Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170

  • Home
  • Diensten
    • Online boekhouding
    • Belastingaangiften
    • Salarisadministratie
    • Jaarrekeningen
    • Basisadministratie
    • Starterspakket MKB
    • Financiële rapportages
    • Werken bij jou op locatie
  • Abonnementen
    • Brons
    • Zilver
    • Goud
    • Platinum
  • Over ons
  • Nieuws
  • Contact
  • Jouw dashboard
Nieuws & Tips die Tijd & Geld opleveren
Geen aftrek eigen woningrente bij lening eigen BV

Geen aftrek eigen woningrente bij lening eigen BV

14 mrt.

Een DGA en zijn vrouw kopen een huis. Voor de aanschaf hebben ze een banklening met bouwdepot van € 1.500.000 afgesloten. Het is een annuïtaire lening met een looptijd van 30 jaar. Na enkele jaren sluit de DGA bij zijn BV een dertigjarige annuïtaire lening en lost daarmee een deel van de  banklening af. De Belastingdienst weigert aftrek van de rente op deze nieuwe lening.

Uitgangspunten bij de rechter
De rechter gaat er vanuit dat de nieuwe lening is aangegaan in verband met de eigen woning.

De belastbare inkomsten uit eigen woning bestaan uit de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten. Onder de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning vallen onder meer de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld. Bepalend voor het antwoord op de vraag of de DGA recht heeft op aftrek van de betaalde rente, is dus of de nieuwe lening als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt.

Volgens de Belastingdienst is, doordat een te lange looptijd is afgesproken - opnieuw dertig jaar, terwijl de eerste lening al enkele jaren liep - geen sprake van een eigenwoningschuld met recht op rente-aftrek.

De DGA stelt dat de nieuwe lening weliswaar is aangegaan voor een periode van 30 jaar, maar dat dat niet fataal is omdat de looptijd van de lening nog niets zegt over wat gedurende de looptijd daadwerkelijk zal gebeuren voor wat betreft de aflossingen. Er staat bij het aangaan van de lening immers nog niet vast hoe lang de daadwerkelijke looptijd zal zijn.

Eigenwoningschuld
Onder eigenwoningschuld wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige:

  • die zijn aangegaan in verband met een eigen woning;
  • ter zake waarvan een contractuele verplichting geldt tot het gedurende de looptijd ten minste annuïtair en in ten hoogste 360 maanden volledig aflossen;
  • ter zake waarvan aan de verplichting tot aflossing wordt voldaan (aflossingseis),
  • en ter zake waarvan, ingeval van een lening van een eigen BV, aan de verplichting tot informatieverstrekking wordt voldaan.

Als een schuld tijdens de looptijd voor hetzelfde of een lager bedrag wordt vervangen door een nieuwe schuld, geldt dat de looptijd van de nieuwe contractuele verplichting nog maximaal de resterende looptijd van de voorgaande schuld mag zijn.

Toepassing op de zaak
De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een eigenwoningschuld rust op belanghebbende.

De rechter is van oordeel dat de DGA voor de nieuwe lening niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een eigenwoningschuld. Deze lening is feitelijk een voortzetting van de lening banklening. In de overeenkomst bij de nieuwe lening is een looptijd opgenomen van 360 maanden, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de reeds verstreken looptijd van de banklening. Bij elkaar is de looptijd van de leningen dus langer dan 360 maanden. De DGA is bij de berekening van de annuïteit voor de nieuwe lening eveneens van een looptijd van 360 maanden uitgegaan, zonder daarbij rekening te houden met de reeds verstreken looptijd van de banklening.

De DGA voert nog aan dat de nieuwe lening inmiddels door verrekening met een dividenduitkering vanuit de BV volledig is afgelost en dat daardoor de maximale termijn van 360 maanden uiteindelijk niet is overschreden. Dit argument gaat niet op. Voor de vraag of sprake is van een eigenwoningschuld is namelijk de contractuele verplichting leidend. Op basis van de contractuele verplichting is geen sprake van eigenwoningschulden. Dat feitelijk eerder is afgelost, is hiervoor niet relevant.

Conclusie
De rechter stelt de Belastingdienst volledig in het gelijk.

Let op: Als u een bestaande dertigjarige en annuïtaire eigenwoninglening (deels) door een nieuwe vervangt, mag de totale looptijd van de leningen dus niet meer dan dertig jaar (360 maanden) zijn.  Is dat wel het geval dan hebt u geen recht op rente-aftrek over de nieuwe lening.

Belastingdienst corrigeert loon DGA

Belastingdienst corrigeert loon DGA

12 mrt.

Een BV met een DGA die 55% van de aandelen heeft, krijgt de Belastingdienst op bezoek voor een boekenonderzoek. Het jaarloon van de DGA was in de onderzochte jaren circa € 81.000. De Belastingdienst corrigeert dat naar ongeveer € 96.000 per jaar en legt naheffingsaanslagen op. De rechter komt eraan te pas.

Volgens de rechter heeft de Belastingdienst het loon van de DGA in beginsel terecht gecorrigeerd naar het loon van de meest verdienende werknemer van de BV. Eisen aan functie- en beloningsverhoudingen van die meest verdienende werknemer stelt de wet niet.

Het is vervolgens aan de BV om aannemelijk te maken dat die bedragen hoger zijn dan het loon uit een dienstbetrekking die het meest vergelijkbaar is met die van de DGA. In dat geval wordt het loon van de DGA gesteld op het loon uit die dienstbetrekking.

De BV stelt dat een algemeen directeur van een vergelijkbaar bedrijf als meest vergelijkbare dienstbetrekking moet worden beschouwd en een loon geniet tussen de € 5.500 en € 7.000 per maand. Volgens de BV past in dit geval geen hoger loon, gelet op de beperkte commerciële taken en de vooral op interne bedrijfsvoering gerichte werkzaamheden.

Volgens de rechter is de BV niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. De BV heeft te weinig concreet onderbouwd wat het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking zou zijn, mede in het licht van wat de DGA zelf heeft verklaard over zijn jarenlange werkervaring (van 30 jaar), het aantal werkuren (zo’n 60 uur per week) en de rol die hij vervult binnen het bedrijf (samen met een mede-aandeelhouder eindverantwoordelijk zijn, verantwoordelijk zijn voor het personeelsbeleid en alle andere personele zaken, het opstellen van de begroting en bewaken van de facturatie, het beheren van 25% van de klantenportefeuille en het onderhouden van contact met klanten en leveranciers, het controleren van de administratie en jaarwerkdossiers van klanten en het indienen van belastingaangiften).

De Belastingdienst stelt terecht dat de BV enkel op bruto maandlonen heeft gewezen, terwijl het voor de toepassing van de wettelijke fictief loonregeling om jaarloon gaat, waarvoor meer looncomponenten van belang zijn (zoals vakantiegeld of een ter beschikking gestelde auto).

Conclusie
De rechter stelt de Belastingdienst volledig in het gelijk.

Let op: In een zaak als deze over de fictief loonregeling gaat het vaak om de bewijslastverdeling. In dit geval is er in het bedrijf nu eenmaal een werknemer met een hoger loon dan de DGA. Dan ligt de bewijslast bij de DGA om aan te tonen dat die werknemer ook meer verdient dan iemand buiten het bedrijf met een vergelijkbare functie als de DGA.

Schenking aandelen: bijna vrijgestelde schenking of loon uit dienstbetrekking?

Schenking aandelen: bijna vrijgestelde schenking of loon uit dienstbetrekking?

8 mrt.

