Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Het kabinet wil de nieuwe box 3-heffing vanaf 2028 zo veel mogelijk baseren op gerealiseerde vermogenswinsten. Daarmee wordt belastingheffing over waardestijgingen in veel gevallen uitgesteld tot het moment van verkoop. Voor aandelen, obligaties en vastgoed betekent dit een belangrijke wijziging ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel. Maar waarom vallen beleggingen in crypto en andere vermogensbestanddelen voorlopig buiten deze regeling?
Een vermogenswinstbelasting vanaf 2028
Met een zogenaamde novelle op de Wet werkelijk rendement box 3 wil het kabinet de vermogenswinstbelasting uitbreiden naar vrijwel alle financiële instrumenten. Het oorspronkelijke wetsvoorstel ging voor de meeste bezittingen nog uit van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij worden waardestijgingen jaarlijks belast, ook als de belegger niets heeft verkocht.
Bij een vermogenswinstbelasting wordt de waardestijging daarentegen in beginsel pas belast bij verkoop of een andere vorm van realisatie. Reguliere inkomsten, zoals rente en dividend, blijven jaarlijks belast. De regeling moet het nieuwe box 3-stelsel beter laten aansluiten bij het moment waarop beleggers daadwerkelijk over opbrengsten beschikken.
De uitbreiding geldt onder meer voor aandelen, obligaties, opties en andere financiële instrumenten. Voor onroerende zaken was in het oorspronkelijke wetsvoorstel al een vermogenswinstbelasting opgenomen.
Crypto en andere bezittingen: voorlopig een uitzondering
Niet alle vermogensbestanddelen kunnen volgens het kabinet al in 2028 onder de vermogenswinstbelasting worden gebracht. Voor directe cryptobeleggingen, edelmetaal, banktegoeden, bepaalde vorderingen en schulden, verzekeringsproducten, lijfrentes en vreemde valuta blijft daarom voorlopig de vermogensaanwasbelasting gelden. Roerende zaken die als belegging worden aangehouden, vallen in deze restcategorie.
Dat betekent dat waardestijgingen van bijvoorbeeld rechtstreeks aangehouden cryptomunten in beginsel jaarlijks in de belastingheffing kunnen worden betrokken, zonder dat verkoop heeft plaatsgevonden. Het kabinet verwacht de resterende categorieën vanaf 2030 ook onder de vermogenswinstbelasting te kunnen brengen.
En hoe zit het met edelmetalen?
De toelichting noemt edelmetalen niet afzonderlijk. Fysiek goud en zilver zullen daarom niet zonder meer hetzelfde worden behandeld als beursgenoteerde financiële instrumenten. De precieze fiscale behandeling hangt af van de kwalificatie van het bezit. Een belegging in fysiek goud kan bijvoorbeeld onder de overige roerende zaken ter belegging vallen. Een financieel instrument dat de waarde van goud volgt, kan anders worden behandeld.
De rekening wordt mede elders gelegd
De uitbreiding van de vermogenswinstbelasting gaat gepaard met maatregelen om de budgettaire gevolgen op te vangen. Zo stelt het kabinet voor het heffingsvrije vermogen in het huidige box 3-stelsel per 2027 te verlagen naar € 30.846. Vanaf 2028 wordt het heffingsvrije resultaat in het nieuwe stelsel verlaagd van € 1.800 naar € 1.000. Ook wordt voorgesteld het forfait voor overige bezittingen in 2027 met 1,5 procentpunt te verhogen tot 7,87%.
In het Belastingplan 2027 is opgenomen dat het hoge box 2-tarief tijdelijk daalt van 31% naar 29,2% in de periode 2027 tot en met 2030. Doel is om DGA te verleiden om dividend uit te keren. Daarnaast is voorgesteld de grens voor excessief lenen vanaf 2027 in vijf jaarlijkse stappen van € 80.000 stapsgewijs te verlagen van € 500.000 naar € 100.000.
De novelle is op 2 oktober 2026 voor advies naar de Raad van State gestuurd. Het gaat dus nog om een wetsvoorstel: de voorgestelde wijzigingen zijn nog niet definitief.
Tip: Beoordeel beleggingen niet alleen op basis van hun economische waarde, maar ook op hun juridische vorm. Een beursgenoteerd goudproduct en fysiek goud kunnen fiscaal verschillend worden behandeld. Houd er bovendien rekening mee dat de voorgestelde verlaging van het heffingsvrije vermogen al betrekking heeft op 2027. Het is zeer de vraag of de voorstellen ongeschonden door de Eerste Kamer komen.
Stel, u besluit in september met terugwerkende kracht vanaf 1 april een vaste kostenvergoeding van € 50 per maand toe te kennen aan uw werknemers. Deze vergoeding tot en met december gaat u in december uitbetalen. Maar eerst laat u een kostenonderzoek uitvoeren (van september tot en met november). En stel dat de hoogte van de vergoeding fiscaal aannemelijk is. Kunt u de nabetaalde kostenvergoeding gericht vrijgesteld toekennen?
Volgens een kennisgroep van de Belastingdienst is dat niet het geval. Een vaste vergoeding is immers pas onbelast als aan de hand van een kostenonderzoek aannemelijk is gemaakt dat aan de voorwaarden van de gerichte vrijstellingen is voldaan.
Waarom?
