Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Het kabinet verhoogt de onbelaste vergoeding van € 0,23 per kilometer met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 naar € 0,25 per kilometer. Dat is onderdeel van het Belastingplan 2027 dat op Prinsjesdag bekend wordt gemaakt. Hierop vooruitlopend heeft de staatssecretaris van Financiën de verhoging van de gerichte vrijstelling alvast goedgekeurd in een beleidsbesluit. Daardoor kunt u nu al € 0,25 per kilometer onbelast vergoeden. Maar hoe?
Verhoging vergoeding met terugwerkende kracht
U kunt de verhoging van € 0,02 per kilometer met terugwerkende kracht vergoeden aan de werknemers. Hieronder leest u hoe u dat verwerkt in de loonadministratie en de aangifte loonheffingen.
U vergoedde € 0,23 of minder per kilometer
Hebt u sinds 1 januari 2026 € 0,23 per kilometer vergoed aan de werknemer? Dan mag u de verhoging van € 0,02 per kilometer alsnog onbelast vergoeden (gericht vrijgesteld) bij een volgende loonbetaling. Dat geldt ook als u minder dan € 0,23 per kilometer vergoedde.
U vergoedde meer dan € 0,23 per kilometer en merkte het bedrag boven € 0,23 per kilometer aan als belast loon
Hebt u sinds 1 januari 2026 meer dan € 0,23 per kilometer vergoed aan de werknemer? En hebt u het bedrag boven € 0,23 aangemerkt als belast loon? Dan mag u voor elk aangiftetijdvak het loon en de ingehouden loonheffingen verlagen met € 0,02 per kilometer. Dat doet u door de aangiften over die tijdvakken te corrigeren.
U vergoedde meer dan € 0,23 per kilometer en betaalde al eindheffing over het belaste bedrag
Hebt u sinds 1 januari 2026 meer dan € 0,23 per kilometer vergoed aan de werknemer? En hebt u in 1 of meer tijdvakken het belaste deel van de vergoeding aangewezen als eindheffingsloon? En hebt u daarover al 80% eindheffing betaald? Dan mag u de eindheffing die u betaalde over die € 0,02 per kilometer, verrekenen in een volgende aangifte loonheffingen.
U maakt gebruik van de salderingsregeling
Gebruikt u de zogenoemde salderingsregeling? Dan gaat u met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 uit van € 0,25 per kilometer.
Reiskostenvergoeding via de cafetariaregeling
Hebt u met de werknemer afgesproken dat de werknemer belast loon inlevert, in ruil voor de onbelaste kilometervergoeding of de verhoging daarvan? Dan mag u volgens het beleidsbesluit ook de eerdere aangiften loonheffingen corrigeren.
Hebt u werknemers in dienst met studerende kinderen? Dan kunt u de studiekosten van de kinderen vergoeden. Dit kan op verschillende manieren. De Belastingdienst een praktische handreiking gepubliceerd over de mogelijkheden.
U kunt de studiekosten op 4 manieren vergoeden:
1. Vergoeding aan de werknemer
Als u de vergoeding aan de werknemer betaalt, is dit een voordeel voor de werknemer. Als u dit niet aanwijst als eindheffingsloon, is dit belast loon. Op dit loon moet u op de gebruikelijke manier loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) inhouden. U betaalt over de vergoeding ook premie Zorgverzekeringswet (Zvw) en premies werknemersverzekeringen.
2. Eindheffingsloon werknemer
U mag de studietoelage die de werknemer ontvangt ook aanwijzen als eindheffingsloon. U moet wel voldoen aan de gebruikelijkheidstoets. Voor deze vergoeding geldt geen gerichte vrijstelling, dus dit komt ten laste van de vrije ruimte. Als u geen vrije ruimte meer hebt, betaalt u 80% eindheffing.
3. Vergoeding aan het kind
Heeft het kind een zelfstandig recht op de studietoelage en betaalt u de toelage rechtstreeks aan het studerend kind? Dan is dit voor het kind loon uit een bestaande dienstbetrekking van een ander. U houdt op de gebruikelijke manier LB/PVV in. De toelage is loon uit vroegere dienstbetrekking omdat er geen arbeid tegenover staat. Het kind is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
4. Studiefonds
Als u een studietoelage voor het kind van de werknemer betaalt uit een studiefonds, is dit geen belast loon als het fonds voldoet aan de volgende voorwaarden:
De brandstofprijzen zijn gestegen door de oorlog in het Midden-Oosten. Het kabinet heeft besloten vanaf 1 juli 2026 de motorrijtuigenbelasting (mrb) tijdelijk te verlagen. Deze maatregel geldt alleen voor bestelauto's met het ondernemerstarief en voor vrachtauto's.
Bestelauto's met het ondernemerstarief
Betaalt u het ondernemerstarief voor uw bestelauto('s)? Dan betaalt u vanaf 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 de helft aan mrb voor uw bestelauto('s). Dit aangepaste tarief staat vanaf 1 juli 2026 in het hulpmiddel Motorrijtuigenbelasting berekenen.
Vrachtauto's vanaf 12.000 kilo tijdelijk geen mrb
Voor vrachtauto's met een toegestane maximale massa van 12.000 kilo of meer betaalt u € 0 (nihiltarief). Deze maatregel geldt van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027.
Voor vrachtauto's met een toegestane maximum massa lager dan 12.000 kilo geldt vanaf 1 juli 2026 sowieso het nihiltarief.
Vanaf wanneer geldt de tijdelijke verlaging?
U betaalt de mrb altijd over een tijdvak van 3 maanden. De tijdelijke verlaging geldt vanaf het 1e tijdvak dat op of na 1 juli 2026 begint.
Voorbeeld:
Stel, uw tijdvak loopt van 25 juni 2026 tot en met 24 september 2026. Over die periode geldt nog het normale tarief mrb. Vanaf 25 september 2026 betaalt u tijdelijk het lagere tarief of het nihiltarief. Want dan begint voor u het 1e tijdvak na 1 juli 2026. Ook voor het daaropvolgende tijdvak (van 25 december 2026 tot en met 24 maart 2027) betaalt u het lagere tarief of het nihiltarief.
Als een werknemer na einde dienstbetrekking nog in een auto van de zaak rijdt, is geen sprake meer van zakelijk gebruik. Dit is ook het geval bij arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking. In deze handreiking van de belastingdienst leest u wat in dit soort situaties de gevolgen zijn voor de bijtelling privégebruik auto.