De enig aandeelhouder van een Holding-BV schenkt de aandelen aan de directeur van een werkmaatschappij van die BV. De aandelen zijn ongeveer € 7.800.000 waard. Volgens de Belastingdienst is sprake van loon uit dienstbetrekking. Dit wordt verwerkt in een aanslag inkomstenbelasting met een inkomen uit arbeid dat € 7.800.000 hoger is dan het aangegeven inkomen. De directeur wendt zich tot de rechter.  

Standpunt directeur
De directeur stelt dat sprake is geweest van een bijna helemaal vrijgestelde schenking van aandelen in het kader van een reële bedrijfsopvolging. Verder stelt hij dat het vereiste causale verband ontbreekt tussen het ‘voordeel’ en zijn dienstbetrekking, dat er geen bedoeling was om hem te bevoordelen wegens of te belonen voor zijn werkzaamheden en dat het ‘voordeel’ op basis van maatschappelijke opvattingen niet als beloning wordt ervaren. De schenking is volgens de directeur gedaan op grond van diverse andere motieven: zo heeft hij de aandelen verkregen omdat hij de meest geschikte bedrijfsopvolger was, heeft hij de aandelen gekregen onder de voorwaarde om deze ook weer (om niet) door te leveren aan zijn toekomstige opvolger(s) en zou anders de continuïteit van de onderneming in gevaar kunnen komen.

Standpunt Belastingdienst
Volgens de Belastingdienst is de schenking terecht als loon aangemerkt. Er is een causaal verband tussen het voordeel en de dienstbetrekking. De overheersende reden voor het verkrijgen van de aandelen ligt in de sfeer van de dienstbetrekking. De directeur had immers geen bijzondere, persoonlijke band met de schenker en kreeg de aandelen omdat hij in de uitoefening van zijn functie had bewezen een waardige opvolger te zijn van de schenker. Ook de door de directeur geschetste motieven voor de schenking wijzen er volgens de Belastingdienst op dat de aandelen zijn geschonken in het kader van de dienstbetrekking.

Uitgangspunten rechter
De rechter neemt de volgende uitgangspunten als richtsnoer bij zijn overwegingen.

Loon is al hetgeen uit een (vroegere) dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking. 

Het gaat in dit geval volgens de rechter niet om de vraag of er sprake is van een verstrekking ‘in het kader van de dienstbetrekking’, zoals de Belastingdienst aanvoert, maar om de vraag of de (waarde van de) aandelen loon uit dienstbetrekking vormen. Volgens de Belastingdienst heeft de directeur de aandelen immers niet gekregen om zijn dienstbetrekking naar behoren te kunnen uitoefenen, maar als gevolg van de dienstbetrekking zelf (en de vervulling daarvan).

Tot het loon behoort verder niet alleen wat de eigenlijke (formele) werkgever verstrekt, maar het kan onder omstandigheden ook omvatten wat uit hoofde van de dienstbetrekking wordt ontvangen van derden. De rechter merkt op dat hij hierbij het oog heeft op voordelen die worden genoten van een ander dan de werkgever. 

De bewijslast voor het bestaan en de omvang van een loonvoordeel rust op de Belastingdienst. Dat betekent dat de Belastingdienst aannemelijk moet maken dat de schenking een voordeel betreft dat  loon (al dan niet van derden) uit dienstbetrekking vormt.

Overwegingen rechter
De rechter stelt voorop dat de aandelen voorafgaand aan de schenking behoorden tot het privévermogen van de schenker en niet tot het vermogen van de werkgever van de directeur (noch van een andere, tot het concern behorende vennootschap). Gesteld noch gebleken is dat de schenker op de een of andere manier door de werkgever van de directeur of anderszins is gecompenseerd voor de verarming die bij hem is opgetreden als gevolg van de levering van de aandelen aan de directeur.

De Belastingdienst heeft tegen deze achtergrond geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de aandelen toch loon van de werkgever vormen, waarmee de werknemer (de directeur) als zodanig is bevoordeeld. De Belastingdienst heeft weliswaar gewezen op het causale verband tussen het verkregen voordeel en de dienstbetrekking, maar een dergelijk verband alleen betekent nog niet dat de werkgever dit voordeel aan de werknemer als zodanig heeft verstrekt.

De rechter leidt uit de getuigenverklaringen van de schenker af dat hij de aandelen uit eigen beweging, als natuurlijke persoon en aandeelhouder, en onder naar eigen wens en inzicht opgemaakte voorwaarden, heeft overgedragen aan de directeur. Het motief om de aandelen te schenken kwam voort uit de diepgewortelde wens van de schenker dat de onderneming zijn karakter en zelfstandigheid zou behouden. Hierbij speelde de zorg voor de toekomst van de onderneming een grote rol: de schenker wilde niet dat het concern ten prooi zou vallen aan grotere spelers in de markt, die naar zijn stellige overtuiging de winstgevende activiteiten eruit zouden lichten om het restant vervolgens dood te laten bloeden. De schenker heeft in dit verband bij herhaling gewezen op de meer dan honderdjarige historie van dit van oorsprong familiebedrijf.

Daarom acht de rechter het waarschijnlijker dat de schenker – die zowel bestuurder was als enig aandeelhouder van de houdstervennootschap – bij zijn beslissing om de aandelen te schenken vooral zijn aandeelhouderspet op had en niet zozeer zijn bestuurders-/werkgeverspet. Daarbij past in de ogen van de rechter dat de directeur de aandelen niet ongeclausuleerd heeft verkregen, maar die aandelen – onder dreiging van een ontbindende voorwaarde die de schenker kan inroepen – te zijner tijd moet doorgeven aan zijn opvolgers. In feite heeft de directeur dus niet de aandelen vrij in handen gekregen, maar alleen de volledige zeggenschap plus het recht op de winsten (dividenden) zo lang hij bestuurder blijft. Ontegenzeggelijk zou de directeur dit voordeel nooit hebben genoten als hij geen werknemer van het concern was geweest. De schenker zag eiser immers als zijn opvolger, omdat hij in de ogen van de schenker in zijn functie als directeur had bewezen dat hij uit het juiste hout was gesneden om de onderneming in al zijn facetten te leiden en te behouden op de wijze zoals de schenker dat wenste. Echter: niet alle voordelen die zonder de dienstbetrekking niet zouden zijn verkregen, vormen ook loon ‘uit’ die dienstbetrekking.

Zoals gezegd kan er ook sprake zijn van loon als het voordeel door een ander dan de werkgever is verstrekt. Er is dan alleen sprake van belast loon, als het voordeel is verstrekt in opdracht van en voor rekening van de werkgever. De Belastingdienst heeft geen feiten gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die erop wijzen dat de werkgever uiteindelijk de rekening heeft betaald, bijvoorbeeld door de schenker in privé te compenseren. De enkele wetenschap van de schenking bij de werkgever van de directeur doet aan het voorgaande niet af: die wetenschap maakt nog niet dat de werkgever ook de opdracht heeft gegeven en de rekening heeft betaald.

De rechter oordeelt ten slotte dat er ook geen sprake is van fooien en dergelijke prestaties van derden. Om daarvan te kunnen spreken, is namelijk vereist dat sprake is van prestaties die kunnen worden beschouwd als vergoeding, in ruime zin, voor hetgeen de werknemer als zodanig heeft verricht. De Belastingdienst heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is geweest en dat de aandelen dus de vergoeding zijn voor werkzaamheden die de directeur heeft verricht.

