Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170

  • Home
  • Diensten
    • Online boekhouding
    • Belastingaangiften
    • Salarisadministratie
    • Jaarrekeningen
    • Basisadministratie
    • Starterspakket MKB
    • Financiële rapportages
    • Werken bij jou op locatie
  • Abonnementen
    • Brons
    • Zilver
    • Goud
    • Platinum
  • Over ons
  • Nieuws
  • Contact
  • Jouw dashboard
Nieuws & Tips die Tijd & Geld opleveren
Gebruikelijk loon voor werk in BV echtgenote

Gebruikelijk loon voor werk in BV echtgenote

23 aug

Bij een belastingcontrole van een BV met een handel in bier, breezers en laag alcoholische dranken  komt naar voren dat de man van de aandeelhoudster af en toe werkzaamheden voor deze BV verricht. De echtgenote zelf heeft elders een baan en doet eigenlijk niets voor haar BV. Volgens de man is zijn rol zeer beperkt, maar de Belastingdienst stelt vast dat hij wel degelijk meer doet en corrigeert zijn inkomen met het volle wettelijke fictieve loon. Hoe oordeelt de rechter?

Overwegingen rechter
Op grond van de wet geldt ten aanzien van iemand die in betekende mate arbeid verricht voor een BV waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, dat het belastbare loon niet lager wordt gesteld dan op het uit de wet voortvloeiende bedrag. Dit geldt ongeacht of daadwerkelijk loon is ontvangen.

Vast staat dat de echtgenote aanmerkelijk-belanghouder was van de BV. Beslissend voor het geschil is daarmee of de man in betekende mate arbeid heeft verricht voor de BV. De bewijslast daarvan rust op de Belastingdienst.

Uit het rapport van het boekenonderzoek blijkt van activiteiten van de BV die noodzakelijkerwijs substantiële arbeid vergden, en voorts dat de BV geen personeel in dienst had noch anderszins werkkracht inhuurde. Tijdens de controle kon of wilde de echtgenote, ook op indringend verzoek van de Belastingdienst, niet antwoorden op vragen over het reilen en zeilen van de onderneming. Die vragen werden uiteindelijk steeds beantwoord door haar man. De echtgenote werkte op oproepbasis in de medische zorg. Van een werkkring van de man anders dan bij de BV is niet gebleken.

De man voert aan dat hij vanaf 2012 volledig is afgekeurd en een WIA-uitkering ontvangt, waardoor hij onmogelijk meer dan hand- en spandiensten heeft kunnen verrichten. Maar volgens de rechter blijkt dat laatste nergens uit. Ook blijkt nergens uit dat de echtgenote feitelijk volledig verantwoordelijk was voor de dagelijkse bedrijfsvoering.

Daarom acht de rechter aannemelijk dat de werkzaamheden die waren gemoeid met de onderneming van de BV in overwegende mate door de man werden verricht, en voorts dat deze van een zekere omvang waren.

Nu aan de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van gebruikelijk loon wordt voldaan, blijft over de vraag naar welk bedrag dit loon moet worden vastgesteld. Anders dan de man meent, behoeft de vaststelling van het gebruikelijk loon op het normbedrag van (destijds) € 44.000 in beginsel geen nadere toets of motivering. Het volgt rechtstreeks uit de wettekst. Dat bijvoorbeeld geen formele functie is vastgesteld en geen loon is betaald aan de man doet dus niet ter zake. De Belastingdienst hoeft ook niet aan te tonen dat de BV winst heeft gemaakt. De bewijslast dat het gebruikelijk loon op een lager bedrag moet worden vastgesteld, rust volledig op de man. Maar hiervoor levert hij geen enkele onderbouwing aan.

Conclusie
Het gelijk is aan de Belastingdienst. De correctie is terecht toegepast.

Let op: Het wordt nog wel eens vergeten. Als een man in betekende mate werkzaamheden verricht voor de BV van zijn vrouw, geldt voor hem de fictief loonregeling in volle omvang.

Startersvrijstelling bij sloop en nieuwbouw woning na aankoop?

Startersvrijstelling bij sloop en nieuwbouw woning na aankoop?

20 aug

Wie een eerste woning koopt, kan mogelijk gebruikmaken van de startersvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Maar aan die vrijstelling zijn strikte voorwaarden verbonden. Een recente uitspraak van de Belastingrechter laat zien dat een onjuiste toepassing kan leiden tot een naheffing. Waar ging het mis?

Een echtpaar kocht een woning en deed een beroep op de startersvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. Al vóór de aankoop waren de kopers van plan deze woning volledig te slopen, inclusief de fundering, om op dezelfde locatie een nieuwe woning te bouwen. Dat plan is na de overdracht ook uitgevoerd.

De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de vrijstelling toch van toepassing was, omdat de kopers de bedoeling hadden om duurzaam op dat adres te gaan wonen. Het Gerechtshof kwam echter tot een ander oordeel.

Volgens het hof moet een koper de verkregen woning daadwerkelijk anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken. Daarvan was in dit geval geen sprake. De bestaande woning werd namelijk direct na de aankoop volledig gesloopt, waarna een geheel nieuwe woning werd gebouwd. De kopers zijn dus uiteindelijk niet in de aangekochte woning gaan wonen, maar in de nieuw gebouwde woning.

Het hof wees er bovendien op dat de wet wel ruimte biedt om een woning in aanbouw onder omstandigheden als woning aan te merken, bijvoorbeeld wanneer de fundering al is aangebracht. Dat betekent echter niet dat een bestaande woning die volledig wordt gesloopt, inclusief de fundering, voor de startersvrijstelling gelijk kan worden gesteld met een woning in aanbouw. Omdat de oorspronkelijke woning volledig ophield te bestaan, werd niet voldaan aan het wettelijke hoofdverblijfcriterium.

De naheffingsaanslag overdrachtsbelasting bleef daarom in stand. De opgelegde boete werd door het hof wel vernietigd.

Tip: Bent u van plan een woning ingrijpend te verbouwen of zelfs volledig te slopen om nieuwbouw te realiseren? Laat dan vooraf beoordelen welke gevolgen dat heeft voor de overdrachtsbelasting. De startersvrijstelling geldt alleen als u de verkregen woning daadwerkelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken. Bij volledige sloop kan de Belastingdienst de vrijstelling weigeren en de verschuldigde overdrachtsbelasting alsnog naheffen.