In de volgende situaties gebruikt een werknemer de auto van de zaak niet zakelijk:
Heeft de werknemer in deze situaties de auto van de zaak ter beschikking en rijdt hij meer dan 500 kilometer privé? Dan moet u de waarde van het privégebruik bij het loon tellen. U doet dit op basis van de bijtellingspercentages (bijtellingsregeling). Dit geldt ook als de werknemer de auto alleen nog voor privédoeleinden gebruikt.
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking is sprake van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. De bijtellingsregeling blijft ook gelden als de werknemer door ziekte niet in de auto kan rijden. De werknemer heeft de auto dan nog steeds tot zijn beschikking. Het bedrag van de bijtelling is loon voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.
Loon uit vroegere dienstbetrekking
Mag de werknemer een auto privé blijven gebruiken na einde dienstbetrekking of bij permanente arbeidsongeschiktheid? Dan is het bedrag van de bijtelling loon uit vroegere dienstbetrekking. Het bedrag van de bijtelling is loon voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. U bent geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd.
Excessief privégebruik
Als de werkelijke waarde van het privégebruik duidelijk meer is dan de bijtelling op basis van het algemene bijtellingspercentage, is sprake van excessief privégebruik van de auto. U moet dan uitgaan van de hogere waarde van het privégebruik.
Geen eindheffingsloon
De bijtelling is altijd loon van de werknemer. U kunt dit loon dus niet aanwijzen als eindheffingsloon. Er is één uitzondering: het deel van de bijtelling voor buitengewone beveiligingsmaatregelen kunt u wel aanwijzen als eindheffingsloon.
Auto vóór aanvang dienstbetrekking
Krijgt een werknemer een auto ter beschikking voordat hij in dienst treedt? Dan is dit een voordeel dat voortvloeit uit de (toekomstige) dienstbetrekking. Het is loon in natura in de vorm van een bijtelling privégebruik auto. U verwerkt de bijtelling in de aangifte loonheffingen over het tijdvak waarin de auto ter beschikking is gesteld. U betaalt dan geen loon in geld maar u moet wel loonheffingen afdragen. Het bedrag dat u moet inhouden, kunt u verhalen op de werknemer. U kunt er ook voor kiezen om het bedrag te bruteren.
Privégebruik auto en weinig of geen loon in geld
Als u de werknemer weinig of geen loon in geld betaalt, moet u over de bijtelling privégebruik auto toch alle loonheffingen betalen. U kunt kiezen of u dit wel of niet verhaalt op de werknemer.
Verhalen op de werknemer
U mag de loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) en de in te houden bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) verhalen op de werknemer. Dit geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw. Als de werknemer nog loon ontvangt, kunt u dit doen via verrekening in het eerstvolgende loontijdvak.
Niet verhalen op de werknemer
Als u de LB/PVV en bijdrage Zvw niet verhaalt op de werknemer, kunnen zich 2 situaties voordoen:
Op 1 januari 2031 verliest een grote groep huiseigenaren het recht op hypotheekrenteaftrek. De benodigde gegevens om deze termijn te toetsen zijn echter onvoldoende beschikbaar bij burgers en de Belastingdienst. De regeling vraagt dus te veel van burgers en is voor de Belastingdienst niet goed handhaafbaar. Een ambtelijk rapport concludeert dat snelle beleidskeuzes nodig zijn.
De in 2001 ingevoerde termijn voor hypotheekrenteaftrek beperkt de aftrek van hypotheekrente tot maximaal 30 jaar. De bedoeling van de 30-jaarstermijn is om onbeperkte hypotheekrenteaftrek in box 1 te voorkomen, aflossing te stimuleren en om de belastingderving te beperken. Per 2031 verliest een grote groep huiseigenaren het recht op hypotheekrenteaftrek. De benodigde gegevens om deze termijn te toetsen zijn onvoldoende beschikbaar bij burgers en de Belastingdienst. Factoren zoals verhuizingen, scheidingen en oversluiten vergroten die complexiteit en zorgen voor onzekerheid en fouten. Oplossingsrichtingen variëren van volledige afschaffing van de hypotheekrenteaftrek voor oude hypotheken per 2031 tot verlenging of geleidelijke afbouw. De opties balanceren tussen eenvoud, uitvoerbaarheid en budgettaire effecten, tegen de achtergrond van een groot handhavingsprobleem. Het gaat namelijk om circa 2,7 miljoen hypotheken en de controle zal in de praktijk beperkt en steekproefsgewijs zijn omdat de Belastingdienst over onvoldoende gegevens beschikt.
Om welke hypotheken gaat het?
Op 1 januari 2031 loopt de 30-jaarstermijn af voor de eerste, grote groep belastingplichtigen die een hypotheek hebben van voor 2001. De problematiek van de 30-jaarstermijn spitst zich met name toe op eigenwoningleningen (hierna ook: hypotheken) afgesloten vóór 2013. Deze hypotheken vallen onder het overgangsrecht, de zogenaamde ‘bestaande eigenwoningschulden’ (BEWS). Dit zijn met name aflossingsvrije hypotheken. Voor belastingplichtigen met een BEWS is vaak niet duidelijk of zij al 30 jaar gebruikgemaakt hebben van hypotheekrenteaftrek (hierna ook: HRA). Ook spaar-, beleggings-, of levenshypotheken (hierna ook: SEW/BEW/KEW) vallen onder het overgangsrecht. Voor deze hypotheken is aflossing van (een deel van) de hypotheek binnen 30 jaar gewaarborgd.
Voor leningen die vanaf 2013 zijn afgesloten is de 30-jaarstermijn een minder groot probleem. Sinds 2013 bestaat alleen recht op HRA voor leningen die in maximaal 360 maanden worden afgelost. Wel geldt dat – indien van toepassing - rekening moet worden gehouden met de verstreken looptijd van een BEWS. Voor belastingplichtigen die ook een lening hadden afgesloten vóór 2013, tellen dus de reeds verstreken jaren van die oorspronkelijke 30-jaarstermijn mee voor de maximale periode waarop recht op HRA bestaat voor de ‘nieuwe’ lening. In zo’n situatie stopt het recht op HRA dus voordat de periode van 360 maanden is verstreken en dus voordat de lening volledig is afgelost.