De vergoeding voor de periode van 1 april tot 1 december kan niet als een vaste vergoeding in de zin van de wet worden aangemerkt. Het betreft immers geen vooraf bepaald bedrag dat is bedoeld om toekomstige kosten af te dekken; de kosten zijn immers al gemaakt. Een onderzoek naar de werkelijke kosten vóór het genietingsmoment van de vergoeding is niet voldoende; het moet gaan om een onderzoek naar de werkelijke kosten vóór het moment waarop de werknemer kosten maakt die met de vaste vergoeding worden gedekt.
Wat kan wel?
De werkgever kan wel in december een gericht vrijgestelde vergoeding betalen voor de daadwerkelijke kosten die de werknemer heeft gemaakt in de periode van 1 april tot 1 december. Hiervoor moet de werkgever aannemelijk maken dat de werknemer kosten heeft gemaakt tot het bedrag van de vergoeding. De beoordeling van de gerichte vrijstelling op declaratiebasis vindt in beginsel plaats per kalenderjaar.
De werkgever kan het bewijs leveren dat de werknemer kosten heeft gemaakt tot het bedrag van de vergoeding door de facturen op te vragen bij de werknemer, maar ook andere vormen van bewijs zijn aanvaardbaar (vrije bewijsleer). Of de werkgever in zijn bewijslast slaagt, staat ter beoordeling van de inspecteur.
Let op: De conclusie is dat een vaste vergoeding moet zien op kosten die de werknemer nog moet maken. Hierop zijn twee wettelijke uitzonderingen: een vaste reiskostenvergoeding en een vaste thuiswerkvergoeding.
Een werkneemster meldt zich ziek. Dat betekent niet dat ze niets meer mag ondernemen. Maar wat als haar activiteiten moeilijk te rijmen zijn met wat zij over haar ziekte en belastbaarheid aan de werkgever heeft verteld? Een werkgever in de makelaardij kreeg met deze situatie te maken. Was deelname aan een intensieve Hyrox-wedstrijd na de ziekmelding voldoende voor ontslag op staande voet?
De arbeidsrelatie met een medewerkster commerciële binnendienst stond al enige tijd onder druk en partijen hadden verschillende keren gesproken over het herstellen van het onderlinge vertrouwen.
In februari meldde de werkneemster zich ziek. Aanvankelijk hield haar ziekmelding verband met spanningen in de arbeidsrelatie. Een maand later liet zij haar werkgever weten dat zij de ziekte van Pfeiffer en een zware keelontsteking had. Zij gaf daarbij aan dat zij van kleine inspanningen al moe werd, overdag veel sliep en niet in staat was om te werken.
De werkgever ontdekte echter dat de werkneemster twee weken later had deelgenomen aan een Hyrox. Dat is een intensieve fitnesscompetitie waarbij deelnemers acht keer een kilometer hardlopen, afgewisseld met verschillende zware fitnessoefeningen. De werkneemster had al eerder een vrije dag gevraagd om aan zo’n wedstrijd mee te kunnen doen. Toen de werkgever haar met de deelname confronteerde, was haar reactie dat sporten gezond is. De werkgever vond de combinatie van beide verhalen niet geloofwaardig en verloor het vertrouwen in verdere samenwerking. Hij ging over tot ontslag op staande voet.
De rechter vond dat ontslag rechtsgeldig. Daarbij was volgens de rechter niet zozeer beslissend of de werkneemster medisch gezien wel of niet aan een Hyrox kon deelnemen. De beoordeling van arbeidsongeschiktheid is immers in beginsel aan de bedrijfsarts. Het ging er vooral om dat de werkneemster kort daarvoor had meegedeeld dat zij door kleine inspanningen al uitgeput raakte en niet kon werken, terwijl zij vervolgens aan een zeer intensieve sportwedstrijd deelnam. Daarmee had zij volgens de rechter een onjuist beeld gegeven van haar belastbaarheid en het vertrouwen van de werkgever geschaad.
Het ontslag had voor beide partijen financiële gevolgen. De werkneemster kreeg wel een transitievergoeding van € 877,50, omdat haar gedrag volgens de rechter wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar was. Daarnaast moest de werkgever nog het verschuldigde loon en de vakantiebijslag tot de ontslagdatum betalen. De werkneemster moest op haar beurt een gefixeerde schadevergoeding van € 2.106 betalen.
Let op: Wees als werkgever voorzichtig met de conclusie dat een werknemer die tijdens ziekte sport, niet ziek kan zijn. Dat oordeel is aan de bedrijfsarts. Het wordt anders wanneer een werknemer zelf een beeld van ernstige beperkingen schetst dat duidelijk niet strookt met wat hij of zij vervolgens doet. Leg bij twijfel de feiten goed vast, geef de werknemer gelegenheid om daarop te reageren en schakel zo nodig de bedrijfsarts in. Wilt u ontslag op staande voet geven, zorg dan dat de dringende reden zorgvuldig is vastgesteld en dat het ontslag onverwijld wordt gegeven.
Bij de behandeling van de belastingplannen voor 2027 is een motie aangenomen die beoogt de aftrek van specifieke zorgkosten toch te handhaven. De zorgkosten voor chronisch zieken dreigen de komende jaren immers sterk te stijgen. Wat wil de Tweede Kamer?
De motie verzoekt de regering om de Kamer te informeren over mogelijkheden om de stapeling van zorgkosten voor chronisch zieken te beperken door de aftrek specifieke zorgkosten te behouden en tegelijk deze doelmatiger te maken en meer te richten op ziektekosten van chronisch zieken, en de resterende dekking te zoeken in fiscale regelingen en de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken.
