Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Als u zich als aandeelhouder persoonlijk borg stelt voor een zakelijke lening, loopt u het risico uiteindelijk zelf de schuld van de BV te moeten betalen. De fiscale gevolgen daarvan zijn niet altijd hetzelfde. Wanneer kan het betaalde bedrag in mindering komen op het inkomen in box 1?
Borgstelling van € 37.500
Een ondernemer was bestuurder en enig aandeelhouder van zijn eigen holding. Via deze holding was hij betrokken bij een andere vennootschap. Voor de financiering van deze onderneming had hij zich in 2014 persoonlijk borg gesteld bij ABN AMRO Bank voor een bedrag van € 37.500.
Toen de bank hem in 2020 als borg aansprak, betaalde hij het volledige bedrag. Bij zijn aangifte inkomstenbelasting wilde hij deze betaling aftrekken als een negatief resultaat uit overige werkzaamheden (box 1). De Belastingdienst was het daar niet mee eens. Volgens de inspecteur moest het verlies worden aangemerkt als een verlies uit aanmerkelijk belang (box 2).
Zakelijke borgstelling is doorslaggevend
De rechter stelde voorop dat een verlies uit een borgstelling in beginsel aftrekbaar kan zijn als negatief resultaat uit overige werkzaamheden. Dat is anders wanneer sprake is van een zogenoemde onzakelijke borgstelling: een borgstelling die de ondernemer uitsluitend vanuit zijn positie als aandeelhouder is aangegaan, waarbij geen onafhankelijke derde onder vergelijkbare omstandigheden bereid zou zijn geweest dezelfde verplichting aan te gaan tegen een zakelijke, niet-winstafhankelijke vergoeding.
Volgens de rechter had de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de borgstelling bij het aangaan in 2014 onzakelijk was. De financiële vooruitzichten van de onderneming waren niet zo slecht dat een onafhankelijke derde de borgstelling niet zou hebben willen aangaan. Ook was niet aangetoond dat de borgstelling in de daaropvolgende jaren onzakelijk was geworden. De ondernemer had bovendien geen mogelijkheden gehad om zijn bestaande aansprakelijkheid bij de bank te beperken.
De rechter stelde de ondernemer daarom in het gelijk. Het betaalde bedrag van € 37.500 mocht als negatief resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 worden afgetrokken.
Tip: Stelt u zich persoonlijk borg voor een lening van een onderneming waarin u aandeelhouder bent? Leg dan bij het aangaan van de borgstelling zorgvuldig vast waarom deze zakelijk is, welke financiële vooruitzichten de onderneming heeft en onder welke voorwaarden een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest de borgstelling aan te gaan. Bewaar ook de relevante kredietovereenkomsten en financiële gegevens.
Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) krijgt niet altijd het gebruikelijk loon dat fiscaal van hem wordt verwacht. De Belastingdienst kan een te laag vastgesteld loon corrigeren, maar bij wie wordt de rekening neergelegd? Bij de DGA via de inkomstenbelasting of bij zijn BV via de loonheffingen? Een belastingrechter maakt duidelijk dat een al opgelegde aanslag inkomstenbelasting een naheffing bij de BV niet automatisch verhindert.
De Belastingdienst mag alsnog naheffen
In deze zaak ontving een DGA in 2020 € 22.667 aan loon van zijn BV, die onder meer actief is in de paardenhandel. Daarnaast ontving hij € 23.446 via zijn eenmanszaak voor werkzaamheden voor een dochtervennootschap. Na een boekenonderzoek stelde de Belastingdienst het gebruikelijk loon vast op € 46.000. De inspecteur legde vervolgens aan de BV een naheffingsaanslag loonheffingen op over het verschil van € 23.333.
De BV vond dat de inspecteur dit niet meer mocht doen, omdat bij de aanslag inkomstenbelasting van de DGA het gebruikelijk loon niet was gecorrigeerd. De rechter ging daar niet in mee. De Belastingdienst mag in beginsel kiezen of hij het gebruikelijk loon corrigeert via de inkomstenbelasting van de DGA of via de loonheffingen van de BV. Dat bij de eerdere aanslag inkomstenbelasting geen correctie plaatsvond, betekent niet automatisch dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan. Hij mocht bij het vaststellen van die aanslag uitgaan van de juistheid van de aangifte.
Ook het beroep op het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel slaagde niet. De rechter vond het aannemelijk dat de verdeling tussen loon en facturering via de eenmanszaak uitsluitend om fiscale redenen was gemaakt. Ook de opgelegde boete bleef daarom in stand, maar werd vanwege de omstandigheden verlaagd van € 6.027 naar € 1.500.