Medische btw-vrijstelling schoonheidsspecialiste?

Medische btw-vrijstelling schoonheidsspecialiste?

15 aug

Schoonheidsspecialistes verrichten steeds vaker behandelingen die naast een cosmetisch ook een medisch karakter kunnen hebben. De Belastingdienst heeft in een nieuw kennisgroepstandpunt verduidelijkt of en wanneer voor dergelijke behandelingen de medische btw-vrijstelling kan gelden. De voorwaarden blijken strikt en vragen om een goede onderbouwing en administratie. Wanneer mag u een behandeling zonder btw factureren?

Volgens de kennisgroep omzetbelasting zijn de diensten van een schoonheidsspecialiste in beginsel belast met 21% btw, omdat deze meestal zijn gericht op uiterlijke verzorging. Alleen wanneer een behandeling kwalificeert als gezondheidskundige verzorging van de mens, kan de medische vrijstelling van toepassing zijn.

Daarvoor is niet voldoende dat een cliënt een medische klacht ervaart. Het therapeutische doel van de behandeling moet objectief worden vastgesteld door een daartoe bevoegde medische beroepsbeoefenaar, zoals een arts. Een schoonheidsspecialiste kan dit volgens de Belastingdienst niet zelfstandig beoordelen, omdat haar deskundigheid is gericht op cosmetische verzorging en niet op medische diagnostiek.

Bij behandelingen zoals laserontharing en acnétherapie geldt daarom als uitgangspunt dat deze met btw zijn belast. Alleen wanneer uit een medische diagnose blijkt dat de behandeling een therapeutisch doel dient, kan in een individueel geval de vrijstelling worden toegepast. De medische onderbouwing moet bovendien zorgvuldig in de administratie worden bewaard.

De kennisgroep noemt als voorbeeld van een behandeling die wel onder de vrijstelling kan vallen permanente make-up voor een tepelreconstructie na een borstamputatie. In zo'n situatie ligt het therapeutische karakter van de behandeling voor de hand.

Daarnaast geldt nog een belangrijke voorwaarde. De behandeling moet worden verricht op een kwaliteitsniveau dat gelijkwaardig is aan dat van een vergelijkbare behandeling door een Wet BIG-beroepsbeoefenaar. Alleen wanneer ook aan deze eis is voldaan, kan de medische btw-vrijstelling worden toegepast.

Tip: Wilt u de medische btw-vrijstelling toepassen? Controleer dan vooraf of u aan de voorwaarden voldoet. Een medische diagnose alleen is niet altijd voldoende. Zorg ook voor een goede administratieve vastlegging en beoordeel of de behandeling voldoet aan het vereiste kwaliteitsniveau. Dat kan een naheffing van 21% btw, vermeerderd met belastingrente en eventuele boetes, voorkomen.

Arbobudget thuiswerkplek vrijgesteld?

Arbobudget thuiswerkplek vrijgesteld?

13 aug

Een werkgever heeft in zijn arboplan opgenomen dat thuiswerken op een arboverantwoorde manier moet plaatsvinden. Iedere werknemer mag tot een bedrag van € 500 aan arbovoorzieningen voor thuis aanschaffen en declareren bij de werkgever. Is de vrijstelling voor arbovoorzieningen van toepassing op de vergoeding?

Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst onlangs een standpunt gepubliceerd.

De werkgever is op grond van de Arbowet gehouden zorg te dragen voor arbovoorzieningen en de kosten voor zijn rekening te nemen. Als hoofdregel geldt daarom dat de vrijstelling niet kan worden toegepast als de werknemer een eigen bijdrage verschuldigd is.

De vrijstelling is van toepassing als de aangeschafte voorziening voldoet aan de arbowettelijke eisen en de vergoeding kostendekkend is. Als de vergoeding niet kostendekkend is, bijvoorbeeld omdat een deel van de kosten vanwege een overschrijding van het budget niet wordt uitbetaald, is de vrijstelling in beginsel niet van toepassing.

Dit is alleen anders als de werkgever aannemelijk kan maken dat de werknemer voor het gedeclareerde bedrag een goedkopere arbovoorziening met een vergelijkbare functionaliteit had kunnen kopen. In dat geval houdt de eigen bijdrage immers geen verband met de naleving van de arbowetgeving, maar ziet deze op het verschil tussen een voorziening die voldoet aan de specifieke richtlijnen voor plaatsonafhankelijke arbeid en een duurdere uitvoering hiervan. Het is dan enkel de persoonlijke keuze van de werknemer die ertoe leidt dat de gekozen arbovoorziening duurder is.

In een reeks van meerdere declaraties kan het zijn dat het totaalbedrag van de arbovoorzieningen meer bedraagt dan het budget dat door de werkgever ter beschikking is gesteld.

Voorbeeld
De werkgever stelt een bedrag van € 500 ter beschikking voor de aanschaf van arbovoorzieningen voor thuis. Een werknemer schaft aan: (1) een geschikte bureaustoel (€ 200), (2) een extra beeldscherm (€ 225) en (3) een noise-cancelling koptelefoon (€ 100) en declareert de kosten hiervan bij zijn werkgever.

  • Als de kosten van de verschillende arbovoorzieningen opeenvolgend worden gedeclareerd, is de vergoeding voor de bureaustoel en het beeldscherm gericht vrijgesteld. De vergoeding voor de koptelefoon is echter in beginsel belast, omdat de kosten van de koptelefoon – vanwege de budgetnorm - niet volledig voor rekening van de werkgever komen.
  • In het geval dat de verschillende kosten van de arbovoorzieningen gelijktijdig worden gedeclareerd, staat het de werkgever vrij om te kiezen aan welke voorziening de eigen bijdrage wordt toegerekend.

Als de werkgever aannemelijk kan maken dat de werknemer met bijvoorbeeld € 75 een koptelefoon met een vergelijkbare functionaliteit had kunnen kopen, is voor die voorziening geen sprake van een eigen bijdrage.

Let op: Een werkgever kan zijn verplichtingen op grond van de Arbowet niet nakomen door enkel een budget voor arbovoorzieningen toe te kennen aan zijn werknemers. Als de Arbowet hem verplicht tot het nemen van aanvullende maatregelen, is hij gehouden alle kosten hiervan voor zijn rekening te nemen.