Let op: Het is nog afwachten wat de regering in reactie op deze motie gaat doen.
Biedt u een zakelijke auto aan uw werknemer, bijvoorbeeld een auto uit uw eigen wagenpark of een leaseauto? En gebruikt uw werknemer de auto ook privé of voor woon-werkverkeer? Dan betaalt u vanaf 1 januari 2027 extra belasting op zakelijke auto's met uitstoot of die niet helemaal uitstootvrij zijn. Het gaat om auto's met benzine-, diesel- of hybride aandrijving.
De grens van 500 kilometer privégebruik per jaar geldt niet voor deze extra belasting. Woon-werkverkeer telt hierbij als privégebruik.
De belasting is per jaar:
U betaalt de belasting via de loonheffing (pseudo-eindheffing). U mag deze belasting niet doorberekenen aan uw werknemer.
Het doel van de belasting is dat werkgevers alleen nog zakelijke auto's zonder uitstoot aan hun werknemers aanbieden, zoals volledig elektrische auto's.
Uitzondering: 7 dagen andere auto
De pseudo-eindheffing is niet van toepassing op een personenauto die aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld voor een aaneengesloten periode van ten hoogste zeven kalenderdagen per kalenderjaar.
Uitzondering: 14 dagen voor onderhoud of reparatie
De pseudo-eindheffing geldt niet voor een personenauto die tijdelijk ter beschikking wordt gesteld ter vervanging van een andere aan de werknemer ter beschikking gestelde personenauto wegens schade aan, onderhoud of reparatie van die andere personenauto, voor zover de vervanging niet langer dan 14 aaneengesloten kalenderdagen duurt per periode van onderhoud of reparatie.
Overgangsregeling
Voor zakelijke auto's met uitstoot die u voor 1 januari 2027 al aan uw werknemers beschikbaar heeft gesteld, geldt een overgangsregeling. Pas vanaf 1 januari 2031 betaalt u de extra belasting ook voor deze auto's. Eerder was dit vanaf 17 september 2030.
Let op: De overgangsregeling geldt uitsluitend voor de huidige werkgever. Een vertrekkende werknemer kan de fossiele auto in de praktijk dus niet bij zijn nieuwe werkgever onderbrengen. Dat kan leiden tot een flinke afkoopsom van het leasecontract, afhankelijk van de afspraken hierover. Onderbrengen bij een andere werknemer van de oude werkgever met overgangsrecht kan wel.
Uitleners van arbeid, zoals uitzendbureaus en detacheerders, mogen vanaf 1 januari 2027 alleen nog werknemers aan het werk zetten als zij door de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) zijn toegelaten tot de markt. Zonder toelating (vergunning) mag u geen arbeidskrachten uitlenen. Ondernemingen die arbeidskrachten inhuren (inleners) mogen geen zaken meer doen met niet-toegelaten uitleners.
Het toelatingsstelsel beschermt werknemers en met name arbeidsmigranten tegen slechte werkomstandigheden, weert malafide partijen van de markt, pakt misstanden in de uitzendsector aan en zorgt voor een eerlijke concurrentie tussen uitleners van personeel.
Om toelating (vergunning) te krijgen moet u als uitlener:
De Arbeidsinspectie gaat regelmatig controleren of uitleners zich aan de regels houden. Als u de toelating verliest, mag u niet meer arbeidskrachten uitlenen. Als u werkt zonder toelating, kunt u een boete krijgen.
Ook bedrijven die arbeidskrachten inlenen van uitzendbureaus zonder toelating kunnen een boete krijgen.
De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) gaat in op 1 januari 2027. Op 1 januari 2028 gaat de Nederlandse arbeidsinspectie handhaven.
Tip: Wilt u als uitlener die gebruik maken van de overgangsregeling, dan moet u zich tussen 1 november 2026 en 1 januari 2027 melden op toelatinguitleenmarkt.nl. Als u onder de overgangsregeling valt, mag u personeel blijven uitlenen zolang het ministerie de aanvraag voor een vergunning nog niet heeft beoordeeld.
Stel u gebruikt de auto van de zaak tevens privé. Als u meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis privé rijdt, krijgt u te maken met de fiscale bijtelling. Na enkele maanden krijgt u een nieuwe auto van de zaak die u uitsluitend zakelijk gaat gebruiken. Stopt de bijtelling als u het zakelijk gebruik ook met een sluitende kilometeradministratie kunt aantonen?
Nee die stopt niet. Als in de eerste maanden van het jaar al meer dan 500 kilometer privé is gereden, dan geldt de bijtelling voor het hele jaar, als het hele jaar een auto ter beschikking wordt gesteld. De keuze voor wel of geen bijtelling geldt dus voor het gehele jaar. Hierbij is het niet van belang of u van auto wisselt. De regeling moet simpel blijven, zodat slechts van belang is of er meer dan 500 kilometer op jaarbasis privé is gereden ongeacht de periode en ongeacht de auto als er een wisseling van auto heeft plaatsgevonden. Een werknemer of ondernemer dient per kalenderjaar een keuze te maken voor wel of geen privégebruik. Hierdoor is het niet mogelijk om bijvoorbeeld één periode in het jaar de bijtelling niet toe te passen als de auto tijdelijk niet privé wordt gebruikt. Het toestaan van één wisselmoment gedurende het jaar wordt op dit moment niet overwogen door het kabinet. Een dergelijk wisselmoment leidt ertoe dat het aantal kilometers dat privé gereden mag worden zonder bijtelling toe te hoeven passen (de 500-kilometergrens) aangepast moet worden.