Partijen zijn het erover eens dat de directeur door de schenking is bevoordeeld. Dat de directeur in dienstbetrekking is bij het concern en geen nauwe, persoonlijke relatie met de schenker heeft, maakt op zichzelf niet dat daardoor de schenking een vergoeding vormt voor bepaalde prestaties die de directeur heeft verricht. Hoewel de directeur sinds geruime tijd bij het concern werkzaam is, is opgeklommen tot directeur en ten tijde van de schenking in die functie bij het concern werkzaam was  – en de rechter aannemelijk acht dat de schenker onder die omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat de directeur de meest geschikte bedrijfsopvolger is – heeft de Belastingdienst daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het overheersende motief voor de schenking de bedoeling is geweest om de directeur te bevoordelen voor diens prestaties.

Conclusie
De rechter leidt uit hetgeen partijen hebben aangevoerd, de notariële akte van levering en de feitelijke gang van zaken af dat de schenking in ieder geval voor een belangrijk deel is ingegeven met het oog op de continuïteit van de onderneming van het concern, vooral nu in de notariële akte een doorgeefverplichting is opgenomen. De getuigenverklaringen van de schenker vormen hier ook een bevestiging van.

Het beroep is gegrond. Daarom vermindert de rechter het inkomen waarop de aanslag inkomstenbelasting was gebaseerd met € 7.800.000 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.836. Verder moet de Belastingdienst het griffierecht vergoeden en krijgt de directeur een vergoeding van zijn proceskosten.

Let op: Dat de belastingheffing vanwege de bedrijfsopvolgingsregelingen zeer laag zou zijn als hier sprake was van een schenking, stond wel vast. Maar het was spannend of de rechter het standpunt van de Belastingdienst, dat sprake was van loon uit dienstbetrekking, zou volgen.

Studiekostenbeding ongeldig

Studiekostenbeding ongeldig

5 mrt.

Een doktersassistente in opleiding heeft een arbeidsovereenkomst voor een jaar. Ze sluit ook een studieovereenkomst met een 100% tegemoetkoming van haar studiekosten en een terugbetalingsregeling. Na negen maanden krijgt ze te horen dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd en dat ze de studiekostenvergoeding moet terugbetalen. Is dat laatste terecht?

Deze zaak gaat over de vraag of de werkgever bij het einde van het dienstverband terecht de ten behoeve van de assistente betaalde studiekosten heeft verrekend met het loon dat nog aan haar toekwam.

Volgens de assistente is de terugbetalingsverplichting uit de studiekostenovereenkomst nietig.

Partijen zijn het er over eens dat er geen wettelijk voorschrift bestaat dat het volgen van de opleiding tot doktersassistente verplicht stelt voor het kunnen uitoefenen van de functie. In die zin is de opleiding dus niet noodzakelijk.

Maar naar het oordeel van de rechter heeft het begrip “noodzakelijk” hier een ruimere strekking. Een werkgever die vindt dat de werknemer bijvoorbeeld het Engels beter moet beheersen om de functie te kunnen uitvoeren en dus scholing aanbiedt, moet dat kosteloos doen omdat deze werkgever die cursus kennelijk noodzakelijk vindt. Met andere woorden, scholing die in opdracht van de werkgever moet worden gevolgd is noodzakelijke scholing en dient dus kosteloos te zijn voor de werknemer.

De assistente stelt dat de werkgever de opleiding tot doktersassistente verplicht heeft gesteld. De werkgever is het daar niet mee eens. De rechter onderzoekt het en vindt het op basis van verklaringen en een brief aannemelijk dat de assistente gelijk heeft. In de ogen van de werkgever was de opleiding dus noodzakelijk voor het uitoefenen van de functie van doktersassistente. Dat de assistente wellicht zelf die opleiding ook graag wilde volgen, maakt dat niet anders.

Conclusie
De conclusie is dat het hier gaat om een opleiding die noodzakelijk is voor het verrichten van de functie. Dat betekent dat de werkgever die opleiding kosteloos moet aanbieden. Het studiekostenbeding is met die verplichting in strijd voor zover daarin kosten worden teruggevorderd en is dus nietig. Het door de assistente gevorderde bedrag ad € 2.010,95 netto zal daarom worden toegewezen.

Let op: Volgens de rechter is scholing die in opdracht van de werkgever wordt gevolgd noodzakelijke scholing. Deze dient kosteloos te zijn voor de werknemer.

Huurder heeft een woning in eigendom: zijn fiscale eigen woning?

Huurder heeft een woning in eigendom: zijn fiscale eigen woning?

28 feb.

Een particulier huurt een woning en staat op het adres van deze woning ingeschreven bij de gemeente. De particulier bezit een recreatiewoning op een park. Voor de inkomstenbelasting is dit volgens hem een eigen woning in box 1. De Belastingdienst bestrijdt dat en plaatst de woning in box 3. Hoe oordeelt de rechter?

Eigen woning
Volgens de wet is een eigen woning een (gedeelte van een) gebouw is dat aan de belastingplichtige of personen die tot zijn huishouden behoren, als hoofdverblijf ter beschikking staat. Het begrip hoofdverblijf is synoniem voor de centrale levensplaats. Waar deze centrale levensplaats gelegen is, moet naar de omstandigheden worden beoordeeld. Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de belastingplichtige bevindt. Waar een belastingplichtige staat ingeschreven kan daarvoor een aanwijzing zijn maar dat is niet van doorslaggevend belang.

Op de particulier rust de last aannemelijk te maken dat zijn recreatiewoning voor de inkomstenbelasting is aan te merken als eigen woning. Daarin is de particulier niet geslaagd.

Het is niet aannemelijk geworden dat het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de particulier zich in de recreatiewoning bevond. De rechtbank weegt daarin mee dat tegenover de stelling van de particulier dat hij zich in het jaar meestal bevindt in de recreatiewoning, de Belastingdienst er op heeft gewezen dat het merendeel van de uitgaven in het jaar zijn gedaan in en rondom de huurwoning, dat de woning wordt gehuurd om dicht bij de kinderen en kleinkinderen te kunnen zijn, en op het verschil in energieverbruik dat doorslaat naar de huurwoning. Voorts is van belang dat de Belastingdienst heeft gewezen op sociale activiteiten van de particulier bij de huurwoning en waarvan geen sprake lijkt te zijn bij de recreatiewoning.

Conclusie
Dit leidt tot het oordeel dat de Belastingdienst de recreatiewoning terecht niet als eigen woning heeft aangemerkt.

Let op: Het verschil in fiscale behandeling tussen een woning in box 3 en box 1 is groot. Daarom is het goed u te realiseren wanneer een woning fiscaal een eigen woning in box 1 is.

Kunt u de onbelaste verblijfkostenvergoedingen voor ambtenaren toepassen?

Kunt u de onbelaste verblijfkostenvergoedingen voor ambtenaren toepassen?

26 feb.

Ambtenaren die op dienstreis zijn, hebben op basis van de cao Rijk onder voorwaarden recht op verblijfkostenvergoedingen. Deze vergoedingen zijn tot bepaalde bedragen vrijgesteld. Een werkgever die niet gebonden is aan de cao Rijk kan deze vergoedingen onder dezelfde voorwaarden met dezelfde fiscale gevolgen toekennen aan zijn werknemers, mits deze werknemers vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren als ambtenaren op dienstreis. Hoe zit dat?

1 Dezelfde vergoeding betalen?
Moet een werkgever, om in aanmerking te komen voor dezelfde fiscale gevolgen, dezelfde vergoedingen betalen aan zijn werknemers zoals voorgeschreven in de cao Rijk?

Nee. Voor toepassing van dezelfde gericht vrijgestelde bedragen is immers niet vereist dat de werknemer vanuit vergoedingsoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis.