Pensioen DGA gaat in: gevolg voor gebruikelijk loon

Pensioen DGA gaat in: gevolg voor gebruikelijk loon

9 aug

Veel DGA’s combineren ondernemerschap met een afbouwende carrière, bijvoorbeeld omdat zij richting pensioen gaan of minder uren in de onderneming werken. Toch blijft de wettelijke regeling voor het gebruikelijk loon van toepassing zolang werkzaamheden voor de eigen BV worden verricht. De rechter maakte onlangs weer duidelijk dat een lager loon goed moet worden onderbouwd.

Deze zaak betrof een directeur-grootaandeelhouder (DGA) van meerdere vennootschappen. Hij verrichtte werkzaamheden voor zijn BV’s, maar hij gaf slechts een beperkt inkomen aan. Hij stelde dat een gebruikelijk loon van € 12.000 op jaarbasis passend was, omdat hij inmiddels met pensioen was en nog maar ongeveer één dag per maand werkzaamheden verrichtte.

De Belastingdienst was het daar niet mee eens en corrigeerde het inkomen. Volgens de Belastingdienst moest het wettelijke gebruikelijk loon worden toegepast. Dat was destijds € 47.000 (in 2026 is het normbedrag € 58.000). De DGA moest aannemelijk maken dat een lager loon passend was.

De rechter stelde vast dat de DGA onvoldoende concrete informatie had verstrekt over zijn werkzaamheden. Zo was niet duidelijk welke activiteiten hij precies verrichtte voor de verschillende vennootschappen, hoeveel tijd daarmee gemoeid was en waarom een lager loon zakelijk verdedigbaar zou zijn. Dat hij op leeftijd was en mogelijk minder uren werkte, vond de rechter onvoldoende. Ook deeltijdwerk betekent niet automatisch dat het gebruikelijk loon evenredig lager mag worden vastgesteld.

De rechter gaf daarom de Belastingdienst gelijk. De correctie van het gebruikelijk loon bleef in stand. Hierdoor werd het belastbare inkomen van de DGA verhoogd met ongeveer € 35.000.

Tip: Wilt u als DGA een lager gebruikelijk loon toepassen? Dan is een goede onderbouwing cruciaal. Leg bijvoorbeeld vast welke werkzaamheden u nog verricht, hoeveel tijd hiermee gemoeid is, welke vergelijkbare functies op de arbeidsmarkt bestaan en waarom een lager loon zakelijk verantwoord is. Alleen verwijzen naar leeftijd, pensioen of een beperkte inzet is onvoldoende. We adviseren u hier graag bij.

Meer vrijheid voor werknemer door modernisering concurrentiebeding

Meer vrijheid voor werknemer door modernisering concurrentiebeding

6 aug

Het kabinet past het concurrentiebeding aan. Het moet voor werknemers makkelijker worden om van baan te wisselen. Dit wordt nu te veel beperkt doordat te veel werknemers een concurrentiebeding hebben. Ook voor werkgevers is het daardoor moeilijker om personeel aan te trekken. Vandaar het Wetsvoorstel modernisering concurrentiebeding. Wat zijn de hoofdlijnen?

Een concurrentiebeding is een afspraak voor werknemers die geldt als zij vertrekken naar een volgende baan. Zo kan een werknemer na het einde van het contract niet gelijk bij de concurrent aan de slag. Ook een relatiebeding dat verbiedt om te werken voor of bij relaties van de voormalige werkgever valt hieronder. Het doel van deze afspraken is om te voorkomen dat werknemers cruciale informatie meenemen die het bedrijf kunnen schaden, zoals bedrijfsgeheimen of klantgegevens.

Uit onderzoek blijkt dat het gebruik van het concurrentiebeding is verdubbeld. Inmiddels heeft een derde van de werknemers ermee te maken. Vaak is hier geen reden voor, want veel van hen werken niet met bedrijfsgeheimen of klantgegevens. In die gevallen is het dus onterecht om een concurrentiebeding te gebruiken. Dit wordt vaak toch opgenomen door werkgevers om te voorkomen dat personeel naar de concurrent vertrekt. Dit belemmert de doorstroom op de arbeidsmarkt. 

De voorgestelde wet scherpt de bestaande regels voor het concurrentiebeding aan:

  • Een concurrentiebeding kan maximaal één jaar effect hebben na het einde van de arbeidsovereenkomst.
  • Het gebied waarin de werknemer niet mag werken vanwege het concurrentiebeding moet worden vermeld.
  • Het zwaarwegende bedrijfs-of dienstbelang voor een concurrentiebeding moet worden gemotiveerd voor alle arbeidsovereenkomsten (dus niet alleen voor tijdelijke arbeidsovereenkomsten, zoals nu het geval is).
  • Een werkgever moet de werknemer een vergoeding betalen wanneer een beroep op het concurrentiebeding wordt gedaan.
  • De vergoeding bedraagt 50% van het laatstverdiende maandloon, voor elke maand dat het concurrentiebeding wordt ingeroepen. Wordt het beding bijvoorbeeld voor zes maanden ingeroepen, dan heeft de werknemer recht op een vergoeding van drie maanden loon.

Het streven is om het wetsvoorstel eind 2026 aan te bieden aan de Tweede Kamer.

Tip: Loop in de komende periode uw arbeidsovereenkomsten al vast na en breng de wijzigingen in kaart die het wetsvoorstel met zich meebrengt.

Gebruikelijk loon zieke DGA

Gebruikelijk loon zieke DGA

1 aug

De man van een eigenares van een schoonheidssalon richt een holding en een werkmaatschappij op en neemt de schoonheidssalon, inmiddels failliet, over. Hij  heeft in de BV slechts een adviserende en coachende rol. Maar hij correspondeert wel namens de BV met de Belastingdienst. De echtgenote ontvangt uit de BV een salaris van € 26.500. Kort na de overname wordt de man ernstig ziek. De Belastingdienst legt hem een aanslag op met een gebruikelijk loon  van € 26.500. Hoe oordeelt de rechter?

Standpunt man
De man stelt dat hij vanwege medische redenen geen feitelijke werkzaamheden heeft verricht voor de BV, zodat niet aan de vereisten voor gebruikelijk loon is voldaan. De werkzaamheden die hij wel heeft verricht, zijn geschied op arbeidstherapeutische basis. Verder betoogt hij dat van een lager gebruikelijk loon moet worden uitgegaan.