Let op: Een omgekeerde overstap, van uitsluitend zakelijk naar wel privé rijden, kan er dus toe leiden dat met terugwerkende kracht de bijtelling over het gehele jaar dient plaats te vinden.
De maatregelen van het Belastingplan staan in verschillende wetsvoorstellen. De Tweede en Eerste Kamer moeten de wetsvoorstellen nog goedkeuren. Ze stemmen er in november en december over. Maar zoals u begrijpt, is de kans zeer groot dat er wijzigingen in de plannen komen. Wat zijn de belangrijkste voorstellen van het kabinet die op 1 januari 2028 moeten ingaan?
Afschaffen aftrek specifieke zorgkosten
Mensen die specifieke zorgkosten hebben, kunnen deze kosten aftrekken als zij hun aangifte inkomstenbelasting doen. Dit zijn bijvoorbeeld kosten voor hulpmiddelen of een dieet voorgeschreven door een arts. Hierdoor krijgen deze mensen geld terug via de Belastingdienst voor hun zorgkosten. Sommige mensen kunnen de aftrek specifieke zorgkosten niet helemaal gebruiken, omdat zij weinig belasting betalen. Zij kunnen daarvoor een tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ) krijgen.
Het kabinet wil de aftrek van specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 afschaffen. Het is dan niet meer mogelijk om bepaalde zorgkosten af te trekken van de inkomstenbelasting. Ook de TSZ-regeling vervalt, omdat die bestaat vanwege de aftrek van specifieke zorgkosten.
Het kabinet reserveert vanaf 2028 wel geld om de zorgkosten te beperken voor mensen met een chronische ziekte. Het kabinet werkt in 2027 aan een compensatie voor deze groep mensen.
Btw op ballonvaarten gaat omhoog naar 21%
Biedt u ballonvaarten aan? Vanaf 1 januari 2028 stijgt de btw op ballonvaarten van 9% naar 21%. Het btw-tarief van 21% geldt voor ballonvaarten die vanaf 1 januari 2028 plaatsvinden. Betaalt een klant in 2027 voor een ballonvaart in 2028? Dan geldt ook al het btw-tarief van 21%.
Afschaffing laag btw-tarief (9%) op bloemen en planten
Bent u ondernemer in de sierteelt of verkoopt u bloemen en planten? De btw op sierteeltproducten verandert. De regering wil het verlaagde btw-tarief van 9% afschaffen. Het algemene btw-tarief van 21% gaat dan gelden voor alle sierteeltproducten, zoals:
Verkoopt u sierteeltproducten naar het buitenland? Dat blijft buiten deze btw-verhoging.
Willekeurige afschrijving starters stopt
Bent u een startende ondernemer voor de inkomstenbelasting en gebruikt u de startersaftrek? Dan mag u nu nog zelf bepalen hoe snel u wilt afschrijven op bedrijfsmiddelen die u kocht in de jaren dat u startersaftrek kon krijgen of in het jaar ervoor (het aanloopjaar). Deze regeling heet de willekeurige afschrijving starters.
De willekeurige afschrijving starters wordt vanaf 2028 afgeschaft. Dat betekent dat vanaf 2028 de gebruikelijke afschrijvingsregels voor bedrijfsmiddelen weer gelden.
Nieuwe aanvraag IOAZ-uitkering niet meer mogelijk
Vanaf 1 januari 2028 kunt u niet meer de uitkering Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) aanvragen. De IOAZ is een uitkering voor oudere ondernemers die stoppen omdat het bedrijf te weinig inkomsten oplevert of door gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Bent u 55 jaar of ouder, maar heeft u de AOW-leeftijd nog niet bereikt? Dan kunt u nog tot 1 januari 2028 de IOAZ aanvragen. Nieuwe aanvragen zijn daarna niet meer mogelijk. Voor ondernemers die op dat moment al een IOAZ-uitkering krijgen, verandert er niets.
Let op: Bent u ondernemer in de bosbouw? Met de bosbouwvrijstelling hoeft u over de winst uit uw bosbouwbedrijf geen belasting te betalen. Voorgesteld wordt dat vanaf 1 januari 2029 de bosbouwvrijstelling vervalt.
De maatregelen van het Belastingplan staan in verschillende wetsvoorstellen. De Tweede en Eerste Kamer moeten de wetsvoorstellen nog goedkeuren. Ze stemmen er in november en december over. Maar zoals u begrijpt, is de kans zeer groot dat er wijzigingen in de plannen komen. Wat zijn de belangrijkste voorstellen van het kabinet die op 1 januari 2027 moeten ingaan?
Verlaging overdrachtsbelasting woningen
Het kabinet wil de overdrachtsbelasting verlagen bij de aankoop van een woning waar de koper niet zelf in gaat wonen. Op 1 januari 2027 gaat deze overdrachtsbelasting dan van 8% naar 7%. Het gaat bijvoorbeeld om een woning die de koper gaat verhuren.
Afschaffen belastingvrije personeelskorting
Werkgevers kunnen hun personeel ieder jaar maximaal € 500 aan personeelskorting geven op eigen producten. Een supermarkt kan werknemers bijvoorbeeld korting geven op boodschappen. Met een maximum van 20% korting per keer.