Let op: Zorg ervoor dat het gebruikelijk loon van de DGA vanaf het begin goed wordt vastgesteld en onderbouwd. Een eerder definitief vastgestelde aanslag inkomstenbelasting biedt de BV niet automatisch bescherming tegen een naheffing loonheffingen. Let bovendien op de zakelijke onderbouwing van werkzaamheden die een DGA via een eigen onderneming factureert aan zijn BV of een gelieerde vennootschap.
De versobering van de youngtimerregeling maakt het zakelijk rijden van oudere auto’s voor veel ondernemers minder aantrekkelijk. Tegelijkertijd verdwijnen veel gebruikte elektrische leaseauto’s na enkele jaren naar het buitenland. Het kabinet onderzoekt daarom een fiscale stimulans om deze auto’s langer in Nederland zakelijk te laten rijden. Kan de voorgestelde greentimerregeling beide problemen oplossen?
Een fiscale stimulans voor gebruikte elektrische auto’s
De greentimerregeling is bedoeld om elektrische auto’s van ongeveer vijf tot acht jaar oud aantrekkelijker te maken voor zakelijk gebruik. Deze auto’s komen na hun eerste leaseperiode vaak op de markt, maar worden mede door hun prijs niet altijd door Nederlandse particulieren gekocht. Het idee is een verlaagd bijtellingspercentage van 14 à 15% over de oorspronkelijke cataloguswaarde. Daarmee zouden ondernemers en werknemers eerder voor een gebruikte elektrische auto kunnen kiezen.
Ook de pseudo-eindheffing speelt mee
Vanaf 1 januari 2027 betalen werkgevers een pseudo-eindheffing van 12% over de cataloguswaarde wanneer zij een auto op fossiele brandstof aan een werknemer ter beschikking stellen die deze ook privé, inclusief woon-werkverkeer, mag gebruiken. Voor auto’s ouder dan 25 jaar wordt de marktwaarde als grondslag gebruikt.
Voor op 1 januari 2027 bestaande terbeschikkingstellingen geldt overgangsrecht. De heffing maakt een nieuwe zakelijke benzine- of dieselauto dus aanzienlijk duurder.
De greentimerregeling kan een alternatief bieden voor ondernemers en werknemers die nu vanwege de bijtelling een youngtimer kiezen. De regeling is echter nog niet definitief; het kabinet moet nog besluiten over de vormgeving en invoering.
Let op: Overweegt u een auto met uitstoot aan te schaffen of te vervangen, betrek dan zowel de pseudo-eindheffing vanaf 2027 als de bijtelling en het overgangsrecht in de berekening. Een auto nog in 2026 ter beschikking stellen kan relevant zijn voor het overgangsrecht, maar voorkomt de heffing niet onbeperkt: voor bestaande gevallen geldt deze vanaf 2031. Reken bovendien nog niet op een greentimervoordeel zolang de regeling niet definitief is.
Veel ondernemers kampen nog altijd met belastingschulden die tijdens de coronaperiode zijn ontstaan. De aflossing daarvan vormt voor een deel van het mkb een zware financiële belasting. De Tweede Kamer vroeg daarom om extra maatregelen, zoals een lagere invorderingsrente en soepelere schuldsanering.
Bestaande regelingen blijven het uitgangspunt
Staatssecretaris Eerenberg van Financiën ziet geen aanleiding voor nieuwe, algemene steunmaatregelen voor ondernemers met coronabelastingschulden. Een generieke verlaging van de invorderingsrente vindt hij niet wenselijk. Dat zou volgens hem de prikkel verminderen om belastingschulden tijdig af te lossen en zou bovendien moeilijk uit te leggen zijn aan ondernemers die hun schulden al hebben afgelost of hun belastingen steeds op tijd voldoen.
Wel benadrukt het kabinet dat ondernemers met betalingsproblemen gebruik kunnen maken van de bestaande mogelijkheden voor maatwerk. De Belastingdienst probeert levensvatbare ondernemingen binnen de betalingsregeling te houden. Ondernemers die problemen verwachten, worden nadrukkelijk opgeroepen tijdig contact op te nemen.
Ruimere mogelijkheden voor schuldsanering
Het kabinet wijst erop dat het saneringsbeleid al is versoepeld. Sinds 1 juli 2026 is er meer ruimte om kleine schuldeisers buiten een saneringsakkoord te houden. Ook zijn de regels voor schuldeisers die niet met een akkoord willen instemmen verduidelijkt en is meer flexibiliteit mogelijk bij betaling van het saneringsbedrag in termijnen. Bij een geslaagde sanering kan een deel van de belastingschuld worden kwijtgescholden. Over het kwijtgescholden bedrag is dan ook geen invorderingsrente meer verschuldigd.