Overwegingen rechter
Ten aanzien van de werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft, wordt het van dat lichaam genoten loon (het gebruikelijke loon) ten minste gesteld op het hoogste van de volgende bedragen:

  • 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking;
  • het hoogste loon van de werknemers die in dienst zijn van het lichaam;
  • € 45.000 (Destijds! In 2026: € 58.000).

Vaststaat dat de man een aanmerkelijk belang heeft in BV en dat de echtgenote de meestverdienende werknemer van de BV is met een jaarloon van € 26.500. Daarom heeft de Belastingdienst het gebruikelijk loon van de man gesteld op € 26.500.

De man betoogt dat hij geen arbeid heeft verricht voor de BV en dat daarom de gebruikelijkloonregeling geen toepassing vindt. Gelet op deze betwisting dient de Belastingdienst te bewijzen dat de man wel arbeid voor de BV heeft verricht. Dat is geslaagd: de man heeft namelijk met de Belastingdienst gecorrespondeerd over fiscale zaken en dus administratieve werkzaamheden verricht, hoe gering ook. Verklaringen van de huisarts en echtgenote over de gezondheidstoestand van de man doen er niet aan af dat hij deze werkzaamheden heeft verricht, zodat deze verklaringen het bewijs niet aantasten.

Vervolgens mag de man bewijzen dat ter zake van de meest vergelijkbare dienstbetrekking waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt, in het economische verkeer een lager loon gebruikelijk is. Met de enkele verwijzing naar de verklaringen van de huisarts en zijn echtgenote is de man niet in deze bewijslast geslaagd. Anders dan hij stelt, kan uit deze verklaringen bovendien niet worden afgeleid dat hij om medische redenen slechts tot arbeidstherapeutische werkzaamheden in staat is waarmee geen loon kan worden genoten.

Slotsom
Het gelijk is aan de Belastingdienst. De aanslag  is terecht opgelegd.

Let op: De wettelijke regeling rond het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder bevat een bewijsvolgorde. Deze dient serieus te worden genomen, zo blijkt ook weer uit deze uitspraak.

Compensatieregeling transitievergoeding vervalt

Compensatieregeling transitievergoeding vervalt

30 jul

Vanaf 2027 krijgen werkgevers geen geld meer terug van de overheid voor de transitievergoeding die ze betalen bij ontslag als gevolg van arbeidsongeschiktheid. Dit geldt ook voor de compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging vanwege pensionering of overlijden van de werkgever.

Het vorige kabinet had al voorgesteld om de compensatie als gevolg van ontslag bij arbeidsongeschiktheid bij grotere werkgevers af te schaffen. In het coalitieakkoord van het huidige kabinet staat dat de compensatie voor alle werkgevers verdwijnt. Het kabinet kiest ervoor om de compensatieregelingen per 1 januari 2027 af te schaffen, ook voor kleine werkgevers. 

Transitievergoeding
De hoogte van de transitievergoeding bij ontslag wordt bepaald op basis van twee onderdelen: het maandsalaris en de duur van het dienstverband. De vergoeding is per 1 januari 2026 maximaal € 102.000 bruto, of, als het jaarsalaris hoger is dan € 102.000, maximaal 1 bruto jaarsalaris.

Let op: In het coalitieakkoord is afgesproken dat ook de transitievergoeding zelf hervormd wordt. Deze moet mensen nog meer gaan helpen bij het begeleiden van werk naar werk. Zo wordt er gekeken of werkgevers die tijdig en voldoende hebben geïnvesteerd in bijscholing, omscholing of zich maximaal inzetten rondom de re-integratieverplichtingen uit de Wet poortwachter, lagere tot helemaal geen verplichtingen hebben ten aanzien van de nieuwe transitievergoeding. Hiervoor is echter nog geen voorstel gepubliceerd.

Definitief geen rechtsherstel box 3 voor niet-bezwaarmakers (2017–2020)

Definitief geen rechtsherstel box 3 voor niet-bezwaarmakers (2017–2020)

26 jul

Op 25 juni 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de procedure Massaal Bezwaar Plus. Deze procedure geldt voor iedereen die geen of te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het box 3-inkomen over 2017 tot en met 2020. Volgens de Hoge Raad hebben deze niet-bezwaarmakers geen recht op rechtsherstel box 3. Wat zijn hiervan de gevolgen?

Niet-bezwaarmakers mogen hun werkelijk rendement over 2017-2020 niet doorgeven
Mensen die geen of te laat bezwaar hebben gemaakt, hebben volgens de Hoge Raad geen recht op rechtsherstel. Zij mogen daarom het formulier Opgaaf werkelijk rendement voor 2017 tot en met 2020 niet invullen.

De uitspraak geldt ook voor:

  • mensen die niet hebben meegedaan aan het massaal bezwaar
  • mensen die niet alle jaren meededen aan het massaal bezwaar
  • mensen die te laat een verzoek tot vermindering deden

Collectieve uitspraak op verzoeken om ambtshalve vermindering (2017-2020)
In vervolg op het arrest van de Hoge Raad heeft de Belastingdienst op 17 juli 2026 in een collectieve uitspraak alle lopende verzoeken afgewezen en alle lopende bezwaren ongegrond verklaard. Tegen de collectieve uitspraak kan geen beroep worden ingesteld.

Tip: Hebt u box 3-inkomen? Dan mag u voor de jaren 2021 tot en met 2024 wel het formulier Opgaaf werkelijk rendement invullen.

Vrijgestelde vergoedingen verblijfskosten bij dienstreizen

Vrijgestelde vergoedingen verblijfskosten bij dienstreizen

23 jul

In de cao Rijk staan verblijfkostenvergoedingen die gelden voor ambtenaren op dienstreis. Maar een werkgever kan deze ook toepassen voor andere werknemers, als zij vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren als ambtenaren op dienstreis. De handreiking hierover is geactualiseerd en aangevuld met praktijkvoorbeelden. Hierna gaan we in op het onderdeel binnenlandse dienstreizen.