Het kabinet stelt voor om deze belastingvrijstelling voor korting op producten uit het eigen bedrijf per 1 januari 2027 af te schaffen. Werkgevers kunnen hun personeel dan nog wel belastingvrije korting geven op eigen producten. Zij kunnen hiervoor de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR) gebruiken. Werkgevers hoeven na de afschaffing van de belastingvrije personeelskorting geen aparte maximumbedragen meer bij te houden. Dit maakt de administratie makkelijker.
Bevriezen maximuminkomen voor pensioenopbouw
Het kabinet wil dat het maximuminkomen tot waar mensen fiscaal aantrekkelijk pensioen opbouwen (de aftoppingsgrens) zes jaar lang – van 2027 tot en met 2032 – hetzelfde blijft. Die grens groeit dan niet mee met de loonontwikkeling. De aftoppingsgrens blijft € 137.800. In 2027 hebben ongeveer 280.000 mensen met de aftoppingsgrens te maken. Omdat de lonen doorstijgen, loopt dit aantal op tot ongeveer 790.000 mensen in 2032.
Lagere belasting op aandelenopties start-ups en scale-ups
Heeft u een start-up of scale-up? U kunt uw werknemers met ingang van 2027 makkelijker belonen met aandelenopties. Met aandelenopties kunnen werknemers financieel meegroeien met uw bedrijf. Als de aandelen na een tijd meer waard zijn, kunnen zij die nog steeds kopen voor het oorspronkelijke bedrag.
Een start-up of scale-up is een bedrijf dat bijvoorbeeld:
De belastingregels veranderen voor aandelen in start-ups en scale-ups en voor het geven van aandelenopties. De belangrijkste veranderingen zijn:
Wilt u gebruikmaken van de nieuwe regels voor aandelenopties? Dan moet uw bedrijf erkend zijn als start-up of scale-up. Hiervoor gelden specifieke voorwaarden. U vraagt hiervoor een beoordeling aan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Voldoet uw bedrijf niet meer aan de voorwaarden? Dan moet u dit melden bij RVO.
Meewerkaftrek wordt minder en verdwijnt daarna
De meewerkaftrek gaat met 75% omlaag per 1 januari 2027. De meewerkaftrek stopt helemaal in 2030. U kunt de meewerkaftrek (onder voorwaarden) gebruiken als uw fiscale partner meewerkt in uw onderneming. U betaalt dan minder belasting over uw winst. Hoe hoog de meewerkaftrek is, heeft te maken met uw winst en het aantal uren dat uw fiscale partner meewerkt.
De verlaging van de meewerkaftrek ziet er zo uit:
Stakingsaftrek wordt minder en verdwijnt daarna
Als u stopt met uw onderneming (bijvoorbeeld door verkoop), dan kunt u daardoor stakingswinst hebben. U moet belasting betalen over deze stakingswinst. U kunt dan de stakingsaftrek gebruiken. Zo betaalt u minder belasting over de stakingswinst. De stakingsaftrek gaat per 1 januari 2027 omlaag van € 3.630 naar € 908. In 2030 stopt de stakingsaftrek helemaal.
Startersaftrek gaat omlaag en verdwijnt
Bent u startende ondernemer en hebt u recht op startersaftrek? Per 1 januari 2027 daalt de startersaftrek van € 2.123 naar € 10. Vanaf 1 januari 2028 bestaat de startersaftrek niet meer. Er is geen speciale regeling voor ondernemers die al een onderneming zijn gestart. Ook voor hen daalt de startersaftrek in 2027 en verdwijnt die in 2028.
Zelfstandigenaftrek verder omlaag
Heeft u recht op zelfstandigenaftrek? Het bedrag dat u mag aftrekken van uw winst wordt lager. In 2025 was de zelfstandigenaftrek nog € 2.470 en in 2026 is dat: € 1.200. In 2027 wordt de zelfstandigenaftrek verder afgebouwd naar € 900.
Maximum forfait innovatiebox gaat omhoog naar € 100.000
Heeft uw BV zelf innovaties ontwikkeld? Dan kunt u met de innovatiebox mogelijk belastingvoordeel krijgen over de winst uit deze innovaties. De innovatiebox is een fiscale regeling binnen de vennootschapsbelasting.
U kunt nu in bepaalde situaties de voordelen uit uw innovaties berekenen met een vast percentage (de forfaitaire regeling). U hoeft dan niet precies te berekenen welk voordeel de zelf ontwikkelde innovaties uw bedrijf opleveren. U mag voor dit voordeel uitgaan van 25% van de winst, met op dit moment een maximum van € 25.000.
Het kabinet wil het maximum forfait van de innovatiebox verhogen van € 25.000 naar € 100.000. Hierdoor kunt u meer belastingvoordeel krijgen via de innovatiebox.
Verlengen korting op accijns voor benzine en diesel
Het kabinet wil de huidige accijnsverlaging op benzine en diesel met 1 jaar verlengen tot eind 2027. In 2027 wordt het tarief van de benzineaccijns door de korting ongeveer € 0,85 per liter. Het tarief van de dieselaccijns wordt ongeveer € 0,55 per liter. Zonder de verlenging van de korting zou dat ongeveer € 1,03 voor benzine en € 0,67 voor diesel zijn. In 2028 gaat de korting omlaag. Vanaf 1 januari 2029 is er geen korting meer op de brandstofprijs.
Hogere bijtelling voor oude zakelijke auto (youngtimer)
Heeft u een oudere zakelijke auto (16 jaar of ouder) en gebruikt u de youngtimerregeling? De leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling gaat veranderen:
De eerdere verhoging van leeftijd naar 25 jaar gaat niet door. Het kabinet bouwt de regeling geleidelijk af, zodat autobedrijven en ondernemers minder plotseling geraakt worden door stijgende kosten.