Voorbeeld 1
Een werknemer heeft recht op een lunchvergoeding van € 15 voor iedere periode van 12.00 uur tot 14.00 uur die binnen een dienstreis valt. De dienstreis duurt minimaal vier uur, de bestemming ligt in een andere gemeente en de werknemer heeft verklaard dat hij daadwerkelijk lunchkosten heeft gemaakt (in een gelegenheid die daarvoor is bedoeld). Een ambtenaar op dienstreis heeft onder die voorwaarden recht op een lunchvergoeding van € 22,19. Hiervan is € 12,97 (2026) gericht vrijgesteld. De betreffende werkgever kan dit bedrag (€ 12,97) gericht vrijgesteld vergoeden aan de werknemer, als hij aannemelijk maakt dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis.

Voorbeeld 2
Een werknemer heeft recht op een lunchvergoeding van € 10 voor iedere periode van 12.00 uur tot 14.00 uur die binnen een dienstreis valt. De dienstreis duurt minimaal vier uur, de bestemming ligt in een andere gemeente en de werknemer heeft verklaard dat hij daadwerkelijk lunchkosten heeft gemaakt (in een gelegenheid die daarvoor is bedoeld). De betreffende werkgever kan dit bedrag (€ 10) gericht vrijgesteld vergoeden aan de werknemer als hij aannemelijk maakt dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis.

2 Vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden?
Wanneer verkeert een werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden als een ambtenaar op dienstreis?

Vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren houdt in dat de werknemer met dezelfde soort kosten wordt geconfronteerd. Dit is aannemelijk als sprake is van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden. De aard van de functie is dus van belang (zie de functies binnen het functiegebouw van de Rijksoverheid). Ook moet sprake zijn van een dienstreis. In de cao Rijk wordt een dienstreis gedefinieerd als ‘een door de werkgever noodzakelijk geachte reis en verblijf in verband met het verrichten van werkzaamheden op een andere locatie dan de eigen werklocatie.’ Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, hangt af van de feiten en omstandigheden en staat ter beoordeling van de inspecteur.

Voorbeeld 3
Een bouwvakker is voor een periode van vier weken werkzaam aan een project op een locatie binnen een andere gemeente. Een bouwvakker wordt in zijn algemeenheid geconfronteerd met andere kosten, omdat hij zijn werkzaamheden onder andere omstandigheden verricht dan een ambtenaar. Hij zal bijvoorbeeld op de bouwplaats zelf lunchen. De bouwvakker verkeert ‘vanuit kostenoogpunt daarom dan niet in gelijke omstandigheden als een ambtenaar op dienstreis’. Bovendien zou in dit voorbeeld de vraag gesteld kunnen worden of überhaupt sprake is van een dienstreis. Dit staat ter beoordeling van de inspecteur.

3 Daadwerkelijk kosten maken?
Is een werknemer verplicht om tijdens een dienstreis daadwerkelijk kosten te maken om in aanmerking te komen voor dezelfde fiscale gevolgen als die gelden voor de cao Rijk?

Een werknemer verkeert vanuit kostenoogpunt niet in gelijke omstandigheden als hij (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt. Het is echter niet noodzakelijk dat de daadwerkelijk gemaakte kosten gelijk zijn aan de (gericht vrijgestelde) vergoeding.

Voorbeeld 4
Een werknemer heeft recht op een vergoeding van € 8 voor kleine uitgaven overdag in het geval van een dienstreis naar een andere gemeente van minimaal vier uur. Een ambtenaar op dienstreis heeft onder die voorwaarden recht op een vergoeding van € 7,35. Hiervan is € 6,56 (2026) gericht vrijgesteld. De werkgever kan dit bedrag (€ 6,56) gericht vrijgesteld vergoeden aan de werknemer als hij aannemelijk maakt dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis. Hiervan is geen sprake als de werknemer tijdens de dienstreis daadwerkelijk (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt.

4 Overzicht vergoedingen verblijfkosten binnenland
In paragraaf 10.2 van de CAO Rijk leest u meer over de vergoedingen voor verblijfskosten binnenland. Hieronder vindt u de bedragen die gelden vanaf 1 januari 2026.

  • Kleine uitgaven overdag: vergoeding € 7,35, waarvan vrijgesteld € 6,56
  • Kleine uitgaven ’s avonds: vergoeding € 21,92, waarvan vrijgesteld € 13,12
  • Logies: vergoeding € 164,52, waarvan vrijgesteld € 162,74
  • Ontbijt: vergoeding € 16,07, waarvan vrijgesteld € 16,07
  • Lunch: vergoeding € 22,19, waarvan vrijgesteld € 12,97
  • Avondmaaltijd: vergoeding € 33,57, waarvan vrijgesteld € 32,56

 

 

 

 

 

 

In paragraaf 10.3 van de CAO Rijk leest u meer over de vergoedingen voor dienstreizen naar het buitenland. Deze vergoedingen hebben betrekking op gemaakte kosten voor maaltijden, logies en kleine uitgaven tijdens de dienstreis. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de tijdelijke verblijfplaats. Deze verblijfskostenvergoedingen zijn gericht vrijgesteld.

Let op: Als u de kosten van een overnachting niet aannemelijk kunt maken, mag u een vergoeding van € 11,34 geven voor maximaal 4 overnachtingen per dienstreis. Deze vergoeding is niet gericht vrijgesteld. U kunt dit loon wel als eindheffingsloon aanwijzen.

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangenomen

Wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aangenomen

22 feb.

Het kabinet wil dat belastingplichtigen belasting gaan betalen over hun werkelijke inkomsten uit vermogen. Het wil op 1 januari 2028 een nieuw stelsel voor box 3 invoeren. Dat staat in het voorstel voor de Wet werkelijk rendement box 3. Op 12 februari jongstleden is dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer aangenomen. Maar er is ook een belangrijke motie aangenomen.

Wat voorstel voor nieuwe box 3-heffing betekent
Met het voorstel voor een nieuw stelsel voor box 3 wil het kabinet:

  • belasting heffen over de echte inkomsten uit vermogen (het werkelijke rendement)
    Bijvoorbeeld over ontvangen rente, dividend, huur en pacht.
  • belasting heffen over de toegenomen waarde van bijvoorbeeld aandelen en bezittingen
    Dat wordt een vermogensaanwasbelasting genoemd. Als aandelen of bezittingen in waarde dalen, dan kan een belastingplichtige dat compenseren met waardestijgingen in latere jaren.
  • de mogelijkheid bieden om kosten van inkomsten af te trekken
    Bijvoorbeeld:
    • kosten voor een spaarrekening, verschuldigde rente en transactiekosten.
    • advieskosten bij het kopen of verkopen van aandelen en obligaties.
    • onderhoudskosten voor een tweede huis, verhuurde woning, losse garagebox of opslagloods
  • een vermogenswinstbelasting over de waardeontwikkeling van onroerend goed
    Een belasting over de winst of verlies op:
    • een tweede woning, een verhuurde woning of een schuur of terrein.
    • op aandelen in een klein, nieuwe bedrijf (startups) en snelgroeiend nieuw bedrijf (scale-up).
      Een belastingplichtige betaalt deze belasting pas op het moment dat er winst of verlies wordt gemaakt. Bijvoorbeeld bij verkoop van aandelen of een tweede huis. Dit voorkomt dat al belasting betaald moet worden als de belastingplichtige het geld nog niet heeft.

Hoe werkelijk rendement wordt berekend
Het werkelijke rendement wordt berekend door de werkelijke inkomsten over bezittingen bij elkaar op te tellen en schulden en kosten daarvan af te trekken.