Een werkgever die niet gebonden is aan de cao Rijk, kan verblijfkostenvergoedingen onder dezelfde voorwaarden en met dezelfde fiscale gevolgen toekennen aan eigen werknemers. De werkgever hoeft dan geen onderzoek te doen naar de werkelijke kosten. Wel moet de werkgever aannemelijk kunnen maken dat deze werknemers vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren als een ambtenaar op dienstreis.

Vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren houdt in dat de werknemer met dezelfde soort kosten wordt geconfronteerd als een ambtenaar op dienstreis. Dit is aannemelijk als wordt voldaan aan 2 voorwaarden. Er moet sprake zijn van:

  1. gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden.
    De aard van de functie is hierbij van belang. Informatie over de functies binnen de Rijksoverheid vindt u op nl.
  2. een dienstreis. In de cao Rijk is de definitie van een dienstreis als volgt: ‘een door de werkgever noodzakelijk geachte reis en verblijf in verband met het verrichten van werkzaamheden op een andere locatie dan de eigen werklocatie’.

Of aan deze 2 voorwaarden wordt voldaan, hangt af van de feiten en omstandigheden en staat ter beoordeling van de inspecteur.

Voorbeeld: Een bouwvakker werkt aan een project op een locatie binnen een andere gemeente. Een bouwvakker wordt in het algemeen met andere kosten geconfronteerd, omdat een bouwvakker zijn werkzaamheden onder andere omstandigheden verricht dan een ambtenaar op dienstreis. Een bouwvakker zal bijvoorbeeld op de bouwplaats zelf lunchen. De bouwvakker verkeert vanuit kostenoogpunt daarom niet in gelijke omstandigheden als een ambtenaar op dienstreis. Ook zou de vraag gesteld kunnen worden of sprake is van een dienstreis. Dit staat ter beoordeling van de inspecteur.

Verblijfkosten maken
Een werknemer verkeert vanuit kostenoogpunt niet in gelijke omstandigheden als hij (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt. Maakt de werknemer wel kosten, dan is het niet noodzakelijk dat deze gelijk zijn aan de (gericht vrijgestelde) vergoeding.

Voorbeeld: Een ambtenaar op dienstreis heeft recht op een vergoeding van € 7,35 voor kleine uitgaven overdag bij een dienstreis naar een andere gemeente van minimaal 4 uur. Hiervan is € 6,56 (bedrag 2026) gericht vrijgesteld. Een werkgever die niet gebonden is aan de cao Rijk, kan ook € 6,56 gericht vrijgesteld vergoeden onder deze voorwaarden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis. Hiervan is geen sprake als de werknemer tijdens de dienstreis daadwerkelijk (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt.

Toepassen cao Rijk
Verderop in deze handreiking leest u waarop een werkgever moet letten als deze de cao Rijk toepast voor een werknemer. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de werkgever aannemelijk kan maken dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis.

Voorwaarden in cao Rijk
Past een werkgever de verblijfkostenvergoedingen toe uit de cao Rijk, dan moet de werkgever dit doen volgens de voorwaarden van de cao Rijk. Een werknemer kan in aanmerking komen voor een verblijfkostenvergoeding voor een binnenlandse dienstreis als de dienstreis voldoet aan de volgende 2 voorwaarden:

  • De dienstreis duurt minimaal 4 uur.
  • De bestemming van de dienstreis ligt in een andere gemeente of op minimaal 1 kilometer afstand van de werklocatie van de werknemer.

In de cao Rijk vindt u meer informatie over de voorwaarden voor dienstreizen in het binnenland. In deze handreiking zijn deze niet allemaal genoemd. Past u de cao Rijk toe, dan moet u zich dus houden aan deze voorwaarden.

Onderdelen verblijfkostenvergoeding
Hieronder ziet u uit welke onderdelen de verblijfkostenvergoeding bestaat en welke aanvullende voorwaarden hiervoor gelden. Ook leest u wat de hoogte is van de vergoedingen vanaf 1 januari 2026 en tot welke bedragen deze gericht zijn vrijgesteld.

Kleine uitgaven overdag

  • Geen aanvullende voorwaarden
  • Vergoeding € 7,35
  • Gericht vrijgesteld € 6,56

Kleine uitgaven ’s avonds

  • Hierop heeft de werknemer recht als hij aansluitend ook overnacht vanwege de dienstreis.
  • Vergoeding € 21,92
  • Gericht vrijgesteld € 13,12

Logies

  • Dit geldt per overnachting als de werknemer hiervoor toestemming heeft van de werkgever.
  • Vergoeding € 164,52
  • Gericht vrijgesteld € 162,74

Ontbijt

  • Dit geldt als de werknemer de nacht daarvoor heeft overnacht vanwege de dienstreis.
  • Vergoeding € 16,07
  • Gericht vrijgesteld € 16,07

Lunch

  • Dit geldt voor iedere periode van 12.00 tot 14.00 uur die binnen de dienstreis valt.
  • Vergoeding € 22,19
  • Gericht vrijgesteld € 12,97

Avondmaaltijd

  • Dit geldt voor iedere periode van 18.00 tot 21.00 uur die binnen de dienstreis valt.
  • Vergoeding € 33,57
  • Gericht vrijgesteld € 32,56

Logies, ontbijt, lunch en avondmaaltijd
Voor logies, ontbijt, lunch en avondmaaltijd geldt als voorwaarde voor de vergoeding dat de werknemer kosten heeft gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid. Dit is een algemeen toegankelijke gelegenheid die logies en/of maaltijden en/of dranken ter consumptie aanbiedt. Voorbeelden hiervan zijn een café, restaurant of hotel.

Hoogte vergoedingen binnenlandse dienstreizen
De vergoedingen voor binnenlandse dienstreizen zijn tot bepaalde bedragen gericht vrijgesteld. In 2026 bedraagt de lunchvergoeding bijvoorbeeld € 22,19. Deze is gericht vrijgesteld tot € 12,97. De vergoeding boven € 12,97 kunt u tot het loon van de werknemer rekenen of als eindheffingsloon aanwijzen. Kiest u voor aanwijzen als eindheffingsloon, dan moet aan de gebruikelijkheidseis zijn voldaan. Dit bedrag valt dan onder de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte betaalt u 80% eindheffing.