Met de youngtimerregeling geldt er voor oudere auto’s (youngtimers) een bijtellingspercentage van 35% over de waarde in het economisch verkeer (dagwaarde). Voor auto’s die geen youngtimer zijn, geldt een bijtellingspercentage van 22% of 25% (afhankelijk van de exacte leeftijd) over de cataloguswaarde. De bijtelling op basis van de dagwaarde is bij een youngtimer over het algemeen lager dan de bijtelling over de cataloguswaarde.
Als uw auto niet meer onder de regeling valt door de nieuwe leeftijdsgrens, dan betaalt u over het algemeen een hogere bijtelling.
De wijziging van de youngtimerregeling gaat naar verwachting in vanaf 1 januari 2027. Voor auto’s die al voor 2026 door dezelfde persoon werden gebruikt en die in 2027 17 jaar worden geldt overgangsrecht. Voor deze auto’s kan heel 2027 de youngtimerregeling worden toegepast.
Let op: De onbelaste reiskostenvergoeding is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Dat is nu in een wetsvoorstel vastgelegd.
Met ingang van 1 januari 2026 kent het belastingverdrag Nederland-Duitsland een zogenoemde thuiswerkregeling. Een werknemer kan in een kalenderjaar maximaal 34 dagen thuiswerken zonder dat dit gevolgen heeft voor de heffingsrechten van Duitsland en Nederland over zijn inkomen. Een kennisgroep van de Belastingdienst heeft hierover enkele praktijkvragen beantwoord.
Drempelregeling
Het gaat om drempelregelingen. Zodra de drempel van 34 dagen wordt overschreden, gelden de gebruikelijke toewijsregels voor het totale arbeidspatroon in het betreffende jaar. Een dag telt mee als op die dag ten minste 30 minuten in de woonstaat of derde staat wordt gewerkt. De 34-dagen drempel (hierna: de drempel) heeft tot enkele vragen geleid. We behandelen er drie. Alle vragen gaan over een inwoner van Duitsland die in Nederland werkt, de antwoorden gelden echter ook in een spiegelbeeldsituatie.
Vraag 1
Een werknemer werkt voor meerdere Nederlandse private werkgevers deels (thuis) in Duitsland. Geldt de drempel per werknemer (belastingplichtige) of per dienstbetrekking?
De drempel geldt per werknemer (belastingplichtige). Alle werkdagen in Duitsland worden opgeteld om te bepalen of het er 34 of meer zijn. Het maakt daarbij geen verschil of er gelijktijdig voor meerdere werkgevers (in deeltijd) wordt gewerkt, of dat er volgtijdig voor verschillende werkgevers wordt gewerkt.
Vraag 2
Een werknemer werkt voor een Nederlandse private werkgever minder dan 34 dagen (thuis) in Duitsland. Daarnaast werkt hij ook voor een Duitse private werkgever uitsluitend in Duitsland. Tellen dagen waarop enkel voor de Duitse werkgever wordt gewerkt mee voor de drempel?
Nee, de dagen waarop enkel gewerkt wordt voor de Duitse werkgever tellen niet mee voor de drempel.
Vraag 3
Een werknemer werkt voor een Nederlandse werkgever en werkt incidenteel op locatie in Duitsland (bijvoorbeeld als gevolg van congresbezoek of een kortdurende detachering). Tellen de op locatie (dus niet thuis) gewerkte dagen mee voor de drempel?
Ja, ook de dagen die op locatie in Duitsland worden gewerkt tellen mee voor de drempel.
Let op: In deze tijd van flexibel werken en afstandswerk is vaak niet eenvoudig vast te stellen waar, wanneer en hoe lang een werknemer voor de werkgever heeft gewerkt. Vanwege de grote fiscale en sociale verzekeringstechnische gevolgen is exacte vastlegging hiervan toch belangrijk.
De Belastingdienst ontvangt regelmatig aangiften erf- of schenkbelasting waarin een landgoed met een rangschikking volgens de Natuurschoonwet 1928 (NSW) wordt verkregen. Bij de behandeling van deze aangiften komen vaak dezelfde vragen en aandachtspunten naar voren. Wat zijn de belangrijkste punten waarop u zich kunt voorbereiden?
Bij een schenking of erfrechtelijke verkrijging van een NSW-landgoed gaat het in de aangifte om twee waarden: de waarde in het economisch verkeer en de bestemmingswaarde.
Waarde in het economisch verkeer en bestemmingswaarde
De waarde in het economisch verkeer is het hoogste bedrag dat een koper onder de meest gunstige omstandigheden voor het landgoed zou betalen op de datum van overlijden of schenking. Daarbij gaat het om de opstallen en de landerijen.
De bestemmingswaarde is de waarde in het economisch verkeer, verminderd met de kosten die voortvloeien uit de verplichting om het landgoed minimaal 25 jaar in stand te houden. Bij een opengesteld landgoed hoeft de bestemmingswaarde niet in de aangifte te worden opgenomen.
Waardering van het landgoed
Voor de waardering van het landgoed is de waarde in het economisch verkeer het uitgangspunt. Voor woningen op het landgoed geldt de WOZ-waarde.
