitspraak kan geen beroep worden ingesteld.
Tip: Hebt u box 3-inkomen? Dan mag u voor de jaren 2021 tot en met 2024 wel het formulier Opgaaf werkelijk rendement invullen.
In de cao Rijk staan verblijfkostenvergoedingen die gelden voor ambtenaren op dienstreis. Maar een werkgever kan deze ook toepassen voor andere werknemers, als zij vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren als ambtenaren op dienstreis. De handreiking hierover is geactualiseerd en aangevuld met praktijkvoorbeelden. Hierna gaan we in op het onderdeel binnenlandse dienstreizen.
Een werkgever die niet gebonden is aan de cao Rijk, kan verblijfkostenvergoedingen onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde fiscale gevolgen toekennen aan eigen werknemers. De werkgever hoeft dan geen onderzoek te doen naar de werkelijke kosten. Wel moet de werkgever aannemelijk kunnen maken dat deze werknemers vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren als een ambtenaar op dienstreis.
Vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren houdt in dat de werknemer met dezelfde soort kosten wordt geconfronteerd als een ambtenaar op dienstreis. Dit is aannemelijk als wordt voldaan aan 2 voorwaarden. Er moet sprake zijn van:
Of aan deze 2 voorwaarden wordt voldaan, hangt af van de feiten en omstandigheden en staat ter beoordeling van de inspecteur.
Voorbeeld: Een bouwvakker werkt aan een project op een locatie binnen een andere gemeente. Een bouwvakker wordt in het algemeen met andere kosten geconfronteerd, omdat een bouwvakker zijn werkzaamheden onder andere omstandigheden verricht dan een ambtenaar op dienstreis. Een bouwvakker zal bijvoorbeeld op de bouwplaats zelf lunchen. De bouwvakker verkeert vanuit kostenoogpunt daarom niet in gelijke omstandigheden als een ambtenaar op dienstreis. Ook zou de vraag gesteld kunnen worden of sprake is van een dienstreis. Dit staat ter beoordeling van de inspecteur.
Verblijfkosten maken
Een werknemer verkeert vanuit kostenoogpunt niet in gelijke omstandigheden als hij (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt. Maakt de werknemer wel kosten, dan is het niet noodzakelijk dat deze gelijk zijn aan de (gericht vrijgestelde) vergoeding.
Voorbeeld: Een ambtenaar op dienstreis heeft recht op een vergoeding van € 7,35 voor kleine uitgaven overdag bij een dienstreis naar een andere gemeente van minimaal 4 uur. Hiervan is € 6,56 (bedrag 2026) gericht vrijgesteld. Een werkgever die niet gebonden is aan de cao Rijk, kan ook € 6,56 gericht vrijgesteld vergoeden onder deze voorwaarden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis. Hiervan is geen sprake als de werknemer tijdens de dienstreis daadwerkelijk (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt.
Toepassen cao Rijk
Verderop in deze handreiking leest u waarop een werkgever moet letten als deze de cao Rijk toepast voor een werknemer. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de werkgever aannemelijk kan maken dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis.
Voorwaarden in cao Rijk
Past een werkgever de verblijfkostenvergoedingen toe uit de cao Rijk, dan moet de werkgever dit doen volgens de voorwaarden van de cao Rijk. Een werknemer kan in aanmerking komen voor een verblijfkostenvergoeding voor een binnenlandse dienstreis als de dienstreis voldoet aan de volgende 2 voorwaarden:
In de cao Rijk vindt u meer informatie over de voorwaarden voor dienstreizen in het binnenland. In deze handreiking zijn deze niet allemaal genoemd. Past u de cao Rijk toe, dan moet u zich dus houden aan deze voorwaarden.
Onderdelen verblijfkostenvergoeding
Hieronder ziet u uit welke onderdelen de verblijfkostenvergoeding bestaat en welke aanvullende voorwaarden hiervoor gelden. Ook leest u wat de hoogte is van de vergoedingen vanaf 1 januari 2026 en tot welke bedragen deze gericht zijn vrijgesteld.
Kleine uitgaven overdag
Kleine uitgaven ’s avonds
Logies
Ontbijt
Lunch
Avondmaaltijd
Logies, ontbijt, lunch en avondmaaltijd
Voor logies, ontbijt, lunch en avondmaaltijd geldt als voorwaarde voor de vergoeding dat de werknemer kosten heeft gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid. Dit is een algemeen toegankelijke gelegenheid die logies en/of maaltijden en/of dranken ter consumptie aanbiedt. Voorbeelden hiervan zijn een café, restaurant of hotel.