Niet verplicht dezelfde vergoedingen betalen
Een werkgever die aansluit bij de cao Rijk, hoeft niet alle vergoedingen te betalen die de cao Rijk voorschrijft of in dezelfde mate. Zo kan een werkgever bijvoorbeeld een gericht vrijgestelde lunchvergoeding geven maar geen vergoeding voor kleine uitgaven overdag. Ook mag een werkgever bijvoorbeeld een gericht vrijgestelde lunchvergoeding geven van € 10.

Voorbeeld vergoeding binnenlandse dienstreis
Een werkgever bepaalt dat een werknemer recht heeft op een lunchvergoeding van € 15 voor iedere periode van 12.00 uur tot 14.00 uur die binnen een dienstreis valt. De dienstreis van de werknemer voldoet aan de voorwaarden. Ook heeft de werknemer verklaard dat hij daadwerkelijk lunchkosten heeft gemaakt in een daarvoor bestemde gelegenheid.

Van de lunchvergoeding van € 15 kan de werkgever € 12,97 (2026) gericht vrijgesteld vergoeden. De werkgever moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis. Het bedrag van € 2,03 dat overblijft, is loon voor de werknemer of kan de werkgever aanwijzen als eindheffingsloon. Er moet dan wel aan de gebruikelijkheidseis zijn voldaan.

Verlies webshop niet aftrekbaar

Verlies webshop niet aftrekbaar

18 jul

Een onderneming die jaar na jaar verlies maakt, loopt niet alleen financieel risico, maar ook fiscaal. De rechter oordeelde onlangs dat een verlieslatende natuurgenezingspraktijk met een webshop geen bron van inkomen vormde. Daardoor vervielen belangrijke fiscale voordelen. Wat was er aan de hand?

De rechter oordeelde dat de ondernemer al sinds 2012 structureel verliezen leed en onvoldoende aannemelijk maakte dat zijn activiteiten in de toekomst winstgevend zouden worden. Hoewel hij investeerde in een webshop en wees op persoonlijke omstandigheden die de resultaten hadden beïnvloed, ontbraken een onderbouwd ondernemingsplan, marktonderzoek of een overtuigend verdienmodel. Ook speelde mee dat de webshop opnieuw moest worden ingericht na een optreden van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit vanwege ongeoorloofde gezondheidsclaims. Het hof concludeerde daarom dat geen sprake was van een objectieve winstverwachting. Zonder objectieve voordeelsverwachting is er fiscaal geen 'bron van inkomen' en dus ook geen onderneming voor de inkomstenbelasting.

Dat heeft verstrekkende gevolgen. Als geen sprake is van een bron van inkomen:

  • zijn ondernemingsverliezen niet aftrekbaar;
  • bestaat geen recht op ondernemersaftrek, zoals de zelfstandigenaftrek;
  • kan geen gebruik worden gemaakt van de mkb-winstvrijstelling;
  • is verliesverrekening als ondernemer niet mogelijk.

Wat kan dat financieel schelen?
In deze zaak ging het om een verlies van ruim € 3.100 dat niet aftrekbaar was. Bij een belastingtarief van ongeveer 37% betekent dat alleen al circa € 1.150 extra inkomstenbelasting. Daarbovenop vervallen – als aan de overige voorwaarden zou zijn voldaan – ook fiscale ondernemersfaciliteiten. Afhankelijk van de winst kan dat oplopen tot enkele duizenden euro's belastingvoordeel per jaar. Bij langdurig verlies kan de totale fiscale schade dus aanzienlijk zijn.

Tip: Maakt uw onderneming meerdere jaren achter elkaar verlies? Zorg dan dat u kunt aantonen waarom winst in de toekomst wél redelijkerwijs te verwachten is. Een actueel ondernemingsplan, marktonderzoek, investeringsplan en een realistische winstprognose kunnen daarbij het verschil maken. Zonder objectieve winstverwachting loopt u het risico dat de Belastingdienst uw activiteiten niet langer als onderneming aanmerkt en dat belangrijke fiscale voordelen vervallen.

Werknemer wil meer uren werken

Werknemer wil meer uren werken

16 jul

Een werknemer die zijn arbeidsduur wil uitbreiden, hoeft daarvoor geen uitzonderlijke reden te hebben. Ook als de uitbreiding voor de werkgever minder goed uitkomt, is een afwijzing niet vanzelfsprekend. De rechter maakte onlangs duidelijk dat werkgevers een verzoek om meer uren alleen mogen weigeren als sprake is van zwaarwegende bedrijfsbelangen.

In deze zaak werkte de werknemer op basis van een deeltijdcontract en diende hij een verzoek in om zijn arbeidsduur uit te breiden op grond van de Wet flexibel werken. Hij had dit verzoek tijdig en op de juiste wijze ingediend. De werkgever wees het verzoek af, omdat uitbreiding volgens hem organisatorische problemen zou opleveren. Daarnaast stelde de werkgever dat de werknemer het verzoek vooral had ingediend om zijn eigen positie te versterken en daarmee misbruik maakte van zijn recht.

De rechter volgde die redenering niet. Dat een werknemer belang heeft bij meer uren of een hoger inkomen betekent nog niet dat sprake is van misbruik van recht. Ook uit de omstandigheden van het geval bleek daarvan onvoldoende. Vervolgens beoordeelde de rechter of de werkgever het verzoek mocht afwijzen. Daarvoor geldt op grond van de Wet flexibel werken dat alleen zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen een afwijzing kunnen rechtvaardigen.

Volgens de rechter had de werkgever onvoldoende concreet gemaakt welke problemen de uitbreiding daadwerkelijk zou veroorzaken. Algemene verwijzingen naar de personeelsplanning, de organisatie of de bedrijfsvoering waren daarvoor niet genoeg. Omdat de werkgever zijn standpunt onvoldoende had onderbouwd, werd het verzoek van de werknemer alsnog toegewezen.

Tip: Een verzoek om uitbreiding van de arbeidsduur vraagt om een zorgvuldige beoordeling. Een algemene verwijzing naar planning, kosten of "het past niet in de organisatie" is meestal onvoldoende. Leg concreet vast welke organisatorische of bedrijfseconomische gevolgen de uitbreiding heeft en waarom deze zwaarwegend zijn. Zonder een goede onderbouwing loopt u het risico dat een rechter het verzoek van de werknemer alsnog toewijst.