Knelpunten rondom de 30-jaarstermijn
De Belastingdienst beschikt niet over voldoende historische gegevens om het recht op HRA goed te controleren en belastingplichtigen te informeren. Voor het controleren van de 30-jaarstermijn is uitgebreide historische informatie vereist die meestal ontbreekt. Door wettelijke bewaartermijnen is bepaalde data niet meer voorhanden, vooral van leningen van vóór 2013. Ook informatie van derden, bijvoorbeeld het Kadaster, is onvoldoende om de 30-jaarstermijn goed te kunnen handhaven. Complexe situaties, zoals wisselende eigendomsverhoudingen, partnerschappen en life events, vergroten het probleem. Dit leidt tot onzekerheid over de status van het recht op HRA en fouten in aanslagen, waardoor mogelijk ten onrechte HRA geclaimd wordt.
De 30-jaarstermijn kan voor belastingplichtigen zeer complex zijn, met name door life events. Bij life events kan gedacht worden aan samenwonen, echtscheiding, verhuizen of verbouwen. Er is vaak onvoldoende inzicht in hoeveel jaren van de 30-jaarstermijn zijn verstreken. Dit geldt nog sterker voor leningdelen met verschillende startdata. Belastingplichtigen moeten vanaf 2031 aannemelijk maken dat zij nog binnen de 30-jaarstermijn vallen. In veel gevallen kunnen zij dit echter niet. Als de Belastingdienst gegevens opvraagt zal veelal de belastingplichtige, hypotheekadviseur of bank niet meer beschikken over alle historische informatie die nodig is om te bepalen of er nog recht bestaat op HRA. De regeling is daarmee voor burgers zodanig ondoenlijk en complex, dat deze in de praktijk nagenoeg niet handhaafbaar is. Omdat de bewijslast bij belastingplichtigen ligt kan in die gevallen het recht op HRA (deels) vervallen voordat de 30-jaarstermijn verstreken is. Ook is het mogelijk dat belastingplichtigen ten onrechte wel HRA claimen en toegekend krijgen, terwijl de 30-jaarstermijn (deels) is verstreken. Ten slotte zal de ene belastingplichtige zekerheidshalve geen HRA claimen, terwijl de ander dat juist wel zal doen. Dit raakt aan de belastingmoraal.
Oplossingsrichtingen
Een uiterste maatregel om de uitvoeringsproblematiek voor alle typen schulden weg te nemen is het volledig afschaffen van de HRA, maar deze optie valt buiten de reikwijdte van het onderzoek.
De volgende oplossingsrichtingen zijn uitgewerkt:
Aftrek in box 3
In de huidige situatie blijft bij beperkingen van HRA in box 1 aftrek in box 3 mogelijk. Als de wens is om – in lijn met de oorspronkelijke doelstelling van de 30-jaarstermijn - de aftrekbaarheid van rente te beperken tot 30 jaar en de budgettaire derving te beperken zijn aanvullende maatregelen nodig. In de praktijk betekent de mogelijkheid om rente af te trekken in box 3 dat enkel huishoudens met voldoende vermogen (in box 3) na 30 jaar nog voor onbepaalde tijd renteaftrek kunnen blijven genieten. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen of een eventuele beperking van renteaftrek in box 3 juridisch houdbaar is.
Conclusie
Het is voor belastingplichtigen in veel gevallen onmogelijk om de 30-jaarstermijn te doorgronden en alle benodigde informatie hiervoor paraat te hebben. Dit maakt de regeling complex en ondoenlijk voor burgers. De Belastingdienst kan belastingplichtigen door het gebrek aan contra-informatie ook geen uitsluitsel geven over de resterende periode van de 30-jaarstermijn. Dat zorgt nu al voor problemen, waar financieel dienstverleners, en daarmee ook burgers, als eerste tegenaan lopen. Besluitvorming over hoe om te gaan met de 30-jaarsproblematiek is daarom noodzakelijk.
Consumpties die werknemers op de werkplek gebruiken mag u op nihil waarderen. Maar wat valt allemaal onder consumpties? En wat houdt het begrip werkplek in? Valt de thuiswerkplek hier ook onder? Hierover heeft de Belastingdienst in een handreiking praktische standpunten gepubliceerd.
Onder consumpties vallen: koffie, thee, gebak, een stuk fruit en andere tussendoortjes van weinig waarde. Consumpties tijdens een receptie of personeelsfeest op de werkplek mag u ook op nihil waarderen.
Vormen de consumpties samen met andere consumpties een maaltijd? Dan is de regeling voor maaltijden van toepassing.
Consumptie verstrekken
Alleen voor consumpties die een werkgever verstrekt op de werkplek, geldt een nihilwaardering.
Consumptie vergoeden
Een vergoeding voor consumpties op de werkplek is loon voor de werknemer. U kunt deze vergoeding ook als eindheffingsloon aanwijzen. Deze komt dan ten laste van de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Werkplek
Er is sprake van een werkplek als aan 2 voorwaarden is voldaan:
Werkruimte thuis
De werkruimte thuis is alleen een werkplek als werkgever en werknemer voldoen aan de volgende voorwaarden:
Alleen als aan bovenstaande 3 voorwaarden is voldaan, geldt de nihilwaardering ook voor de consumpties op de thuiswerkwerkplek.
Voorbeeld 1
Een werknemer werkt alleen op kantoor. Hij ontvangt een vergoeding van € 10 per maand om koffie en thee te kopen. Geldt hiervoor de nihilwaardering voor consumpties op de werkplek?
Nee. Alleen consumpties die een werkgever verstrekt op de werkplek, vallen onder de nihilwaardering.
Voorbeeld 2
Een werknemer koopt gebak voor een jubileumviering op de werkplek. De werknemer declareert deze kosten bij de werkgever. Wat zijn de gevolgen voor de werkkostenregeling?
Als de werknemer het gebak in opdracht van de werkgever koopt, dan valt de vergoeding van het gebak onder intermediaire kosten. De vergoeding is dan geen loon voor de werknemer.
Koopt de werknemer het gebak op eigen initiatief, dan is de vergoeding voor het gebak wel loon. De nihilwaardering voor consumpties op de werkplek geldt niet voor vergoedingen. De werkgever kan deze vergoeding ook als eindheffingsloon aanwijzen. Deze komt dan ten laste van de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Voorbeeld 3
De werknemers krijgen een borrelpakket met hapjes en drankjes thuisgestuurd. De werkruimte thuis voldoet niet aan het begrip werkplek. Wat zijn de gevolgen voor de werkkostenregeling?
De nihilwaardering voor consumpties geldt niet omdat er geen sprake is van een werkplek. Het borrelpakket is loon voor de werknemers. Als de werkgever het borrelpakket aanwijst als eindheffingsloon, valt het onder de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Een eenmanszaak wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 omgezet in een besloten vennootschap (hierna: BV). De oprichtingsakte van de BV is uiterlijk 31 maart 2026 bij de notaris gepasseerd. Is dan ook gedurende de voorperiode (de periode vóór oprichting van de BV) de gebruikelijkloonregeling (een jaarloon van € 58.000 in 2026) van toepassing? Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt in genomen.