Eigen woning wordt niet belast in nieuwe box 3
De eigen woning waarin iemand woont, wordt niet belast in de nieuwe box 3 Het hoofdverblijf blijft belast in box 1. Huiseigenaren betalen belasting op basis van de waarde van hun woonhuis. Dit zogenoemde eigenwoningforfait is een percentage van de WOZ-waarde. Ze mogen kosten voor hun eigen woning hiervan aftrekken. Bijvoorbeeld de rente die ze betalen over hun hypotheek of lening  (de hypotheekrenteaftrek).

Ook de overwaarde op een eigen woning wordt niet belast in de nieuwe box 3. Wel als de overwaarde op de bank wordt gezet. Dan gaan belastingplichtigen over de rente daarop belasting betalen. De overwaarde zelf wordt niet belast.

Motie: wijziging uiterlijk per 1 januari 2029
Bij de behandeling van het wetsvoorstel is een motie aangenomen die vaststelt dat een meerderheid van de Kamer van mening is dat een vermogenswinstbelasting voor alle beleggingscategorieën wenselijk is en dat ook in het coalitieakkoord is afgesproken toe te bewegen naar een vermogenswinstbelasting.

De motie verzoekt het kabinet zo snel als mogelijk maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een nieuw box 3-stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting te presenteren. De vraag is nu dus wanneer de vermogensaanwasbelasting van tafel gaat.

Tip: Volg de stand van zaken van het wetsvoorstel voor het werkelijke rendement op de website van de Eerste Kamer.

Compensatie transitievergoeding voor kleine werkgevers

Compensatie transitievergoeding voor kleine werkgevers

19 feb.

Als u een werknemer na twee jaar ziekte of arbeidsongeschiktheid wilt ontslaan, betaalt u vaak een transitievergoeding. Vanaf 1 juli 2026 krijgen mogelijk alleen kleine werkgevers nog compensatie voor deze vergoeding. Grotere werkgevers kunnen na deze datum nog steeds compensatie aanvragen. Of zij die krijgen, hangt af van hun situatie.

Wanneer kleine werkgever?
De Belastingdienst bepaalt ieder jaar of een werkgever klein, middelgroot of groot is. In de brief over de gedifferentieerde premie Whk die u van de Belastingdienst ontvangt, staat in welke categorie u valt. Vanaf 1 juli 2026 gebruikt het UWV deze indeling van de Belastingdienst om te beoordelen of u een kleine werkgever bent.

Compensatie voor middelgrote en grote bedrijven
Middelgrote en grote bedrijven kunnen dan alleen nog compensatie bij langdurige arbeidsongeschiktheid krijgen als de twee jaar verplichte loondoorbetaling vóór 1 juli 2026 eindigt. Is dat voor u het geval? Dan mag u de compensatie ook nog na deze datum aanvragen. Als de 2 jaar verplichte loondoorbetaling op of na 1 juli 2026 eindigt, krijgt u geen compensatie.

Compensatie bij bedrijfsbeëindiging
De compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging geldt al alleen voor kleine werkgevers. Maar vanaf 1 juli 2026 gaat het UWV misschien anders beoordelen of u een kleine werkgever bent.

Heeft u voor 1 juli voor het eerst ontslag aangevraagd voor uw werknemer bij het UWV of bij de kantonrechter? Dan bent u een kleine werkgever als u in de tweede helft van het jaar voor uw ontslagaanvraag, gemiddeld maximaal 25 werknemers in dienst had.

Ligt de datum van de eerste ontslagaanvraag na 1 juli 2026? Dan gebruikt het UWV de indeling van de Belastingdienst om te beoordelen of u een kleine werkgever bent.

Let op: Het is nog niet zeker dat de nieuwe regels voor compensatie van de transitievergoeding op 1 juli aanstaande ingaan. De Tweede en Eerste Kamer moeten het wetsvoorstel nog behandelen en goedkeuren. Wanneer zij dat gaan doen, is niet bekend. De wet gaat pas definitief in na publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant.

BTW-belaste verhuur werkkamer en garage ondanks enig privégebruik

BTW-belaste verhuur werkkamer en garage ondanks enig privégebruik

14 feb.

Een echtpaar heeft een woning laten bouwen. De man is advocaat en heeft een eigen BV waarvoor hij regelmatig in zijn werkkamer thuis werkt. De garage wordt voor 79% zakelijk gebruikt. Het echtpaar verhuurt de werkkamer en de garage aan de BV voor € 8.400, exclusief BTW, per jaar. Het echtpaar heeft de volledige BTW op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de BTW op de bouwkosten van de garage in aftrek gebracht. De Belastingdienst heeft die aftrek, ruim € 30.000, geweigerd. Hoe oordeelt het Gerechtshof, nadat de rechtbank de Belastingdienst in het gelijk heeft gesteld?

Vormt de verhuur van de werkkamer en de garage een economische activiteit?
Met de rechtbank concludeert het hof dat het echtpaar optreedt in het economische verkeer en tegen een zakelijke en rechtstreekse, marktconforme vergoeding een dienst verleent aan de BV.

Bestaat een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de bouw van de werkkamer en de garage en de economische activiteit?
Er bestaat alleen recht op aftrek van de BTW in de bouwkosten wanneer vaststaat dat de uitgaven ten behoeve van belastbare economische activiteiten zijn gedaan.

Het echtpaar heeft weliswaar erkend dat de woning ook zonder de werkkamer zou zijn gebouwd, maar dit staat volgens het hof niet aan het vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband in de weg. Het echtpaar heeft van meet af aan de intentie gehad om een deel van de woning voor zakelijk gebruik te bestemmen en dit deel tegen vergoeding ter beschikking te stellen aan de BV. Dit is voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van BTW voor zover de woning voor belaste doeleinden zal worden gebruikt. Het echtpaar heeft consequent verklaard dat de keuken minder groot is uitgevallen omdat bij het ontwerpen van de woning rekening moest worden gehouden met de werkkamer en met de mogelijkheid om de garage (deels) zakelijk te gebruiken en ter beschikking te stellen aan de BV voor stalling van de auto van de zaak. Het echtpaar heeft de BTW ook slechts in aftrek gebracht voor zover deze toerekenbaar is aan de bouw van de te exploiteren delen.

Is de verhuur belast dan wel vrijgesteld?
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat een optie belaste verhuur mogelijk is. De wet maakt het mogelijk om te kiezen voor belaste verhuur indien de verhuur betreft onroerende zaken, andere dan gebouwen en gedeelten van gebouwen welke als woning worden gebruikt. De laatste bijzin heeft betrekking op zowel gehele gebouwen als op gedeelten daarvan. Dat brengt mee dat voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, gekozen kan worden voor belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt.

Het is in het algemeen niet goed voorstelbaar dat een onzelfstandige ruimte van een woning uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Denkbaar is dat de advocaat de werkkamer ook gebruikt om privécorrespondentie af te handelen, en de garage wordt sowieso gemengd gebruikt. Daaraan kan niet de conclusie worden verbonden dat een optie belaste verhuur van een werkkamer nooit mogelijk is. De werkkamer en garage zijn onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en vormen in feite één geheel. Nu dit geheel hoofdzakelijk door de BV wordt gebruikt en anders dan als woning, is het hof van oordeel dat een optie belaste verhuur mogelijk is. Het privégebruik zal ondergeschikt zijn aan het zakelijke gebruik.