Hoeveel staat nog open?
De omvang van het probleem blijft aanzienlijk. Volgens de beantwoording van de Kamervragen stond op 19 augustus 2026 bij ongeveer 79.000 ondernemers nog in totaal € 2,3 miljard aan coronabelastingschuld open. Daarnaast zijn er ondernemers van wie de betalingsregeling is ingetrokken of bij wie sprake is van een sanering of faillissement.
De standaardbetalingsregeling loopt voor de meeste ondernemers tot oktober 2027. Voor ondernemers die hun schuld niet volgens de afgesproken termijnen kunnen aflossen, is het dus van belang om niet af te wachten totdat de Belastingdienst invorderingsmaatregelen neemt.
Tip: Verwacht u problemen met het betalen van de maandelijkse aflossing of andere belastingaanslagen? Neem dan tijdig contact op met de Belastingdienst en bespreek de mogelijkheden voor maatwerk of schuldsanering. Extra algemene steun is niet in zicht, dus vroegtijdig handelen kan het verschil maken tussen een beheersbare oplossing en verdere invorderingsproblemen.
Het kabinet wil de nieuwe box 3-heffing vanaf 2028 zo veel mogelijk baseren op gerealiseerde vermogenswinsten. Daarmee wordt belastingheffing over waardestijgingen in veel gevallen uitgesteld tot het moment van verkoop. Voor aandelen, obligaties en vastgoed betekent dit een belangrijke wijziging ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel. Maar waarom vallen beleggingen in crypto en andere vermogensbestanddelen voorlopig buiten deze regeling?
Een vermogenswinstbelasting vanaf 2028
Met een zogenaamde novelle op de Wet werkelijk rendement box 3 wil het kabinet de vermogenswinstbelasting uitbreiden naar vrijwel alle financiële instrumenten. Het oorspronkelijke wetsvoorstel ging voor de meeste bezittingen nog uit van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij worden waardestijgingen jaarlijks belast, ook als de belegger niets heeft verkocht.
Bij een vermogenswinstbelasting wordt de waardestijging daarentegen in beginsel pas belast bij verkoop of een andere vorm van realisatie. Reguliere inkomsten, zoals rente en dividend, blijven jaarlijks belast. De regeling moet het nieuwe box 3-stelsel beter laten aansluiten bij het moment waarop beleggers daadwerkelijk over opbrengsten beschikken.
De uitbreiding geldt onder meer voor aandelen, obligaties, opties en andere financiële instrumenten. Voor onroerende zaken was in het oorspronkelijke wetsvoorstel al een vermogenswinstbelasting opgenomen.
Crypto en andere bezittingen: voorlopig een uitzondering
Niet alle vermogensbestanddelen kunnen volgens het kabinet al in 2028 onder de vermogenswinstbelasting worden gebracht. Voor directe cryptobeleggingen, edelmetaal, banktegoeden, bepaalde vorderingen en schulden, verzekeringsproducten, lijfrentes en vreemde valuta blijft daarom voorlopig de vermogensaanwasbelasting gelden. Roerende zaken die als belegging worden aangehouden, vallen in deze restcategorie.
Dat betekent dat waardestijgingen van bijvoorbeeld rechtstreeks aangehouden cryptomunten in beginsel jaarlijks in de belastingheffing kunnen worden betrokken, zonder dat verkoop heeft plaatsgevonden. Het kabinet verwacht de resterende categorieën vanaf 2030 ook onder de vermogenswinstbelasting te kunnen brengen.
En hoe zit het met edelmetalen?
De toelichting noemt edelmetalen niet afzonderlijk. Fysiek goud en zilver zullen daarom niet zonder meer hetzelfde worden behandeld als beursgenoteerde financiële instrumenten. De precieze fiscale behandeling hangt af van de kwalificatie van het bezit. Een belegging in fysiek goud kan bijvoorbeeld onder de overige roerende zaken ter belegging vallen. Een financieel instrument dat de waarde van goud volgt, kan anders worden behandeld.
De rekening wordt mede elders gelegd
De uitbreiding van de vermogenswinstbelasting gaat gepaard met maatregelen om de budgettaire gevolgen op te vangen. Zo stelt het kabinet voor het heffingsvrije vermogen in het huidige box 3-stelsel per 2027 te verlagen naar € 30.846. Vanaf 2028 wordt het heffingsvrije resultaat in het nieuwe stelsel verlaagd van € 1.800 naar € 1.000. Ook wordt voorgesteld het forfait voor overige bezittingen in 2027 met 1,5 procentpunt te verhogen tot 7,87%.