Is het landgoed opengesteld voor publiek? Dan blijft de belasting die toerekenbaar is aan de waarde in het economisch verkeer van het landgoed onder voorwaarden gedurende 25 jaar buiten invordering voor de verkrijger van het landgoed.
Bestemmingswaarde alleen relevant bij niet-opengestelde landgoederen
Bij een schenking of erfrechtelijke verkrijging van een niet-opengesteld landgoed is de bestemmingswaarde van belang voor de berekening van de NSW-faciliteit.
Over de helft van de bestemmingswaarde is direct erf- of schenkbelasting verschuldigd. Het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de helft van de bestemmingswaarde blijft onder voorwaarden gedurende 25 jaar buiten invordering.
Erf, tuin en aanhorigheden apart waarderen
Bij de behandeling van aangiften blijkt regelmatig dat het erf, de tuin en andere aanhorigheden bij een woning op het landgoed niet afzonderlijk zijn gewaardeerd. Voor de WOZ-waarde geldt hiervoor een vrijstelling. Deze vrijstelling geldt echter niet voor de erf- en schenkbelasting. Laat deze onderdelen daarom ook taxeren. Neem de getaxeerde waarde vervolgens op bij de waarde in het economisch verkeer van de opstallen.
Woning op een NSW-landgoed
Bij een woning op een NSW-landgoed is de WOZ-waarde gelijk aan de bestemmingswaarde. Daarbij maakt het niet uit of het landgoed wel of niet is opengesteld voor publiek. Is het landgoed opengesteld voor publiek? Dan hoeft u de bestemmingswaarde niet in te vullen in de aangifte erf- of schenkbelasting.
Geef wel de waarde in het economisch verkeer aan van het opengestelde landgoed. En vergeet dus niet het erf, de tuin en aanhorigheden te laten taxeren.
Tip: Het bezit van een landgoed biedt fiscale voordelen. Een brochure hierover vindt u hier. De wijzigingsvoorstellen rond box 3 hebben echter ook gevolgen voor landgoederen.
Het gemiddelde premieniveau van de WGA stijgt van 0,96% naar 1,07% in 2027. De maximumpremie WGA is 4,28% en de minimumpremie 0,26%. Het gemiddelde percentage voor de Ziektewet in 2027 is vastgesteld op 0,60%. In 2026 was dit 0,56%. De maximumpremie voor de Ziektewet is 2,40% en de minimumpremie 0,15%. Voor werkgevers in sector 52 ‘Uitzendbedrijven’ geldt een afwijkende maximumpremie van 5,96%.
Kleine, middelgrote en grote werkgever
Voor 2027 gelden de volgende grenzen voor de berekening van de gedifferentieerde premie:
Beschikkingen Belastingdienst
De Belastingdienst stuurt eind 2026 elke grote en middelgrote werkgever een beschikking met de individueel gedifferentieerde premies. Elke kleine werkgever ontvangt een mededeling met de sectorale premies. Voor eigenrisicodragers zijn deze premies nihil.
Premie Whk 2027 berekenen
Op de internetsite van UWV vindt u de Premiewijzer gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2027. Met deze rekenhulp berekent u snel de gedifferentieerde premies WGA en ZW-flex voor 2027. Wilt u in 2027 eigenrisicodrager worden of blijven? Dan betaalt u geen premie.
Geef wijziging eigen risico dragen op tijd door
Wilt u starten of stoppen als eigenrisicodrager? Geef dit dan door aan de Belastingdienst. Op belastingdienst.nl vindt u het formulier voor de Ziektewet en het formulier voor de WGA. Als u vanaf 1 januari 2027 eigenrisicodrager wilt worden, dan moet u dit uiterlijk op 1 oktober 2026 doorgeven.
Tip: Wilt u de oorzaken voor de stijgingen van de verschillende premies weten? Dat leest u in het bericht WGA-premie en Ziektewet-premie stijgen in 2027 op de internetsite van UWV.
Koopt u een woning met bijvoorbeeld een grote schuur, paardenbak of weiland? Dan betaalt u over de woning 2% overdrachtsbelasting als u in de woning gaat wonen. Maar hoe zit het met de schuur, paardenbak en het weiland? Horen die bij de woning of geldt daarvoor het tarief van 10,4%? Hoe oordeelt de rechter?
In de zaak kocht een stel een voormalige agrarische locatie met een woning, een grote schuur, een paardenbak en weiland. De Belastingdienst vond dat alleen de woning onder het 2%-tarief viel. Over de overige onderdelen zou het algemene tarief van 10,4% moeten worden betaald.
De rechter kijkt vooral naar de feitelijke situatie en het gebruik bij de aankoop. De verschillende onderdelen vormen volgens de rechter één geheel met de woning. De schuur werd privé gebruikt voor onder meer de paarden, terwijl de paardenbak en het weiland eveneens een functie hadden bij het wonen en hobbymatig houden van paarden.
Dat de schuur vroeger voor agrarische bedrijfsactiviteiten was gebruikt en aanzienlijk groter was dan de woning, maakt volgens de rechter niet dat deze geen aanhorigheid kon zijn. Ook een afzonderlijk kadastraal perceel hoeft daarvoor geen belemmering te zijn.
De rechter concludeert dat de schuur, paardenbak én het weiland als aanhorigheden bij de woning kunnen worden aangemerkt. Daardoor is over de volledige verkrijging het 2%-tarief van toepassing.
Tip: Koopt u een woning met extra grond, een schuur, garage, stal of andere bijbehorende voorzieningen? Laat dan vóór de aankoop beoordelen of deze onderdelen fiscaal als aanhorigheid kunnen worden aangemerkt. Bij een aanzienlijke koopsom loopt het verschil tussen 2% en 10,4% flink op.