Antwoord
Nee, gedurende de voorperiode van een bv is de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing. Deze is pas van toepassing na de daadwerkelijke notariële oprichting van de bv.
De wet bepaalt dat de gebruikelijkloonregeling van toepassing is voor een werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een BV waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. Voor toepassing van de gebruikelijkloonregeling dient dus sprake te zijn van een werknemer. In de voorperiode bestaat de BV juridisch nog niet. Daarom kan er geen sprake zijn van een (fictieve) dienstbetrekking.
Bij de inwerkingtreding van de gebruikelijkloonregeling heeft de wetgever bovendien bevestigd dat het fictieve salaris niet van toepassing is in de periode dat de BV nog in oprichting is. De toekomstige aandeelhouder geniet in die periode eventueel wel andere inkomsten uit arbeid.
Let op: De oprichter wordt in de voorperiode van de BV wel aangemerkt als aanmerkelijkbelanghouder. Dit standpunt van de staatssecretaris van Financiën heeft echter uitsluitend betrekking op situaties waarin sprake is van een terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan de BV, niet voor de gebruikelijkloonregeling.
Stelt u als werkgever een ander vervoermiddel dan een auto of fiets ter beschikking en gebruikt de werknemer dit vervoermiddel privé? Dan telt u de waarde in het economisch verkeer van het privégebruik bij het loon van de werknemer. Hoe berekent u die waarde voor bijvoorbeeld een motor, bromfiets of scooter?
Om het aantal privékilometers vast te stellen kunt u gebruikmaken van een rittenregistratie. De waarde in het economisch verkeer is het aantal privékilometers vermenigvuldigd met de werkelijke kilometerprijs. Dit telt u bij het loon voor de werknemer, maar u mag dit ook aanwijzen als eindheffingsloon als dit gebruikelijk is. Dit bedrag komt ten laste van de vrije ruimte.
Werkelijke kilometerprijs
De kilometerprijs bestaat uit de volgende kosten:
Eigen bijdrage
De eigen bijdrage voor het privégebruik houdt u in op het nettoloon. Voorwaarden zijn dat de bijdrage bestemd is voor het privégebruik en u dat vooraf met de werknemer hebt afgesproken. De eigen bijdrage komt in mindering op de bijtelling. Deze aftrek mag niet hoger zijn dan de te belasten waarde.
Voorbeeld
U stelt een werknemer een scooter ter beschikking. De werknemer rijdt met de scooter 10.000 kilometer per jaar. De totale kosten zijn € 2.500 per kalenderjaar. De werkelijke kilometerprijs is € 0,25 (€ 2.500 : 10.000). Uit de rittenregistratie blijkt dat de werknemer in een maand 300 kilometer privé heeft gereden met de scooter. De waarde van dit privégebruik is € 75 (300 x € 0,25). De eigen bijdrage van de werknemer is € 25. U telt € 50 bij het loon van de werknemer.
Woon-werkverkeer
De kilometers voor woon-werkverkeer zijn geen privékilometers. Onder woon-werkverkeer vallen ook de kilometers die de werknemer in de loop van een werkdag rijdt tussen de plek van het werk en de woning, bijvoorbeeld om thuis te lunchen.
De kilometers die de werknemer om privéredenen omrijdt naar of van het werk zijn wel privé. Bijvoorbeeld extra kilometers om een kind naar de crèche te brengen of om boodschappen te doen.
Vervoer vanwege de werkgever
Als de werknemer reist met een vervoermiddel dat u ter beschikking stelt, is sprake van vervoer vanwege de werkgever. Geeft u hiervoor een kilometervergoeding dan is dat loon van de werknemer. Als dit gebruikelijk is, mag u dit ook aanwijzen als eindheffingsloon. Dit bedrag komt ten laste van de vrije ruimte. Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt u 80% eindheffing.
Tip: Uiteraard adviseren we u graag bij het berekenen en verwerken van de bijtelling voor privégebruik van de motor, bromfiets of scooter van de zaak.
Niet-bezwaarmakers hebben geen recht op teruggave van box 3-heffing over de jaren 2017-2020 naar aanleiding van het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Zo luidt het advies van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad, die hierover uitspraak zal gaan doen. Wat is er aan de hand?
Status van een advies van de advocaat-generaal
Het gaat om een onafhankelijke analyse van en oordeel over een zaak waarover de Hoge Raad moet beslissen. Daarbij gaat het om voorlichting en advisering van de Hoge Raad. In zo’n advies wordt een zaak vaak uitvoeriger en vanuit een breder perspectief besproken dan in de uitspraak van de Hoge Raad. Daarmee dient de conclusie niet alleen de kwaliteit van de rechtspraak in de concrete zaak, maar ook de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. Zo’n advies wordt meestal gegeven door een van de advocaten-generaal in het parket, namens de procureur-generaal. De advocaten-generaal zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hun adviezen.
Aanleiding voor de zaken
De Hoge Raad heeft in het Kerstarrest geoordeeld dat het sinds 2017 geldende stelsel van box 3-heffing in strijd is met het recht op eigendom en het gelijkheidsbeginsel uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Belastingplichtigen die tijdig bezwaar hadden gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2017-2020, kwamen door dit arrest in aanmerking voor vermindering van die aanslagen, indien de box 3-heffing in de aanslag was berekend over een forfaitair rendement dat hoger is dan het werkelijke rendement.
Bij belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de aanslagen voor de jaren 2017-2020 (de niet-bezwaarmakers) staan de aanslagen onherroepelijk vast. Ook als een belastingaanslag onherroepelijk vaststaat, kan de inspecteur van de Belastingdienst echter de belastingaanslag uit eigen beweging (ambtshalve) verminderen. De inspecteur is daarbij gebonden aan het wettelijke kader voor ambtshalve vermindering. Hoofdregel is dat een belastingaanslag ambtshalve wordt verminderd als deze op een te hoog bedrag is vastgesteld. Een uitzondering geldt voor het geval dat ‘de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die pas tot stand is gekomen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan’ (hierna: de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering). Er is echter ook geregeld dat de minister van Financiën anders kan bepalen.
De minister van Financiën heeft voor de niet-bezwaarmakers met betrekking tot de box 3-heffing over de jaren 2017-2020 niet anders bepaald. Het kabinet heeft namelijk in september 2022 besloten dat de niet-bezwaarmakers niet in aanmerking komen voor vermindering van hun aanslagen.