Tot slot merkt het hof op dat bij afwisselend gebruik door verschillende gebruikers en bij gelijktijdig verschillend gebruik de vraag opkomt of voor de heffing van BTW wel sprake is van verhuur. Indien de prestatie geen verhuur is omdat de exclusiviteit ontbreekt, is sprake van een dienst die niet onder een vrijstelling valt en dus belast is. Ook als geen sprake zou zijn van verhuur is het gelijk aan het echtpaar.

Conclusie
Het gerechtshof stelt het echtpaar volledig in het gelijk. De Belastingdienst moet alsnog ruim € 30.000 BTW terugbetalen.

Let op: Interessant dat het Gerechtshof over deze situatie toch milder oordeelt dan de Belastingdienst en de rechtbank. Het echtpaar had de feiten met het oog op de BTW-aftrek dan ook vanaf het begin keurig op orde. En dat loonde dus.  

Bijtellingspercentages auto 2026

Bijtellingspercentages auto 2026

12 feb.

De regelgeving rond de bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak is door allerlei wijzigingen en overgangsmaatregelen een zoekplaatje geworden. Hieronder geven we u een actueel overzicht van de percentages van de bijtelling, percentages van de korting en de hoogte van de CAP. De CAP betekent dat u de korting tot maximaal dit bedrag berekent.

Algemeen bijtellingspercentage privégebruik auto

  • datum 1e toelating op of na 1 januari 2017: 22%
  • datum 1e toelating vóór 1 januari 2017: 25%
  • auto’s ouder dan 16 jaar: 35%

Auto’s zonder CO2-uitstoot, met datum 1e toelating op of na 1 januari 2017
Korting in 2025 op het algemeen bijtellingspercentage tot het bedrag van de CAP. Voor waterstof- en zonnecelauto's geldt de CAP niet: u berekent de korting over de hele grondslag.

  • datum 1e toelating 2026: CAP € 30.000, korting 4%
  • datum 1e toelating 2025: CAP € 30.000, korting 5%
  • datum 1e toelating 2024 en 2023: CAP € 30.000, korting 6%
  • datum 1e toelating 2022: CAP € 35.000, korting 6%
  • datum 1e toelating 2021, na afloop van de 60-maandentermijn: CAP € 30.000, korting 4%
  • datum 1e toelating 2021, binnen de 60-maandentermijn: CAP € 40.000, korting 10%
  • datum 1e toelating 2020, 2019, 2018 en 2017: CAP 30.000, korting 5%

Auto’s zonder CO2-uitstoot, met datum 1e toelating vóór 1 januari 2017
Korting in 2026 op het algemeen bijtellingspercentage tot het bedrag van de CAP, afhankelijk van de datum 1e tenaamstelling. Voor waterstof- en zonnecelauto's geldt de CAP niet: u berekent de korting over de hele grondslag.

  • datum 1e tenaamstelling 2026: CAP € 30.000, korting 4%
  • datum 1e tenaamstelling 2025: CAP € 30.000, korting 5%
  • datum 1e tenaamstelling 2024 en 2023: CAP € 30.000, korting 6%
  • datum 1e tenaamstelling 2022: CAP € 35.000, korting 6%
  • datum 1e tenaamstelling 2021, na afloop van de 60-maandentermijn: CAP € 30.000, korting 4%
  • datum 1e tenaamstelling 2021, binnen de 60-maandentermijn: CAP 40.000, korting 10%
  • datum 1e tenaamstelling vóór 2021: CAP 30.000, korting 4%

Eindheffing doorlopend afwisselend gebruik bestelauto
De eindheffing doorlopend afwisselend gebruik bestelauto bedraagt voor heel 2026 € 451. Dit bedrag mag u evenredig verdelen over de aangiftetijdvakken.

Let op: In 2026 zien we dus de volgende mogelijke bijtellingspercentages na korting: 12%, 15%, 16%, 17%, 18%, 19%, 20%, 21% en natuurlijk 22%, 25% en 35%.

Fiscale plannen coalitieakkoord

Fiscale plannen coalitieakkoord

8 feb.

Het coalitieakkoord is inmiddels gepresenteerd. Diverse thema’s hebben inmiddels in de pers aandacht gekregen. Zo blijft, om het eigen huis betaalbaar te houden en rust op de woningmarkt te bewaren, de fiscale behandeling van de eigen woning ongewijzigd. Wat staat er op fiscaal gebied nog meer in de plannen? 

Ondernemers
Het kabinet wil bedrijven ondersteunen in investeringen die passen bij onze economie van de toekomst, door uitbreiding van de WBSO voor ontwikkeling van AI en technologie en behoud van de Innovatiebox. De EIA, MIA en VAMIL worden waar mogelijk samengevoegd tot één robuuste investeringsregeling.

Het kabinet wil zoveel mogelijk een gelijk speelveld in Europa, daarom wordt de vennootschapsbelasting niet verhoogd.

Er komt een vrijheidsbijdrage voor bedrijven, die is ingevuld als taakstellende verhoging van de aof-premie (met dezelfde verhouding tussen het lage en hoge tarief). Over de invulling zal overleg plaatsvinden met ondernemersorganisaties, mede in het licht van het vestigingsklimaat. De vrijheidsbijdrage voor bedrijven bedraagt 1,5 miljard in 2027 en vanaf 2028 structureel 1,7 miljard euro. 

Met het oog op een gelijk speelveld wil het kabinet vaak ter discussie gestelde regelingen behouden die belangrijk zijn voor bedrijven. Denk aan de expatregeling, innovatiebox, bedrijfsopvolgingsregeling, verliesverrekening, de deelnemingsvrijstelling en WBSO. Fiscale regelingen voor ondernemers, zoals de WBSO en Werkkostenregeling, worden minder complex gemaakt en administratieve lasten worden verminderd. Voor DGA’s moet de belastingdruk in evenwicht zijn.

Het kabinet pakt schijnzelfstandigheid aan door de conceptwet Vbar die hierover gaat te splitsen en een rechtsvermoeden van werknemerschap in te voeren. Het overgebleven deel van de Vbar wordt zo snel mogelijk vervangen door de Zelfstandigenwet. Dat gebeurt gefaseerd om rekening te houden met Europese verplichtingen. Het kabinet begint met het invoeren van het rechtsvermoeden van werknemerschap uit de Vbar (het verduidelijkingsdeel wordt dus geschrapt), samen met de sectorale rechtsvermoedens en toetsingscommissie uit de Zelfstandigenwet. Daarna dient het kabinet zo snel mogelijk de rest van de Zelfstandigenwet in.

Het kabinet zet de behandeling van de wet Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen (BAZ) voort met de mogelijkheid om privaat te verzekeren (opt out), zoals afgesproken in het pensioenakkoord.

Familiebedrijven zijn van groot belang voor onze economie, daarom versobert het kabinet de bedrijfsopvolgingsregeling en doorschuifregeling niet. 

Het verlaagde btw-tarief voor de levering van sierteeltproducten wordt met ingang van het jaar 2028 afgeschaft. Hierdoor gaat het btw-tarief van 9% voor sierteeltproducten naar het algemene btw-tarief van 21%.

Particulieren
Het kabinet wil stimuleren dat mensen hun spaargeld meer beleggen in de Nederlandse economie. Er komt een EU-beleggingsrekening en er komt mogelijk een zogenaamde win-winlening.

Daarnaast stimuleert het kabinet lange termijn beleggingen door het nieuwe Box 3 stelsel op werkelijk rendement door te ontwikkelen naar een vermogenswinstsystematiek.