Fiscaal inzagerecht op komst

Fiscaal inzagerecht op komst

12 jul

De Belastingdienst gaat stapsgewijs fiscaal inzagerecht invoeren. Uit een recente Kamerbrief blijkt dat een snelle invoering niet haalbaar is vanwege de omvang van de benodigde aanpassingen in systemen en werkprocessen. Daarom kiest het kabinet voor een gefaseerde aanpak, waarbij ondernemers geleidelijk meer inzicht krijgen in hun fiscale dossier. Wat betekent dit tijdpad voor MKB-ondernemers?

Het fiscale inzagerecht is bedoeld om belastingplichtigen meer inzicht te geven in de informatie die de Belastingdienst gebruikt bij de behandeling van hun fiscale zaken. Uit de Kamerbrief blijkt dat snelle invoering niet uitvoerbaar is. Gegevens zijn verspreid over verschillende systemen en het samenstellen van een volledig fiscaal dossier vraagt per geval een zorgvuldige beoordeling.

Daarom kiest het kabinet voor een gefaseerde invoering, waarbij het fiscale dossier stap voor stap wordt uitgebreid:

  • Vanaf 2026 (fase 1): ondernemers krijgen geleidelijk digitaal inzicht in formele stukken, zoals aangiften, aanslagen, beschikkingen en andere officiële correspondentie. De invoering start bij de omzetbelasting.
  • Vanaf 2029 (fase 2): het inzagerecht wordt uitgebreid met informatie over de behandeling van een dossier en de onderbouwing van besluiten.
  • Vanaf 2032 (fase 3): het doel is een integraal fiscaal dossier beschikbaar te stellen, waarin ook interne stukken en de gemaakte afwegingen kunnen worden ingezien, voor zover de wet dat toestaat.

De planning sluit aan bij de digitalisering van de Belastingdienst en is afhankelijk van de beschikbare ICT-capaciteit. In de tweede helft van 2026 ontvangt de Tweede Kamer een nadere routekaart voor de verdere uitvoering.

Tip: Een overzichtelijke administratie, goed vastgelegde fiscale standpunten en complete correspondentie maken het eenvoudiger om toekomstige dossierinformatie van de Belastingdienst te controleren en eventuele verschillen snel te signaleren. Uiteraard helpen we u hierbij.

Camping en woon-werkkilometers

Camping en woon-werkkilometers

9 jul

Een werknemer verblijft tijdelijk op de camping en reist van deze plek naar het werk. De werkgever wil een onbelaste kilometervergoeding geven voor deze reizen. Is dit woon-werkverkeer en is de gerichte vrijstelling voor reiskosten daarom van toepassing? De Belastingdienst heeft de handreiking hierover geactualiseerd met een uitleg aan de hand van twee voorbeelden.

Woon-werkverkeer is het binnen een tijdsbestek van 24 uur zowel heen als terug reizen tussen de woning of verblijfplaats en de arbeidsplaats(en). De kilometers die de werknemer maakt voor woon-werkverkeer zijn zakelijke kilometers. Hiervoor mag de werkgever een onbelaste vergoeding geven van maximaal € 0,25 per kilometer. Dit is een gerichte vrijstelling. Heeft de werknemer een auto van de zaak, dan zijn de kilometers voor woon-werkverkeer zakelijke kilometers.

Woonplaats en verblijfplaats
Waar iemand woont of verblijft beoordeelt u aan de hand van de feiten en omstandigheden. Duurzaamheid is hierbij een belangrijk aspect. Een werknemer kan zowel een woonplaats als een verblijfsplaats hebben.

Camping
Of een camping fiscaal gezien een verblijfplaats is, is dus afhankelijk van de feiten en omstandigheden. Als een werknemer zeer tijdelijk op de camping verblijft, is geen sprake van enige duurzaamheid. De camping is dan geen verblijfsplaats.

Voorbeeld: Alleen in de weekenden op de camping
Mark verblijft in het voorjaar (mei en juni) elk weekend op de camping. Hij reist vrijdag van kantoor naar de camping en maandag van de camping weer naar kantoor. De rest van de week reist hij van zijn woonplaats naar kantoor en andersom.  

De werkgever wil een onbelaste kilometervergoeding geven voor de reizen tussen de camping en kantoor. Is dit toegestaan?

Als een werknemer alleen de weekenden op de camping doorbrengt, is de camping geen verblijfplaats. De vereiste duurzaamheid ontbreekt. De reizen van kantoor naar de camping op vrijdag en van de camping naar kantoor op maandag zijn daarom geen woon-werkverkeer. De gerichte vrijstelling voor reiskosten is niet van toepassing.

Vrije ruimte
Als de werkgever toch een onbelaste kilometervergoeding wil geven aan de werknemer voor de reizen tussen de camping en kantoor, dan kan de werkgever deze vergoeding aanwijzen als eindheffingsloon als deze voldoet aan de gebruikelijkheidseis. De vergoeding kan dan ten laste komen van de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

Voorbeeld: drie maanden op de camping
Anna verblijft in de zomer niet in haar woonplaats, maar op een camping in Nederland voor een periode van drie maanden. Ze reist in deze periode dagelijks met de auto vanuit de camping naar kantoor en andersom.

De werkgever wil een onbelaste kilometervergoeding geven voor deze reizen. Is dit toegestaan?

Een camping kan een verblijfplaats zijn als een werknemer hier meerdere maanden verblijft. U beoordeelt dit aan de hand van de feiten en omstandigheden. Verblijft de werknemer drie maanden op de camping, dan zou dit een verblijfsplaats kunnen zijn. De werknemer heeft dan zowel een woonplaats als een verblijfsplaats.

Is de camping een verblijfsplaats, dan zijn de reizen tussen de camping en kantoor woon-werkverkeer. Dit geldt ook voor de reizen tussen de woning van de werknemer en kantoor. Voor deze kilometers mag de werkgever maximaal € 0,25 per kilometer gericht vrijgesteld vergoeden. Er moet dan wel zijn voldaan aan de redelijkheidseis.

Als de werknemer naar of van zijn werk een tussenstop maakt bij de woning, is voor het deel van de reis tussen de woning en de camping sprake van omrijkilometers waarvoor de werkgever maximaal € 0,25 per kilometer gericht vrijgesteld mag vergoeden.