Veel niet-bezwaarmakers hebben zich niet neergelegd bij dit kabinetsbesluit. Zij hebben met een beroep op het Kerstarrest de inspecteur toch verzocht om hun aanslagen over de jaren 2017-2020 ambtshalve te verminderen.
Massaalbezwaarplusprocedure
Omdat zoveel niet-bezwaarmakers hebben verzocht om ambtshalve vermindering van hun aanslagen, heeft de staatssecretaris van Financiën besloten deze verzoeken aan te wijzen voor de zogenoemde massaalbezwaarplusprocedure. Daarbij is als rechtsvraag geformuleerd, kort gezegd, of de niet-bezwaarmakers een beroep kunnen doen op het Kerstarrest. De toepassing van de massaalbezwaarplusprocedure houdt in dat een aantal zaken wordt geselecteerd om daarin de gemeenschappelijke rechtsvraag uit te procederen voor de rechter, en dat als de Hoge Raad uiteindelijk heeft geoordeeld over de rechtsvraag, de Belastingdienst alle andere verzoeken afhandelt op basis van dat oordeel.
Waarom wordt geprocedeerd over de rechtsvraag ondanks een eerdere uitspraak van de Hoge Raad?
Volgens de Belastingdienst en de staatssecretaris van Financiën kunnen de niet-bezwaarmakers niet met een beroep op het Kerstarrest in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering van hun aanslagen, omdat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van toepassing is. Die opvatting is in een eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022 juist geacht.
In de massaalbezwaarplusprocedure wordt desondanks opnieuw de vraag aan de orde gesteld of de niet-bezwaarmakers een beroep kunnen doen op het Kerstarrest. Dit heeft ermee te maken dat volgens diverse organisaties die opkomen voor de belangen van de niet-bezwaarmakers, niet alle relevante argumenten aan bod zijn gekomen in de eerdere uitspraak van de Hoge Raad.
Oordeel van de rechtbanken
De twee geselecteerde zaken die nu aan de orde zijn betreffen een uitspraak van de rechtbank Den Haag en een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. In beide zaken is de belanghebbende in het ongelijk gesteld. Kern van het oordeel van de rechtbanken is dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van toepassing is, waardoor de aanslagen niet hoeven te worden verminderd.
Cassatieklachten
In cassatie bij de Hoge Raad wordt geklaagd dat de rechtbanken de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering niet op de juiste wijze hebben uitgelegd en toegepast. Ook wordt betoogd dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering buiten toepassing moet blijven wegens strijd met hoger recht. Verder wordt geklaagd dat het beroep op diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur ten onrechte is afgewezen.
Advies Advocaat-Generaal (AG)
De AG is van mening dat de rechtbanken de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering op de juiste wijze hebben uitgelegd en toegepast. Er is geen aanleiding om terug te komen van de eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022.
Volgens de AG is het springende punt in deze procedures de vraag of de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaat. Die kwestie is in de eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022 niet expliciet aan bod gekomen. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat de nadelige gevolgen van een regeling voor een burger niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel dat de regelgever met die regeling wil bereiken. Volgens de AG is het kritieke punt vooral dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling voor ambtshalve vermindering, niet direct of indirect blijkt dat bij het voorzien in de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen zijn meegewogen. De AG meent evenwel dat er andere bronnen zijn – waaronder Kamerstukken uit 1952 – die voldoende aanknopingspunten bieden voor de belastingrechter om te kunnen beoordelen of de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel.
Uit die andere bronnen blijkt dat met de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering (i) budgettaire belangen, (ii) het belang van uitvoerbaarheid en (iii) het belang van rechtszekerheid worden nagestreefd. Dat zijn legitieme doelen in het algemeen belang. Volgens de AG kan niet geoordeeld worden dat de nadelige gevolgen van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering voor de belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot die doelen. Daarbij is van belang dat de belastingrechter de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt, terughoudend moet beoordelen, omdat de keuze voor de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering een politiek-bestuurlijke afweging betreft.
De AG is dan ook van oordeel dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering als zodanig verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. Ook de concrete toepassing van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering in de twee zaken is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De omstandigheid dat de box 3-heffing in strijd is met het EVRM, maakt dat volgens de AG niet anders, omdat die omstandigheid nog niet betekent dat een afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering onredelijk bezwarend is.
De AG is verder van opvatting dat het onthouden van een ambtshalve vermindering op grond van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering evenmin in strijd is met het EVRM.
Ook de andere ingediende cassatieklachten slagen volgens de AG niet.
De AG is daarom van oordeel dat de beroepen in cassatie ongegrond zijn. De oordelen van de rechtbanken kunnen in stand blijven.
Let op: Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad uitspraak doet. Regelmatig wijkt de Hoge Raad af van een advies van de advocaat-generaal. Het is dus nog geen gelopen race.
Een arbeidsongeschikte office-manager van een architectenbureau vraagt om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. Het bureau heeft volgens haar te weinig gedaan aan haar re-integratie. Ze vordert naast de wettelijke transitievergoeding ook een billijke vergoeding. Hoe oordeelt de rechter?
De bedrijfsarts
Het eerste knelpunt tussen partijen betreft de adviezen van de bedrijfsarts. Keer op keer is het advies van de bedrijfsarts geweest om de re-integratie tweewekelijks met elkaar te bespreken en te evalueren. De rechter stelt vast dat dit vrijwel nooit is gebeurd. Uit niets is gebleken dat sprake is geweest van evaluatie of concrete afspraken die bijvoorbeeld schriftelijk werden vastgelegd. Alleen bij de start van de re-integratie is inhoudelijk met elkaar gesproken. In het deskundigenoordeel van het UVW wordt eveneens gesignaleerd dat te weinig is gedaan met de adviezen van de bedrijfsarts. Ook ten aanzien van mediation heeft de werkgever onvoldoende doorgepakt. De bedrijfsarts had dit genoemd als mogelijkheid. Het is pas door de werkgever opgepakt na een negatief deskundigenoordeel. Tussen het eerste advies om mediation in te zetten en het opvolgen daarvan zit meer dan een half jaar. Het onvoldoende opvolgen van de adviezen van de bedrijfsarts is (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de werkgever.