Het kabinet gaat in 2033 over naar een 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting. Momenteel is de AOW-leeftijd voor twee-derde gekoppeld aan de levensverwachting. Door deze maatregel stijgt de AOW-leeftijd weer 100 procent mee met de verdere levensverwachting. De hoogte van de AOW-uitkering blijft ongewijzigd en groeit mee met de welvaartsontwikkeling. Uiteraard is daarbij oog voor de mensen met een zwaar beroep die niet in staat zijn om langer door te werken.

Het maximum pensioengevend loon wordt per 2027 voor een periode van zes jaar niet geïndexeerd. Hierdoor blijft het maximum tot en met 2032 bevroren op € 137.800. Dit is het niveau van 2026. Dit betekent dat de subsidiering van de pensioenopbouw van de hoogste inkomens beperkt wordt.

Het tarief in de overdrachtsbelasting voor de koop van woningen waar de koper niet zelf in gaat wonen (zoals een woning voor verhuur of vakantiewoning) wordt per 2027 verlaagd van 8% naar 7%.

Van burgers wordt een bijdrage gevraagd voor onze veiligheid. Deze vrijheidsbijdrage wordt gevraagd via de tabelcorrectiefactor die beperkt toegepast wordt in de inkomstenbelasting in 2027 en 2028. De vrijheidsbijdrage voor burgers bedraagt 1,5 miljard euro in 2027 en vanaf 2028 structureel 3,4 miljard euro.

De aftrek specifieke zorgkosten en de tegemoetkoming specifieke zorgkosten worden per 2028 volledig afgeschaft.

Let op: Het valt op dat de nieuwe defensieheffing, de vrijheidsbijdrage, in het coalitieakkoord wordt omringd door technische heffingsmechanismen die de gemiddelde ondernemer of burger weinig zeggen.

Vergoeding branche-eigen producten van de werkgever

Vergoeding branche-eigen producten van de werkgever

5 feb.

Stel, een werkgever geeft een vergoeding van 20% van de aankoopprijs aan een werknemer als deze een product aanschaft dat de werkgever heeft geproduceerd. De werknemer kan dit product kopen in een fysieke winkel of een webshop. Deze fysieke en online winkels zijn alleen toegankelijk voor werknemers, oud-werknemers en werknemers van partnerbedrijven van de werkgever. Een kennisgroep van de Belastingdienst heeft een standpunt bepaald over de vraag of de vergoeding is vrijgesteld.

Van belang is nog dat in deze situatie de winkels uitsluitend producten verkopen die door (het bedrijf van) de werkgever worden geproduceerd. De werkgever heeft geen direct of indirect aandelenbelang in de winkels. De winkels kopen de producten in bij de werkgever en verkopen deze voor eigen rekening en risico. Als een werknemer een product aanschaft bij een (online) winkel ontvangt hij een vergoeding ter hoogte van 20% van de aankoopprijs van het product na het indienen van de factuur bij de werkgever.

Vraag
Is de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten van het bedrijf van de werkgever van toepassing als de werknemer deze producten heeft aangeschaft bij een derde?

Antwoord kennisgroep
Nee, het betreft een product van een derde en niet van het bedrijf van de werkgever of van een met de werkgever verbonden vennootschap. De gerichte vrijstelling is daarom niet van toepassing.

Beschouwing
De wet kent een gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten. Volgens dit artikel is de gerichte vrijstelling van toepassing op vergoedingen en verstrekkingen voor “branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige of van het bedrijf van een met de inhoudingsplichtige verbonden vennootschap, tot een bedrag van ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer van deze producten, maar niet meer dan € 500 per werknemer per kalenderjaar;”

Korting winkels
De gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten is ook van toepassing als een werkgever korting geeft op producten die de werkgever verkoopt, maar niet zelf produceert.

Is de gerichte vijstelling hier van toepassing?
In de huidige wet is niet expliciet opgenomen dat bij een vergoeding sprake moet zijn van aanschaf bij de werkgever of een met de werkgever verbonden vennootschap. Uit de wetsgeschiedenis blijkt echter dat het de bedoeling van de wetgever is geweest de oude vrijstelling voor branche-eigen producten onder de werkkostenregeling te continueren. De oude vrijstelling was niet van toepassing voor bij derden aangeschafte branche-eigen producten. Dit was alleen anders als de producten via een derde verkocht worden in opdracht van en voor rekening en risico van de werkgever. Dat is hier niet aan de orde.

Bovendien geldt volgens de wettekst dat het moet gaan om een product van het bedrijf van de werkgever. De (online) winkels kunnen niet worden aangemerkt als een bedrijf van de werkgever, aangezien de werkgever geen direct of indirect aandelenbelang in de (online) winkels heeft.

Let op: Het standpunt van de kennisgroep van de Belastingdienst is een uitleg van de wetstekst. Daar kan elke belastingplichtige met evenveel gezag anders over denken. Duidelijk is in ieder geval wat de Belastingdienst er van vindt. In een concreet geval is het laatste woord aan de (hoogste) rechter.

Belastingontwijking box 3: antwoorden op Kamervragen

Belastingontwijking box 3: antwoorden op Kamervragen

31 jan.

Onlangs zijn in de landelijke pers enkele scenario’s naar voren gebracht om belasting in box 3 te ontwijken. Ongeruste Kamerleden hebben hierover vragen gesteld aan de Staatssecretaris van Financiën, die inmiddels zijn beantwoord. We bespreken de scenario’s en de reactie daarop.

Vraag en antwoord bij scenario 1: rentebetaling naar voren halen
Vraag: Klopt het dat een belastingplichtige met veel spaargeld een deel van de box 3-heffing in het overbruggingsstelsel (tot de invoering van de het stelstel op basis van werkelijk rendement) kan ontwijken door rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te laten betalen en in jaren waarin weinig rente wordt uitgekeerd gebruik te maken van de tegenbewijsregeling?

Antwoord: Bij sommige banken is het mogelijk om via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren.

Vraag en antwoord bij scenario 2a: verkoop toekomstige huurtermijnen
Vraag: Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv?

Antwoord: De suggestie is dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn.

Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement toch over de looptijd van de overgedragen huurtermijnen wordt verdeeld.

Een overdracht van huurtermijnen leidt bij de verhuurder tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen. De verlaging van de grondslag van de box 3-heffing wordt veroorzaakt doordat de overdracht van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend 'genotsrecht', hetzij als met de bezitting samenhangende schuld, hetzij als reguliere schuld.

In het jaar van overdracht staat tegenover deze verlaging van de grondslag een dienovereenkomstige verhoging in de vorm van de koopsom voor de toekomstige huurtermijnen.

Elk jaar dat de huurovereenkomst voortduurt, daalt de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen, omdat er minder overgedragen huurtermijnen over zijn. Dat leidt jaarlijks tot een stijging van de grondslag van de box 3-heffing bij de verhuurder. Daarom werkt deze ontwijkingsroute niet.  

Vraag en antwoord bij scenario 2b: vooruitbetaling van huur
Vraag: Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen? 

Antwoord: Een verhuurder kan aan zijn huurder vragen om de huur vooruit te betalen met als doel om zo min mogelijk huurinkomsten te laten vallen in een belastingjaar waarin de verhuurder van plan is om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling.

Huurders hebben hier in principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Verder is van belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box 3, maar in box 1 worden belast.

Bij een vooruitbetaling van de huur voor een langere periode dan een jaar is de nihilwaardering van het genotsrecht van de huurder die voor de meeste huurovereenkomsten geldt, niet meer van toepassing en moet de huurder een bezitting in de vorm van een genotsrecht opgeven in box 3. De verhuurder heeft in dat geval in het jaar van de vooruitbetaling niet alleen een regulier voordeel (de vooruitbetaalde huur), maar ook een negatieve vermogensaanwas als gevolg van een waardedaling van zijn vermogen. De waarde van het vermogen van de verhuurder neemt vervolgens gedurende de looptijd van de vooruitbetaling steeds toe. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.