Redelijkheidseis
De werkgever moet aannemelijk maken dat de vergoeding binnen de perken der redelijkheid ter wille van een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking is gedaan. Dit is mogelijk niet het geval als een werknemer zijn woonplaats verlegt naar een plaats die veel verder weg ligt van de plaats van werkzaamheden en deze keuze overwegend is ingegeven door persoonlijke argumenten.

Tip: Hebt u een concreet geval waarover u duidelijkheid wilt, dan kunnen we daarover zo nodig met de Belastingdienst vooroverleg voeren.

Arbovrijstelling voor personal training en abonnement sportschool van DGA

Arbovrijstelling voor personal training en abonnement sportschool van DGA

4 jul

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) is de enige werknemer van zijn BV. De BV heeft een 51% belang in een BV die zich bezighoudt met groothandel in kunstschildersbenodigdheden. Na een boekenonderzoek heeft de Belastingdienst een naheffingsaanslag opgelegd met daarin een correctie voor de kosten voor personal training en abonnementen voor een sportschool. Terecht?

Hoofdvraag
Kunnen het verstrekken of vergoeden van de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt worden als gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen?

Subvraag 1: Valt een DGA binnen de Arbeidsomstandighedenwet?
De Belastingdienst voert aan dat de DGA geen werknemer of werkgever is maar een zelfstandige. De Belastingdienst verwijst hierbij naar de wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in 20011 en de wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit in 20062. Hierdoor is artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet niet van toepassing omdat daar enkel over werkgevers en werknemers wordt gesproken. De verstrekking en/of vergoeding van kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool aan de DGA en zijn echtgenote vloeien dan ook niet rechtstreeks voort uit het arbobeleid dat de BV op grond van de Arbeidsomstandighedenwet voert, waardoor deze verstrekkingen en/of vergoedingen niet als gericht vrijgesteld kunnen worden aangemerkt.

Volgens de rechter is tussen de BV en de DGA wel sprake van een gezagsverhouding waardoor artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet wel van toepassing is. Het is namelijk niet relevant of materieel sprake is van een gezagsverhouding. De verwijzingen van de Belastingdienst leiden niet tot een ander oordeel omdat deze zien op een later ingevoerd specifiek wetsartikel en niet op de algemene definities van de Arbeidsomstandighedenwet.

Subvraag 2: Vallen personal training en een sportschoolabonnement binnen de kaders van de Arbeidsomstandighedenwet?
De BV stelt dat de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt kunnen worden als gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen. Door deze vergoedingen/verstrekkingen zorgt de werkgever namelijk voor de gezondheid van zijn werknemers, wat verplicht is op grond van artikel 3, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. De Belastingdienst betwist dat sprake is van zorg dragen voor de veiligheid en gezondheid van werknemers door het vergoeding of verstrekking van personal training en sportschoolabonnementen.

Volgens de rechter hoeft er in deze zaak geen direct verband te zijn met de preventie van ziekteverzuim. De vrijstelling is ruim waardoor ook het verstrekken of vergoeden van de kosten voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA aangemerkt kunnen worden als gerichte vrijstelling. Daarbij maakt de rechter wel de kanttekening dat dit alleen geldt voor de DGA en niet voor de kosten die gemaakt zijn voor zijn partner. De kosten voor de partner vallen naar het oordeel van de rechter niet onder de gerichte vrijstelling. De partner van de DGA is namelijk geen werknemer van de BV.

Subvraag 3: Op de werkplek?
De BV stelt dat de arbeidsvoorzieningen op de werkplek zijn verbruikt. De Belastingdienst betwist dit.

Uit de Uitvoeringsregeling loonbelasting volgt dat ook arbovoorzieningen buiten de werkplek kunnen vallen onder de gerichte vrijstelling. Dit komt ook terug in het Handboek Loonheffingen. Naar het oordeel van de rechter wordt daardoor aan de voorwaarden van de gerichte vrijstelling voldaan.

Subvraag 4: Gebruikelijk?
De Belastingdienst stelt dat niet voldaan wordt aan de gebruikelijkheidstoets. De vergoedingen/verstrekkingen zijn gelet op de hoogte ongebruikelijk, volgens de Belastingdienst. Naar het oordeel van de rechter is hier echter onvoldoende bewijs voor geleverd.

Conclusie
Volgens de rechter heeft de Belastingdienst ten onrechte nageheven over de kosten van het verstrekken of vergoeden voor personal training en het abonnement voor de sportschool van de DGA. De Belastingdienst heeft wel terecht nageheven over het familieabonnement. De rechter vermindert de naheffingsaanslag daarom tot de kosten van het familieabonnement.

Let op: De kosten van personal training en een sportschoolabonnement voor de DGA kunnen dus volgens deze uitspraak vrijgesteld worden vergoed/betaald door de BV. Helaas betreft het een uitspraak over 2018 t/m 2020. In 2022 is de vrijstelling voor Arbovoorzieningen gewijzigd. Vanaf dan geldt de vrijstelling alleen nog maar voor verplichte Arbovoorzieningen.

Neem nu contact met ons op en ontvang als nieuwe cliënt vier uur gratis business coaching

ter waarde van 1.000 euro

Klik hier en claim direct jouw sessies

Over NEW Financials

Wij ondernemen samen met jou als ondernemer. Doordat wij zorgdragen voor jouw financiële, fiscale en HR zaken, kun jij je richten op de dingen waar je goed in bent en die geld opleveren.

Waarom wij?

  • Innovatief - Flexibel - Informeel
  • Persoonlijke en betrokken aanpak
  • Zeer scherpe, transparante prijs
  • Effectieve coaching en mentoring
  • Wij begrijpen jou als ondernemer

Contactinformatie

NEW Financials
Gerrit van der Veenstraat 112-HS
1077 EN Amsterdam
tel: 020 442 1170

info@newfinancials.nl

New Financials © 2016

  • Disclaimer
  • Cookie statement
  • Sitemap
  • Algemene voorwaarden
Site by eResults
  • Home
  • Diensten
    • Online boekhouding
    • Belastingaangiften
    • Salarisadministratie
    • Jaarrekeningen
    • Basisadministratie
    • Starterspakket MKB
    • Financiële rapportages
    • Werken bij jou op locatie
  • Abonnementen
    • Brons
    • Zilver
    • Goud
    • Platinum
  • Over ons
  • Nieuws
  • Contact
  • Jouw dashboard