Afname van de werkzaamheden
Volgens de office-manager heeft een collega haar taken afgenomen dan wel overgenomen. De werkgever stelt echter dat de afname van het werk kwam door toenemende digitalisering. Voor de rechter staat vast dat de officemanager recht had op re-integratiewerkzaamheden in de uren dat zij op kantoor kwam. Ook al ging de telefoon niet vaak, de werkgever had haar andere passende werkzaamheden aan moeten bieden. Archiveren, opruimen, boodschappen bestellen, desnoods het kerstpakket samenstellen. Er is altijd iets te bedenken. Uit niets is gebleken dat de werkgever de gestelde gevolgen van de digitalisering met de office-manager heeft besproken en met haar in overleg is gegaan over een zinvolle invulling van de re-integratie. De werkgever heeft zich gedurende de gehele re-integratie verscholen achter de stellinginname van de afnemende werkzaamheden door digitalisering. De werkgever heeft geen initiatief genomen om de momenten van re-integratie meer te laten zijn dan slechts een aanwezigheid. De diverse waarschuwingen van de bedrijfsarts dat dit zou leiden tot stagnering dan wel verergering van de klachten, hebben de werkgever ook niet tot actie gedreven. De rechter oordeelt dat dit eveneens (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten is aan de zijde van de werkgever.
Conclusie
De kantonrechter concludeert dat de werkgever onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie. Dit wordt onderschreven door het oordeel van het UWV. De bedrijfsarts bevestigde ook dat instandhouding van de huidige situatie ziekmakend was voor de office-manager. Een situatie waarin een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte (ernstig) veronachtzaamt, wordt door de wetgever aangeduid als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Het ontbindingsverzoek van de office-manager wordt daarom toegewezen.
De rechter wijst de verzochte wettelijk transitievergoeding toe. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt tevens een billijke vergoeding toegekend.
Let op: Regelmatig zien we procedures waarin werknemers het verwijt krijgen te weinig aan hun re-integratie te doen. In dit geval wil de werknemer de arbeidsrelatie beëindigen omdat de werkgever te weinig heeft gedaan. De rechter ziet dat als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Bij de verdeling van een nalatenschap ontstaan regelmatig overbedelingsschulden, al dan niet renteloos, die pas na overlijden van de langstlevende opeisbaar zijn. Soms zien partijen aanleiding om zo’n schuld onverplicht tussentijds af te lossen. Dan rijst de vraag of zo’n aflossing leidt tot een schenking voor de schenkbelasting. De Belastingdienst heeft de fiscale uitgangspunten overzichtelijk op een rij gezet.
In principe leidt de aflossing van een schuld niet tot een gift. Dat verandert echter, als iemand een schuld onverplicht en voortijdig aflost voor een hoger bedrag dan de contante waarde op het moment van aflossing.
Bepaling van de contante waarde
De contante waarde van een overbedelingsschuld wordt vastgesteld via de marktwaardemethode. Omdat er geen markt bestaat voor overbedelingsschulden, accepteert de Belastingdienst het gebruik van de marktrente uit artikel 38p van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze rente is openbaar en wordt jaarlijks aangepast.
Voorbeeld berekening contante waarde
Een ouder (71 jaar) heeft een renteloze overbedelingsschuld van € 100.000.
Aflossing boven dit bedrag wordt aangemerkt als schenking: de ouder betaalt meer aan het kind dan de contante waarde van de vordering.
Hoe wordt de schenking voor de schenkbelasting vastgesteld?
Als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van een schenking, moet de hoogte daarvan voor toepassing van de Successiewet worden berekend. Bij schulden met minder dan 6% samengestelde rente heeft de ouder een (fictief) vruchtgebruik over de schuld. Bij vervroegde aflossing geeft de ouder dit vruchtgebruik prijs, waardoor sprake is van een schenking.
Uitwerking van het voorbeeld
De hoogte van die schenking volgt uit de vruchtgebruiktabellen van de Successiewet.
Als de ouder de volledige schuld van € 100.000 aflost voor € 90.000, bedraagt de schenking voor de schenkbelasting: € 90.000 – € 58.000 = € 32.000.
Tip: Een behoorlijke gecompliceerde berekening dus in twee stappen om tot het bedrag van de eventuele schenking te komen. Uiteraard zijn we u graag van dienst als deze situatie bij u gaat spelen.
U ontvangt een factuur met BTW, u trekt de BTW af, maar u hebt de factuur nog niet betaald. Wat als u de factuur voorlopig niet of helemaal niet betaalt? En hoe zit het met de omgekeerde situatie: u stuurt een factuur met BTW en uw afnemer betaalt de factuur niet. Hierover heeft de Belastingdienst twee factsheets gepubliceerd.
U ontvangt een factuur die u niet betaalt
Als u aan de gebruikelijke voorwaarden voldoet, mag u de BTW aftrekken in de aangifte over het tijdvak waarin u de factuur heeft ontvangen. Dat mag ook als de factuur nog niet betaald is.
U moet de afgetrokken btw echter terugbetalen als vaststaat dat u de factuur waarop de BTW is vermeld niet zult betalen.
Er zijn 2 mogelijkheden:
Betaalt u later (een deel van de) factuur alsnog? Dan heeft u over het tijdvak waarin de factuur alsnog is betaald weer recht op (gedeeltelijke) teruggaaf van BTW.
U stuurt een factuur die uw afnemer niet betaalt
U mag BTW terugvragen als de afnemer de factuur niet heeft betaald en niet gaat betalen, en u de BTW al hebt afgedragen in de aangifte
Er zijn 2 mogelijkheden:
Betaalt de afnemer later alsnog? Dan moet u de BTW opnieuw aangeven in het tijdvak waarin de betaling is ontvangen.
Per 1 mei 2026 is de Belastingdienst veranderd van huisbank. De Belastingdienst is overgestapt van ING naar Rabobank. Daardoor zijn de rekeningnummers van de Belastingdienst gewijzigd. Burgers en bedrijven moeten de belastingen op een ander rekeningnummer betalen en eventuele periodieke overboekingen aanpassen.
De wijziging van huisbank volgt uit een periodieke aanbesteding van het betalingsverkeer door het ministerie van Financiën. Betalingen na 1 mei 2026 op het oude rekeningnummer worden gedurende een overgangstermijn van 1 jaar nog wel juist verwerkt.
Nieuw rekeningnummer
Burgers en bedrijven vinden het nieuwe Rabobank-rekeningnummer waarop betaald moet worden in de betaalinformatie die zij van de Belastingdienst krijgen per brief of digitale post, zoals bij een belastingaanslag. Betalen kan op de manieren die burgers en bedrijven gewend zijn, bijvoorbeeld via internetbankieren.