Een particulier heeft in zijn aangifte ruim € 1.100 specifieke zorgkosten afgetrokken die betrekking hebben op de bevallingskosten van zijn vrouw. Hun zoon is op de Filippijnen geboren. De Belastingdienst corrigeert de aftrek. Hoe oordeelt de rechter?
Uitgaven voor specifieke zorgkosten
Op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 kunnen uitgaven voor specifieke zorgkosten als persoonsgebonden aftrek in aanmerking worden genomen als deze op de belastingplichtige hebben gedrukt. In de wet is opgesomd welke uitgaven als specifieke zorgkosten zijn aan te merken. Onder specifieke zorgkosten vallen onder meer uitgaven voor genees- en heelkundige hulp en geneesmiddelen.
De particulier heeft diverse afschriften van rekeningen die samenhangen met de geboorte van zijn zoon overgelegd. De facturen zijn onder meer van een gynaecoloog en een kinderarts. Hij heeft ook kosten van gezinshulp in aftrek genomen.
Oordeel rechter
De particulier heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van extra kosten van gezinshulp als bedoeld in de wet. Het gaat hier uitsluitend om kosten die samenhangen met de bevalling en die kosten zijn niet aftrekbaar als ziektekosten. Dit is uitdrukkelijk zo aangegeven in de parlementaire toelichting bij de totstandkoming van de wetgeving.
Deze kosten kunnen niet als specifieke zorgkosten in aftrek worden genomen.
Let op: Het kabinet is voornemens om de aftrek specifieke zorgkosten per 2028 helemaal af te schaffen.
Vanaf 2026 kunnen particulieren met een elektrische auto onder bepaalde voorwaarden een vergoeding ontvangen voor de stroom die zij thuis via hun eigen laadpaal laden. Dit gebeurt via zogenoemde ERE-certificaten (Emissiereductie-eenheden), die aantonen dat er CO₂-uitstoot is bespaard. Werknemers die hun elektrische auto van de zaak thuis opladen, kunnen voor die geladen stroom ook een vergoeding voor de ERE-certificaten krijgen. Is dat belast loon?
Toelichting
De vergoeding voor de ERE-certificaten wordt betaald door bedrijven die fossiele brandstoffen verkopen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van het aantal geladen kilowatturen (hierna: kWh) en de marktwaarde van de certificaten.
Vergoeding belast loon?
Werknemers die hun elektrische auto van de zaak thuis opladen, kunnen voor die geladen stroom ook een vergoeding voor de ERE-certificaten krijgen. Is dat belast loon?
Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt gepubliceerd: de vergoeding vormt geen belast loon.
Waarom geen belast loon?
Het loonbegrip laat zich samenvatten in de volgende drie voorwaarden:
Er is geen sprake van loon van de werkgever (hierna: werkgeversloon) als aan één van de drie voorwaarden niet is voldaan. In het geval van werkgeversloon is de werkgever altijd inhoudingsplichtig.
In dit geval wordt niet voldaan aan de verstrekkingseis. Er is geen sprake van een voordeel in opdracht en voor rekening van de werkgever en het kan daarmee ook niet op één lijn worden gesteld.
Ook wordt niet voldaan aan de causaliteitseis. De vergoeding houdt onvoldoende causaal verband met de dienstbetrekking. Het voordeel behoort tot de persoonlijke sfeer van de werknemer en kan, rekening houdende met de maatschappelijke opvattingen, niet worden toegerekend aan de dienstbetrekking.
Een eventuele vergoeding van de werkgever voor de werkelijke laadkosten van de auto van de zaak behoort niet tot loonsfeer, omdat sprake is van intermediaire kosten.
Een eventuele vergoeding voor ERE-certificaten drukt hierbij de integrale kostprijs per kWh. De vergoeding voor ERE-certificaten kan wel buiten beschouwing blijven als een werkgever en een werknemer afspraken maken over doorlevering van energie onder zakelijke en dus marktconforme voorwaarden. Immers, daarvoor is bepalend de prijs op de energiemarkt op het moment van maken van de afspraken tussen partijen.
Ook geen loon van derden
Als een voordeel niet als werkgeversloon kan worden aangemerkt, kan toch sprake zijn van loon, namelijk in het geval van fooien en dergelijke prestaties van derden, ook wel loon van derden genoemd. Voordelen van derden vormen loon uit dienstbetrekking als aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:
Er is geen sprake van loon van derden als aan één van de twee voorwaarden niet is voldaan.
Voor de finaliteitseis is een nauwere relatie vereist met de dienstbetrekking dan op grond van het causaliteitscriterium. Het voordeel moet een tegenprestatie zijn voor werkzaamheden die de werknemer in zijn hoedanigheid van werknemer heeft verricht voor de werkgever of voor de derde.
De vergoeding in dit geval voldoet niet aan de finaliteitseis. Er is geen sprake van een beloning voor werkzaamheden die de werknemer voor de werkgever of de derde heeft verricht in de uitoefening van zijn dienstbetrekking. Het is geen tegenprestatie voor werkzaamheden, die de ontvanger in zijn hoedanigheid van werknemer heeft verricht. Het opladen van de auto van de zaak is geen werkzaamheid en de werknemer doet dit niet in zijn hoedanigheid van werknemer, maar als particuliere gebruiker van het stroomnet.