Hoogte vergoedingen binnenlandse dienstreizen
De vergoedingen voor binnenlandse dienstreizen zijn tot bepaalde bedragen gericht vrijgesteld. In 2026 bedraagt de lunchvergoeding bijvoorbeeld € 22,19. Deze is gericht vrijgesteld tot € 12,97. De vergoeding boven € 12,97 kunt u tot het loon van de werknemer rekenen of als eindheffingsloon aanwijzen. Kiest u voor aanwijzen als eindheffingsloon, dan moet aan de gebruikelijkheidseis zijn voldaan. Dit bedrag valt dan onder de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte betaalt u 80% eindheffing.
Niet verplicht dezelfde vergoedingen betalen
Een werkgever die aansluit bij de cao Rijk, hoeft niet alle vergoedingen te betalen die de cao Rijk voorschrijft of in dezelfde mate. Zo kan een werkgever bijvoorbeeld een gericht vrijgestelde lunchvergoeding geven maar geen vergoeding voor kleine uitgaven overdag. Ook mag een werkgever bijvoorbeeld een gericht vrijgestelde lunchvergoeding geven van € 10.
Voorbeeld vergoeding binnenlandse dienstreis
Een werkgever bepaalt dat een werknemer recht heeft op een lunchvergoeding van € 15 voor iedere periode van 12.00 uur tot 14.00 uur die binnen een dienstreis valt. De dienstreis van de werknemer voldoet aan de voorwaarden. Ook heeft de werknemer verklaard dat hij daadwerkelijk lunchkosten heeft gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid.
Van de lunchvergoeding van € 15 kan de werkgever € 12,97 (2026) gericht vrijgesteld vergoeden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis. Het bedrag van € 2,03 dat overblijft, is loon voor de werknemer of kan de werkgever aanwijzen als eindheffingsloon. Er moet dan wel aan de gebruikelijkheidseis zijn voldaan.
Een onderneming die jaar na jaar verlies maakt, loopt niet alleen financieel risico, maar ook fiscaal. De rechter oordeelde onlangs dat een verlieslatende natuurgenezingspraktijk met een webshop geen bron van inkomen vormde. Daardoor vervielen belangrijke fiscale voordelen. Wat was er aan de hand?
De rechter oordeelde dat de ondernemer al sinds 2012 structureel verliezen leed en onvoldoende aannemelijk maakte dat zijn activiteiten in de toekomst winstgevend zouden worden. Hoewel hij investeerde in een webshop en wees op persoonlijke omstandigheden die de resultaten hadden beïnvloed, ontbraken een onderbouwd ondernemingsplan, marktonderzoek of een overtuigend verdienmodel. Ook speelde mee dat de webshop opnieuw moest worden ingericht na een optreden van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit vanwege ongeoorloofde gezondheidsclaims. Het hof concludeerde daarom dat geen sprake was van een objectieve winstverwachting. Zonder objectieve voordeelsverwachting is er fiscaal geen 'bron van inkomen' en dus ook geen onderneming voor de inkomstenbelasting.
Dat heeft verstrekkende gevolgen. Als geen sprake is van een bron van inkomen:
Wat kan dat financieel schelen?
In deze zaak ging het om een verlies van ruim € 3.100 dat niet aftrekbaar was. Bij een belastingtarief van ongeveer 37% betekent dat alleen al circa € 1.150 extra inkomstenbelasting. Daarbovenop vervallen – als aan de overige voorwaarden zou zijn voldaan – ook fiscale ondernemersfaciliteiten. Afhankelijk van de winst kan dat oplopen tot enkele duizenden euro's belastingvoordeel per jaar. Bij langdurig verlies kan de totale fiscale schade dus aanzienlijk zijn.
Tip: Maakt uw onderneming meerdere jaren achter elkaar verlies? Zorg dan dat u kunt aantonen waarom winst in de toekomst wél redelijkerwijs te verwachten is. Een actueel ondernemingsplan, marktonderzoek, investeringsplan en een realistische winstprognose kunnen daarbij het verschil maken. Zonder objectieve winstverwachting loopt u het risico dat de Belastingdienst uw activiteiten niet langer als onderneming aanmerkt en dat belangrijke fiscale voordelen vervallen.