In het Belastingplan 2027 is opgenomen dat het hoge box 2-tarief tijdelijk daalt van 31% naar 29,2% in de periode 2027 tot en met 2030. Doel is om DGA te verleiden om dividend uit te keren. Daarnaast is voorgesteld de grens voor excessief lenen vanaf 2027 in vijf jaarlijkse stappen van € 80.000 stapsgewijs te verlagen van € 500.000 naar € 100.000.
De novelle is op 2 oktober 2026 voor advies naar de Raad van State gestuurd. Het gaat dus nog om een wetsvoorstel: de voorgestelde wijzigingen zijn nog niet definitief.
Tip: Beoordeel beleggingen niet alleen op basis van hun economische waarde, maar ook op hun juridische vorm. Een beursgenoteerd goudproduct en fysiek goud kunnen fiscaal verschillend worden behandeld. Houd er bovendien rekening mee dat de voorgestelde verlaging van het heffingsvrije vermogen al betrekking heeft op 2027. Het is zeer de vraag of de voorstellen ongeschonden door de Eerste Kamer komen.
Stel, u besluit in september met terugwerkende kracht vanaf 1 april een vaste kostenvergoeding van € 50 per maand toe te kennen aan uw werknemers. Deze vergoeding tot en met december gaat u in december uitbetalen. Maar eerst laat u een kostenonderzoek uitvoeren (van september tot en met november). En stel dat de hoogte van de vergoeding fiscaal aannemelijk is. Kunt u de nabetaalde kostenvergoeding gericht vrijgesteld toekennen?
Volgens een kennisgroep van de Belastingdienst is dat niet het geval. Een vaste vergoeding is immers pas onbelast als aan de hand van een kostenonderzoek aannemelijk is gemaakt dat aan de voorwaarden van de gerichte vrijstellingen is voldaan.
Waarom?
De vergoeding voor de periode van 1 april tot 1 december kan niet als een vaste vergoeding in de zin van de wet worden aangemerkt. Het betreft immers geen vooraf bepaald bedrag dat is bedoeld om toekomstige kosten af te dekken; de kosten zijn immers al gemaakt. Een onderzoek naar de werkelijke kosten vóór het genietingsmoment van de vergoeding is niet voldoende; het moet gaan om een onderzoek naar de werkelijke kosten vóór het moment waarop de werknemer kosten maakt die met de vaste vergoeding worden gedekt.
Wat kan wel?
De werkgever kan wel in december een gericht vrijgestelde vergoeding betalen voor de daadwerkelijke kosten die de werknemer heeft gemaakt in de periode van 1 april tot 1 december. Hiervoor moet de werkgever aannemelijk maken dat de werknemer kosten heeft gemaakt tot het bedrag van de vergoeding. De beoordeling van de gerichte vrijstelling op declaratiebasis vindt in beginsel plaats per kalenderjaar.
De werkgever kan het bewijs leveren dat de werknemer kosten heeft gemaakt tot het bedrag van de vergoeding door de facturen op te vragen bij de werknemer, maar ook andere vormen van bewijs zijn aanvaardbaar (vrije bewijsleer). Of de werkgever in zijn bewijslast slaagt, staat ter beoordeling van de inspecteur.
Let op: De conclusie is dat een vaste vergoeding moet zien op kosten die de werknemer nog moet maken. Hierop zijn twee wettelijke uitzonderingen: een vaste reiskostenvergoeding en een vaste thuiswerkvergoeding.
Een werkneemster meldt zich ziek. Dat betekent niet dat ze niets meer mag ondernemen. Maar wat als haar activiteiten moeilijk te rijmen zijn met wat zij over haar ziekte en belastbaarheid aan de werkgever heeft verteld? Een werkgever in de makelaardij kreeg met deze situatie te maken. Was deelname aan een intensieve Hyrox-wedstrijd na de ziekmelding voldoende voor ontslag op staande voet?
De arbeidsrelatie met een medewerkster commerciële binnendienst stond al enige tijd onder druk en partijen hadden verschillende keren gesproken over het herstellen van het onderlinge vertrouwen.
In februari meldde de werkneemster zich ziek. Aanvankelijk hield haar ziekmelding verband met spanningen in de arbeidsrelatie. Een maand later liet zij haar werkgever weten dat zij de ziekte van Pfeiffer en een zware keelontsteking had. Zij gaf daarbij aan dat zij van kleine inspanningen al moe werd, overdag veel sliep en niet in staat was om te werken.