Overboekingen
Bij een zelf ingestelde periodieke overboeking, bijvoorbeeld voor termijnen van een betalingsregeling, moeten burgers en bedrijven het rekeningnummer in de periodieke overboeking aanpassen.
Bij betalingen met iDEAL | Wero via de Belastingdienst-portalen of via automatische incasso hoeven burgers en bedrijven niets aan te passen.
Wie geld ontvangt van de Belastingdienst ziet dat dit vanaf 1 mei 2026 steeds vaker vanaf een Rabobank-rekeningnummer wordt overgemaakt.
Phishing
Bij wijzigingen in betaalgegevens is er een kans op phishing. Criminelen kunnen proberen misbruik te maken van het nieuwe rekeningnummer door valse berichten te versturen. De Belastingdienst vraagt nooit via e-mail, sms, berichten-apps of telefoon om betaalgegevens of om direct geld over te maken. Twijfelt u of een bericht of telefoontje echt van de Belastingdienst is? Volg dan het stappenplan op belastingdienst.nl/phishing en controleer altijd of het rekeningnummer in de lijst met rekeningnummers staat.
Tip: Op belastingdienst.nl/bank vindt u de meest actuele informatie over de overstap van bank en de nieuwe rekeningnummers.
Als de werkgever een laadpaal bij de woning van de werknemer laat plaatsen of hiervoor een vergoeding geeft, is het gevolg voor de loonheffingen afhankelijk van de situatie. Er zijn drie mogelijkheden. De handreiking van de Belastingdienst hierover is herzien.
De voordelen van een laadpaal bij de woning van de werknemer zijn verwerkt in de bijtelling, als de werkgever een auto ter beschikking heeft gesteld. Voor een werknemer met een eigen auto mag de werkgever maximaal € 0,23 per zakelijke kilometer onbelast vergoeden. Dit is inclusief de kosten voor de laadpaal.
Als de werkgever een laadpaal bij de woning van de werknemer laat plaatsen of als de werkgever hiervoor een vergoeding geeft, is het gevolg voor de loonheffingen afhankelijk van de situatie. Er kan sprake zijn van 3 situaties:
1. Meer dan 500 kilometer privé
Voor een werknemer voor wie de bijtelling privégebruik auto geldt, is de vergoeding of verstrekking van een laadpaal in de waarde van het privégebruik verwerkt. De werkgever hoeft dus geen rekening te houden met een extra bedrag aan loon (in natura), ongeacht of een laadpaal is opgenomen in de catalogusprijs.
2. Niet meer dan 500 kilometer privé
Als de werknemer aantoonbaar niet meer dan 500 privékilometers per kalenderjaar rijdt, is geen sprake van bijtelling. Ook dan is de vergoeding of verstrekking van een laadpaal geen loon voor de werknemer. De laadpaal is bedoeld voor zakelijk gebruik.
Vergoeding elektriciteit voor auto van de zaak
Geeft de werkgever een vergoeding voor de werkelijke elektriciteitskosten die de werknemer maakt voor de auto van de zaak, dan is dit geen loon. Dit zijn intermediaire kosten en de werkgever kan deze daarom onbelast vergoeden. In plaats van het vergoeden van de werkelijke kosten, kan de werkgever er ook voor kiezen om een onbelaste zakelijke afspraak met de werknemer te maken.
Werkelijke kosten
De werkgever mag de integrale kostprijs van de elektriciteit onbelast vergoeden aan de werknemer. De integrale kostprijs wordt berekend door de variabele en vaste kosten van de werknemer te delen door het aantal door de werknemer verbruikte kWh. Tot die kosten kan ook een evenredig deel van de afschrijving van zonnepanelen behoren. Ook de kosten van een meter om het feitelijk verbruik vast te stellen, zijn onderdeel van de kostprijs.
Gebruikt de werknemer voor het opladen van de auto van de zaak een openbare laadpaal? Dan kan de werkgever de kosten die de werknemer betaalt, onbelast vergoeden. Als de werknemer een laadpaal op de werkplek gebruikt voor het opladen van de auto van de zaak, mag dit onbelast.
Zakelijke afspraak
Een werkgever kan ook een zakelijke afspraak met de werknemer maken over de doorlevering van energie. Als de werkgever een zakelijke afspraak maakt, is geen sprake van loon. Een afspraak is zakelijk als het tarief in combinatie met de duur van het contract marktconform is. Het gaat om de energiemarkt op het moment van het maken van de afspraak. Bij een zakelijke afspraak kan de werknemer ook de door zonnepanelen opgewerkte energie meeleveren.
Geen vaste vergoeding
De werkgever mag geen onbelaste vaste vergoeding geven voor intermediaire kosten op basis van een gemiddelde elektriciteitsprijs (van bijvoorbeeld het CBS). Wil de werkgever toch een vaste onbelaste vergoeding per kWh geven? Dan is dit alleen mogelijk als hij aannemelijk kan maken dat deze vergoeding gelijk is aan de integrale kostprijs die de werknemer is verschuldigd aan zijn energiemaatschappij.
Laadpaal niet terugeisen
Is de laadpaal eigendom van de werknemer en eist de werkgever deze niet terug bij beëindiging van de lease- of arbeidsovereenkomst? Dan is geen sprake van loon voor de werknemer. Er is dan namelijk geen nieuw genietingsmoment omdat de werknemer al eigenaar is van de laadpaal. Hierop kan een uitzondering gelden. Als de werkgever een teruggaafbeding heeft afgesproken bij de verstrekking en de werkgever hier geen gebruik van maakt, kan wel sprake zijn van loon. Of dit zo is in een concreet geval, hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden.
Is de laadpaal geen eigendom van de werknemer maar is bijvoorbeeld de leasemaatschappij of de werkgever eigenaar? Dan is wel sprake van loon als de werkgever deze niet terugeist bij beëindiging van de lease- of arbeidsovereenkomst.
3. Eigen auto werknemer
Laat de werkgever een laadpaal bij de werknemer thuis plaatsen voor de eigen auto of vergoedt de werkgever de kosten hiervan? Dan mag dit onbelast, zolang dat past binnen de onbelaste vergoeding van maximaal € 0,23 per kilometer.
Vergoedingen of verstrekkingen die de werkgever naast € 0,23 per kilometer betaalt, zijn loon. Dit geldt ook voor de elektriciteit voor de auto en eventuele aanpassingen, zoals een extra groep in de meterkast en een meter om het verbruik te meten. De werkgever kan dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon als aan de gebruikelijksheidseis is voldaan. Dit valt dan onder de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Een consulente heeft met een relatiebemiddelingsbureau een overeenkomst gesloten om voor dat bureau diensten te verrichten. Ze ontvangt een percentage van de door het bureau aan cliënten in rekening gebrachte en betaalde fee. Haar inkomsten geeft ze aan als winst uit onderneming. De Belastingdienst corrigeert dat naar loon uit dienstbetrekking. Hoe oordeelt de rechter?