Toch aanpassing overgangsrecht
Vraag: Klopt het dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt zijn reguliere inkomsten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel voor box 3 (onder de Wet werkelijk rendement) kan minimaliseren door toekomstige huurtermijnen te verkopen of huur vooruit te laten betalen, waardoor het voordeel wordt genoten onder het overbruggingsstelsel en dus over het forfaitair rendement belasting kan worden betaald in plaats van over het werkelijk rendement? Ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan? 

Antwoord: Er is overgangsrecht opgenomen in het toekomstige stelsel voor box 3 (Wet werkelijk rendement box 3) dat aan de ene kant als doel heeft om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en aan de andere kant moet voorkomen dat er een dubbele heffing plaatsvindt. In het kader van de berichtgeving en deze Kamervragen is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is. Het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten wordt in aanmerking genomen bij het bepalen van de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028.

Let op: De wijzigingen van de regelgeving rond box 3 zullen de gemoederen nog geruime tijd bezig houden. We houden u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen.

Belastingrente vennootschapsbelasting terecht hoger dan voor andere belastingen?

Belastingrente vennootschapsbelasting terecht hoger dan voor andere belastingen?

29 jan.

In 2022 en 2023 was de belastingrente over te betalen vennootschapsbelasting 8%. Bij andere belastingen was de rente 4%. Hiertegen heeft een onderneming zich verzet. De rechtbank heeft het bedrijf in het gelijk gesteld en de rente gecorrigeerd naar 4%. Het Ministerie van Financiën heeft de zaak vervolgens aan de Hoge Raad voorgelegd, die onlangs uitspraak heeft gedaan.

De Hoge Raad onderzoekt of het percentage van de belastingrente terecht alleen bij belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting is verhoogd tot acht.

De Hoge Raad overweegt in de eerste plaats dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en belastingplichtigen voor andere belastingen met het oog op de berekening van belastingrente zijn te beschouwen als gelijke gevallen.

Kort gezegd veegt de Hoge Raad vervolgens de vloer aan met alle argumenten die het Ministerie aanvoert voor deze selectieve verhoging. De Hoge Raad heeft geen gronden kunnen vinden die het hogere belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting zouden kunnen rechtvaardigen.

Voor de selectieve renteverhoging voor vennootschapsbelastingplichtigen ontbreken dus redelijke rechtvaardigingsgronden. Er is een lastenverzwaring doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van de belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen zijn gelegd. Dat in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en bovendien met het gelijkheidsbeginsel. De regeling is daarom onverbindend en moet als gevolg daarvan buiten toepassing blijven. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de belastingrente in dit geval moet worden berekend op basis van een percentage van 4.

De Hoge Raad geeft, gezien de vele procedures die over deze kwestie lopen, ook nog aan dat het voor de vennootschapsbelasting geldende percentage van de belastingrente moet worden bepaald op het percentage dat ook geldt voor andere belastingen.

Let op: De uitspraak heeft verstrekkende gevolgen. Ook na 2023 was de belastingrente voor vennootschapsbelasting hoger vastgesteld dan voor andere belastingen. De landelijke pers spreekt over een bedrag van 1,3 miljard euro dat ondernemers teveel hebben betaald door deze onrechtmatige regelgeving.

Opgaaf uitbetaalde bedragen aan derden aanleveren vóór 1 februari 2026

Opgaaf uitbetaalde bedragen aan derden aanleveren vóór 1 februari 2026

25 jan.

Hebt u in 2025 bedragen aan iemand betaald die niet als ondernemer bij u werkt en ook niet bij u in (fictieve) dienstbetrekking is? Dan moet u de gegevens over deze uitbetaalde bedragen aan derden (UBD) vóór 1 februari 2026 aanleveren aan de Belastingdienst.

De Belastingdienst maakt onderscheid tussen 2 verschillende soorten uitbetalers:

  • inhoudingsplichtige uitbetalers
  • niet-inhoudingsplichtige uitbetalers

Inhoudingsplichtige uitbetaler
U bent een inhoudingsplichtige uitbetaler als u een loonheffingennummer hebt en aangifte loonheffingen moet doen.

Verplicht gegevens aanleveren
Bent u een inhoudingsplichtige uitbetaler, dan bent u verplicht om gegevens over uitbetaalde bedragen aan derden te registreren. De gegevens rond de uitbetaling in 2025 moet u vóór 1 februari 2026 aanleveren. Inhoudingsplichtige uitbetalers die bij de Belastingdienst bekend zijn vanwege eerdere UBD-aanleveringen, ontvangen hiervoor een uitnodiging. Maar ook zonder uitnodiging bent u als inhoudingsplichtige uitbetaler verplicht om deze gegevens aan te leveren.

Welke gegevens aanleveren?
U moet de volgende gegevens aanleveren:

  • het bedrag dat u hebt uitbetaald (of de waarde in het economische verkeer van de beloning in natura)
  • de datum waarop u hebt uitbetaald

En van de persoon aan wie u hebt uitbetaald:

  • burgerservicenummer (bsn).
  • naam
  • adres
  • geboortedatum

Hebt u die laatste 4 gegevens nog niet? Vraag deze dan alsnog op.

Niet-inhoudingsplichtige uitbetaler
U bent een niet-inhoudingsplichtige uitbetaler als u geen loonheffingennummer hebt.

Alleen met uitnodiging gegevens aanleveren
Bent u een niet-inhoudingsplichtige uitbetaler, dan hoeft u alleen de gegevens over uitbetaalde bedragen aan derden te registreren en aan te leveren als u een uitnodiging van de Belastingdienst hebt ontvangen.

Geen burgerservicenummer
U levert dezelfde gegevens aan als de inhoudingplichtige uitbetaler met uitzondering van het bsn van personen aan wie u bedragen hebt uitbetaald.

Let op: In tegenstelling tot de inhoudingsplichtige uitbetaler mag u als niet-inhoudingsplichtige uitbetaler het bsn van personen aan wie u bedragen hebt uitbetaald niet vastleggen. U mag het bsn dus ook niet aanleveren.

Neem nu contact met ons op en ontvang als nieuwe cliënt vier uur gratis business coaching

ter waarde van 1.000 euro

Klik hier en claim direct jouw sessies

Over NEW Financials

Wij ondernemen samen met jou als ondernemer. Doordat wij zorgdragen voor jouw financiële, fiscale en HR zaken, kun jij je richten op de dingen waar je goed in bent en die geld opleveren.

Waarom wij?

  • Innovatief - Flexibel - Informeel
  • Persoonlijke en betrokken aanpak
  • Zeer scherpe, transparante prijs
  • Effectieve coaching en mentoring
  • Wij begrijpen jou als ondernemer

Contactinformatie

NEW Financials
Gerrit van der Veenstraat 112-HS
1077 EN Amsterdam
tel: 020 442 1170

info@newfinancials.nl

New Financials © 2016

  • Disclaimer
  • Cookie statement
  • Sitemap
  • Algemene voorwaarden
Site by eResults
  • Home
  • Diensten
    • Online boekhouding
    • Belastingaangiften
    • Salarisadministratie
    • Jaarrekeningen
    • Basisadministratie
    • Starterspakket MKB
    • Financiële rapportages
    • Werken bij jou op locatie
  • Abonnementen
    • Brons
    • Zilver
    • Goud
    • Platinum
  • Over ons
  • Nieuws
  • Contact
  • Jouw dashboard