De werkgever ontdekte echter dat de werkneemster twee weken later had deelgenomen aan een Hyrox. Dat is een intensieve fitnesscompetitie waarbij deelnemers acht keer een kilometer hardlopen, afgewisseld met verschillende zware fitnessoefeningen. De werkneemster had al eerder een vrije dag gevraagd om aan zo’n wedstrijd mee te kunnen doen. Toen de werkgever haar met de deelname confronteerde, was haar reactie dat sporten gezond is. De werkgever vond de combinatie van beide verhalen niet geloofwaardig en verloor het vertrouwen in verdere samenwerking. Hij ging over tot ontslag op staande voet.
De rechter vond dat ontslag rechtsgeldig. Daarbij was volgens de rechter niet zozeer beslissend of de werkneemster medisch gezien wel of niet aan een Hyrox kon deelnemen. De beoordeling van arbeidsongeschiktheid is immers in beginsel aan de bedrijfsarts. Het ging er vooral om dat de werkneemster kort daarvoor had meegedeeld dat zij door kleine inspanningen al uitgeput raakte en niet kon werken, terwijl zij vervolgens aan een zeer intensieve sportwedstrijd deelnam. Daarmee had zij volgens de rechter een onjuist beeld gegeven van haar belastbaarheid en het vertrouwen van de werkgever geschaad.
Het ontslag had voor beide partijen financiële gevolgen. De werkneemster kreeg wel een transitievergoeding van € 877,50, omdat haar gedrag volgens de rechter wel verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar was. Daarnaast moest de werkgever nog het verschuldigde loon en de vakantiebijslag tot de ontslagdatum betalen. De werkneemster moest op haar beurt een gefixeerde schadevergoeding van € 2.106 betalen.
Let op: Wees als werkgever voorzichtig met de conclusie dat een werknemer die tijdens ziekte sport, niet ziek kan zijn. Dat oordeel is aan de bedrijfsarts. Het wordt anders wanneer een werknemer zelf een beeld van ernstige beperkingen schetst dat duidelijk niet strookt met wat hij of zij vervolgens doet. Leg bij twijfel de feiten goed vast, geef de werknemer gelegenheid om daarop te reageren en schakel zo nodig de bedrijfsarts in. Wilt u ontslag op staande voet geven, zorg dan dat de dringende reden zorgvuldig is vastgesteld en dat het ontslag onverwijld wordt gegeven.
Bij de behandeling van de belastingplannen voor 2027 is een motie aangenomen die beoogt de aftrek van specifieke zorgkosten toch te handhaven. De zorgkosten voor chronisch zieken dreigen de komende jaren immers sterk te stijgen. Wat wil de Tweede Kamer?
De motie verzoekt de regering om de Kamer te informeren over mogelijkheden om de stapeling van zorgkosten voor chronisch zieken te beperken door de aftrek specifieke zorgkosten te behouden en tegelijk deze doelmatiger te maken en meer te richten op ziektekosten van chronisch zieken, en de resterende dekking te zoeken in fiscale regelingen en de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken.
Let op: Het is nog afwachten wat de regering in reactie op deze motie gaat doen.
Biedt u een zakelijke auto aan uw werknemer, bijvoorbeeld een auto uit uw eigen wagenpark of een leaseauto? En gebruikt uw werknemer de auto ook privé of voor woon-werkverkeer? Dan betaalt u vanaf 1 januari 2027 extra belasting op zakelijke auto's met uitstoot of die niet helemaal uitstootvrij zijn. Het gaat om auto's met benzine-, diesel- of hybride aandrijving.
De grens van 500 kilometer privégebruik per jaar geldt niet voor deze extra belasting. Woon-werkverkeer telt hierbij als privégebruik.
De belasting is per jaar:
U betaalt de belasting via de loonheffing (pseudo-eindheffing). U mag deze belasting niet doorberekenen aan uw werknemer.
Het doel van de belasting is dat werkgevers alleen nog zakelijke auto's zonder uitstoot aan hun werknemers aanbieden, zoals volledig elektrische auto's.
Uitzondering: 7 dagen andere auto
De pseudo-eindheffing is niet van toepassing op een personenauto die aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld voor een aaneengesloten periode van ten hoogste zeven kalenderdagen per kalenderjaar.