Beoordeling ondernemerschap
Volgens de wet moet eerst worden beoordeeld of de inkomsten winst uit onderneming vormen. Onder het begrip ‘onderneming’ wordt mede verstaan ‘het zelfstandig uitgeoefende beroep’ en onder ‘ondernemer’ de ‘beoefenaar van een zelfstandig beroep’. Daarvan is sprake als men de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt. Bij de beoordeling of sprake is van ondernemerschap dient onder meer te worden gelet op de duurzaamheid en de omvang van de werkzaamheden, de grootte van de brutobaten, de winstverwachting, het lopen van (ondernemers)risico, de daarvoor beschikbare en bestede tijd, de bekendheid die naar buiten aan de werkzaamheid wordt gegeven, het aantal opdrachtgevers en het spraakgebruik. Deze vereisten worden in onderlinge samenhang bezien.
Toetsing
De consulente werkt gemiddeld ongeveer 35 uur per week voor het bureau. Ze zijn als volgt opgebouwd. Eerst voert zij een oriënterend gesprek met een potentiële cliënt (potential). Indien volgens de consulente sprake is van een geschikte kandidaat, vindt een intakegesprek plaats. De consulente noteert tijdens het intakegesprek relevante gegevens en maakt afspraken over het pakket dat de potential wenst af te nemen van het bureau en de wijze van betaling aan het bureau (ineens of in termijnen). De consulente stuurt deze informatie naar het bureau. Het bureau stuurt daarna een overeenkomst met factuur naar de potential, welke de potential ondertekent en vervolgens (rechtstreeks aan het bureau) betaalt. De consulente ontvangt op dat moment haar provisie (22%) van het bureau. Het bureau gaat vervolgens op zoek naar een match voor de cliënt. Hoewel het werk van de consulente dan in principe klaar is, houdt zij zich beschikbaar voor nader overleg op initiatief van het bureau, bijvoorbeeld over een potentiële match. In uitzonderlijke gevallen komt het voor dat een cliënt veeleisender is en er regelmatig contact is tussen de consulente en de cliënt en/of het bureau.
De consulente heeft dagelijks contact met het bureau. Zij heeft ook regelmatig contact met andere consulenten van het bureau (er wordt vergaderd via beeldbellen) en zij heeft één keer in de zes weken een bijeenkomst met tien andere consulenten, die de gehele dag duurt.
De consulente heeft naast het bureau geen andere opdrachtgevers waarvoor zij betaalde werkzaamheden verricht. Ze staat niet als ondernemer ingeschreven in het Handelsregister. Ze stuurt geen facturen aan het bureau. Ze doet geen aangifte omzetbelasting.
Het bureau verstrekt maandelijks een schriftelijke opgave van de over die maand door het bureau verschuldigde provisie. Het bureau geeft de aan de consulente uitbetaalde provisie door middel van een IB-47 formulier (uitbetaalde bedragen aan derden) door aan de Belastingdienst.
Overwegingen rechter
De rechter is van oordeel dat geen sprake is van winst uit onderneming. Hoewel een bepaalde mate van vrijheid in haar werkzaamheden inherent is aan haar beroep, heeft de consulente onvoldoende zelfstandigheid ten opzichte van het bureau.
Ze is verplicht de door het bureau ter beschikking gestelde vragenformulieren (de intake-kaart en het partnerformulier) te gebruiken. Ze moet betalingsafspraken maken conform de hiervoor door het bureau opgestelde regeling en ze moet de vragenformulieren en bemiddelingsovereenkomsten binnen 24 uur naar het bureau verzenden. Bij afwezigheid moet ze zelf zorg dragen voor vervanging, bijvoorbeeld door de telefoon door te schakelen naar de regioleid(st)er of een andere consulent. Dus het bureau bepaalt onder welke voorwaarden wordt gewerkt.
De omstandigheid dat de consulente zelf mag bepalen op welk tijdstip zij afspraken met potentials maakt, beoordeelt of sprake is van een geschikte kandidaat, met potentials bespreekt welk pakket de potential wenst af te nemen en de wijze van betaling aan het bureau (ineens of in termijnen) met de potential afstemt, doet daaraan niet af.
Hoewel de consulente stelt dat zij over haar provisie onderhandelt en deze niet, zoals de Belastingdienst stelt, eenzijdig door het bureau wordt vastgesteld, heeft de consulente geen bewijs overgelegd waaruit dergelijke onderhandelingen blijken. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Belastingdienst had dit wel op haar weg gelegen. De consulente heeft daarom ook niet aannemelijk gemaakt dat zij zelfstandigheid ten aanzien van haar tariefstelling heeft.
De consulente heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij ondernemersrisico loopt. Ze heeft slechts één opdrachtgever. Ze heeft met het bureau een overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Dit brengt mee dat er voor haar geen continuïteitsrisico bestaat. Hoewel ze stelt dat zij debiteurenrisico loopt omdat haar provisie afhankelijk is van betaling door de cliënt aan het bureau, heeft zij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk te maken heeft met wanbetaling of daarmee rekening houdt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van het debiteurenrisico door de Belastingdienst had dit wel op haar weg gelegen. Niet aannemelijk is dat zij daadwerkelijk debiteurenrisico loopt.
Het feit dat de balansopstellingen van de consulente in de aangiften geen activa en passiva bevatten, betekent dat van een investeringsrisico ook geen sprake kan zijn. Bovendien is ze niet naar buiten getreden als ondernemer. Zij stond niet ingeschreven in het Handelsregister en de reclame-uitingen die zij heeft laten zien zijn uit latere jaren en vermelden bovendien dat ze werkzaam is bij het bureau.
Conclusie
Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat geen sprake is van winst uit onderneming.
Vervolgens wordt beoordeeld of de inkomsten loon uit dienstbetrekking vormen. Volgens de wet wordt als (fictieve) dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan.
De rechter is van oordeel dat sprake is van zo’n fictieve dienstbetrekking tussen de consulente en het bureau.
Let op: Omdat volgens de rechter geen sprake is van winst uit onderneming, mist de consulente de fiscale aftrekposten voor ondernemers en betaalt ze dus meer inkomstenbelasting over haar fee.