Uitzondering: 14 dagen voor onderhoud of reparatie
De pseudo-eindheffing geldt niet voor een personenauto die tijdelijk ter beschikking wordt gesteld ter vervanging van een andere aan de werknemer ter beschikking gestelde personenauto wegens schade aan, onderhoud of reparatie van die andere personenauto, voor zover de vervanging niet langer dan 14 aaneengesloten kalenderdagen duurt per periode van onderhoud of reparatie.
Overgangsregeling
Voor zakelijke auto's met uitstoot die u voor 1 januari 2027 al aan uw werknemers beschikbaar heeft gesteld, geldt een overgangsregeling. Pas vanaf 1 januari 2031 betaalt u de extra belasting ook voor deze auto's. Eerder was dit vanaf 17 september 2030.
Let op: De overgangsregeling geldt uitsluitend voor de huidige werkgever. Een vertrekkende werknemer kan de fossiele auto in de praktijk dus niet bij zijn nieuwe werkgever onderbrengen. Dat kan leiden tot een flinke afkoopsom van het leasecontract, afhankelijk van de afspraken hierover. Onderbrengen bij een andere werknemer van de oude werkgever met overgangsrecht kan wel.
Uitleners van arbeid, zoals uitzendbureaus en detacheerders, mogen vanaf 1 januari 2027 alleen nog werknemers aan het werk zetten als zij door de Nederlandse Autoriteit Uitleenmarkt (NAU) zijn toegelaten tot de markt. Zonder toelating (vergunning) mag u geen arbeidskrachten uitlenen. Ondernemingen die arbeidskrachten inhuren (inleners) mogen geen zaken meer doen met niet-toegelaten uitleners.
Het toelatingsstelsel beschermt werknemers en met name arbeidsmigranten tegen slechte werkomstandigheden, weert malafide partijen van de markt, pakt misstanden in de uitzendsector aan en zorgt voor een eerlijke concurrentie tussen uitleners van personeel.
Om toelating (vergunning) te krijgen moet u als uitlener:
De Arbeidsinspectie gaat regelmatig controleren of uitleners zich aan de regels houden. Als u de toelating verliest, mag u niet meer arbeidskrachten uitlenen. Als u werkt zonder toelating, kunt u een boete krijgen.
Ook bedrijven die arbeidskrachten inlenen van uitzendbureaus zonder toelating kunnen een boete krijgen.
De Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) gaat in op 1 januari 2027. Op 1 januari 2028 gaat de Nederlandse arbeidsinspectie handhaven.
Tip: Wilt u als uitlener die gebruik maken van de overgangsregeling, dan moet u zich tussen 1 november 2026 en 1 januari 2027 melden op toelatinguitleenmarkt.nl. Als u onder de overgangsregeling valt, mag u personeel blijven uitlenen zolang het ministerie de aanvraag voor een vergunning nog niet heeft beoordeeld.
Stel u gebruikt de auto van de zaak tevens privé. Als u meer dan 500 kilometer op kalenderjaarbasis privé rijdt, krijgt u te maken met de fiscale bijtelling. Na enkele maanden krijgt u een nieuwe auto van de zaak die u uitsluitend zakelijk gaat gebruiken. Stopt de bijtelling als u het zakelijk gebruik ook met een sluitende kilometeradministratie kunt aantonen?
Nee die stopt niet. Als in de eerste maanden van het jaar al meer dan 500 kilometer privé is gereden, dan geldt de bijtelling voor het hele jaar, als het hele jaar een auto ter beschikking wordt gesteld. De keuze voor wel of geen bijtelling geldt dus voor het gehele jaar. Hierbij is het niet van belang of u van auto wisselt. De regeling moet simpel blijven, zodat slechts van belang is of er meer dan 500 kilometer op jaarbasis privé is gereden ongeacht de periode en ongeacht de auto als er een wisseling van auto heeft plaatsgevonden. Een werknemer of ondernemer dient per kalenderjaar een keuze te maken voor wel of geen privégebruik. Hierdoor is het niet mogelijk om bijvoorbeeld één periode in het jaar de bijtelling niet toe te passen als de auto tijdelijk niet privé wordt gebruikt. Het toestaan van één wisselmoment gedurende het jaar wordt op dit moment niet overwogen door het kabinet. Een dergelijk wisselmoment leidt ertoe dat het aantal kilometers dat privé gereden mag worden zonder bijtelling toe te hoeven passen (de 500-kilometergrens) aangepast moet worden.
Let op: Een omgekeerde overstap, van uitsluitend zakelijk naar wel privé rijden, kan er dus toe leiden dat met terugwerkende kracht de bijtelling over het gehele jaar dient plaats te vinden.
De maatregelen van het Belastingplan staan in verschillende wetsvoorstellen. De Tweede en Eerste Kamer moeten de wetsvoorstellen nog goedkeuren. Ze stemmen er in november en december over. Maar zoals u begrijpt, is de kans zeer groot dat er wijzigingen in de plannen komen. Wat zijn de belangrijkste voorstellen van het kabinet die op 1 januari 2028 moeten ingaan?
Afschaffen aftrek specifieke zorgkosten
Mensen die specifieke zorgkosten hebben, kunnen deze kosten aftrekken als zij hun aangifte inkomstenbelasting doen. Dit zijn bijvoorbeeld kosten voor hulpmiddelen of een dieet voorgeschreven door een arts. Hierdoor krijgen deze mensen geld terug via de Belastingdienst voor hun zorgkosten. Sommige mensen kunnen de aftrek specifieke zorgkosten niet helemaal gebruiken, omdat zij weinig belasting betalen. Zij kunnen daarvoor een tegemoetkoming specifieke zorgkosten (TSZ) krijgen.
Het kabinet wil de aftrek van specifieke zorgkosten per 1 januari 2028 afschaffen. Het is dan niet meer mogelijk om bepaalde zorgkosten af te trekken van de inkomstenbelasting. Ook de TSZ-regeling vervalt, omdat die bestaat vanwege de aftrek van specifieke zorgkosten.
Het kabinet reserveert vanaf 2028 wel geld om de zorgkosten te beperken voor mensen met een chronische ziekte. Het kabinet werkt in 2027 aan een compensatie voor deze groep mensen.
Btw op ballonvaarten gaat omhoog naar 21%
Biedt u ballonvaarten aan? Vanaf 1 januari 2028 stijgt de btw op ballonvaarten van 9% naar 21%. Het btw-tarief van 21% geldt voor ballonvaarten die vanaf 1 januari 2028 plaatsvinden. Betaalt een klant in 2027 voor een ballonvaart in 2028? Dan geldt ook al het btw-tarief van 21%.
Afschaffing laag btw-tarief (9%) op bloemen en planten
Bent u ondernemer in de sierteelt of verkoopt u bloemen en planten? De btw op sierteeltproducten verandert. De regering wil het verlaagde btw-tarief van 9% afschaffen. Het algemene btw-tarief van 21% gaat dan gelden voor alle sierteeltproducten, zoals:
Verkoopt u sierteeltproducten naar het buitenland? Dat blijft buiten deze btw-verhoging.
Willekeurige afschrijving starters stopt
Bent u een startende ondernemer voor de inkomstenbelasting en gebruikt u de startersaftrek? Dan mag u nu nog zelf bepalen hoe snel u wilt afschrijven op bedrijfsmiddelen die u kocht in de jaren dat u startersaftrek kon krijgen of in het jaar ervoor (het aanloopjaar). Deze regeling heet de willekeurige afschrijving starters.
De willekeurige afschrijving starters wordt vanaf 2028 afgeschaft. Dat betekent dat vanaf 2028 de gebruikelijke afschrijvingsregels voor bedrijfsmiddelen weer gelden.
Nieuwe aanvraag IOAZ-uitkering niet meer mogelijk
Vanaf 1 januari 2028 kunt u niet meer de uitkering Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) aanvragen. De IOAZ is een uitkering voor oudere ondernemers die stoppen omdat het bedrijf te weinig inkomsten oplevert of door gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Bent u 55 jaar of ouder, maar heeft u de AOW-leeftijd nog niet bereikt? Dan kunt u nog tot 1 januari 2028 de IOAZ aanvragen. Nieuwe aanvragen zijn daarna niet meer mogelijk. Voor ondernemers die op dat moment al een IOAZ-uitkering krijgen, verandert er niets.
Let op: Bent u ondernemer in de bosbouw? Met de bosbouwvrijstelling hoeft u over de winst uit uw bosbouwbedrijf geen belasting te betalen. Voorgesteld wordt dat vanaf 1 januari 2029 de bosbouwvrijstelling vervalt.
De maatregelen van het Belastingplan staan in verschillende wetsvoorstellen. De Tweede en Eerste Kamer moeten de wetsvoorstellen nog goedkeuren. Ze stemmen er in november en december over. Maar zoals u begrijpt, is de kans zeer groot dat er wijzigingen in de plannen komen. Wat zijn de belangrijkste voorstellen van het kabinet die op 1 januari 2027 moeten ingaan?
Verlaging overdrachtsbelasting woningen
Het kabinet wil de overdrachtsbelasting verlagen bij de aankoop van een woning waar de koper niet zelf in gaat wonen. Op 1 januari 2027 gaat deze overdrachtsbelasting dan van 8% naar 7%. Het gaat bijvoorbeeld om een woning die de koper gaat verhuren.
Afschaffen belastingvrije personeelskorting
Werkgevers kunnen hun personeel ieder jaar maximaal € 500 aan personeelskorting geven op eigen producten. Een supermarkt kan werknemers bijvoorbeeld korting geven op boodschappen. Met een maximum van 20% korting per keer.
Het kabinet stelt voor om deze belastingvrijstelling voor korting op producten uit het eigen bedrijf per 1 januari 2027 af te schaffen. Werkgevers kunnen hun personeel dan nog wel belastingvrije korting geven op eigen producten. Zij kunnen hiervoor de vrije ruimte van de werkkostenregeling (WKR) gebruiken. Werkgevers hoeven na de afschaffing van de belastingvrije personeelskorting geen aparte maximumbedragen meer bij te houden. Dit maakt de administratie makkelijker.
Bevriezen maximuminkomen voor pensioenopbouw
Het kabinet wil dat het maximuminkomen tot waar mensen fiscaal aantrekkelijk pensioen opbouwen (de aftoppingsgrens) zes jaar lang – van 2027 tot en met 2032 – hetzelfde blijft. Die grens groeit dan niet mee met de loonontwikkeling. De aftoppingsgrens blijft € 137.800. In 2027 hebben ongeveer 280.000 mensen met de aftoppingsgrens te maken. Omdat de lonen doorstijgen, loopt dit aantal op tot ongeveer 790.000 mensen in 2032.
Lagere belasting op aandelenopties start-ups en scale-ups
Heeft u een start-up of scale-up? U kunt uw werknemers met ingang van 2027 makkelijker belonen met aandelenopties. Met aandelenopties kunnen werknemers financieel meegroeien met uw bedrijf. Als de aandelen na een tijd meer waard zijn, kunnen zij die nog steeds kopen voor het oorspronkelijke bedrag.
Een start-up of scale-up is een bedrijf dat bijvoorbeeld:
De belastingregels veranderen voor aandelen in start-ups en scale-ups en voor het geven van aandelenopties. De belangrijkste veranderingen zijn:
Wilt u gebruikmaken van de nieuwe regels voor aandelenopties? Dan moet uw bedrijf erkend zijn als start-up of scale-up. Hiervoor gelden specifieke voorwaarden. U vraagt hiervoor een beoordeling aan bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Voldoet uw bedrijf niet meer aan de voorwaarden? Dan moet u dit melden bij RVO.
Meewerkaftrek wordt minder en verdwijnt daarna
De meewerkaftrek gaat met 75% omlaag per 1 januari 2027. De meewerkaftrek stopt helemaal in 2030. U kunt de meewerkaftrek (onder voorwaarden) gebruiken als uw fiscale partner meewerkt in uw onderneming. U betaalt dan minder belasting over uw winst. Hoe hoog de meewerkaftrek is, heeft te maken met uw winst en het aantal uren dat uw fiscale partner meewerkt.
De verlaging van de meewerkaftrek ziet er zo uit:
Stakingsaftrek wordt minder en verdwijnt daarna
Als u stopt met uw onderneming (bijvoorbeeld door verkoop), dan kunt u daardoor stakingswinst hebben. U moet belasting betalen over deze stakingswinst. U kunt dan de stakingsaftrek gebruiken. Zo betaalt u minder belasting over de stakingswinst. De stakingsaftrek gaat per 1 januari 2027 omlaag van € 3.630 naar € 908. In 2030 stopt de stakingsaftrek helemaal.
Startersaftrek gaat omlaag en verdwijnt
Bent u startende ondernemer en hebt u recht op startersaftrek? Per 1 januari 2027 daalt de startersaftrek van € 2.123 naar € 10. Vanaf 1 januari 2028 bestaat de startersaftrek niet meer. Er is geen speciale regeling voor ondernemers die al een onderneming zijn gestart. Ook voor hen daalt de startersaftrek in 2027 en verdwijnt die in 2028.
Zelfstandigenaftrek verder omlaag
Heeft u recht op zelfstandigenaftrek? Het bedrag dat u mag aftrekken van uw winst wordt lager. In 2025 was de zelfstandigenaftrek nog € 2.470 en in 2026 is dat: € 1.200. In 2027 wordt de zelfstandigenaftrek verder afgebouwd naar € 900.
Maximum forfait innovatiebox gaat omhoog naar € 100.000
Heeft uw BV zelf innovaties ontwikkeld? Dan kunt u met de innovatiebox mogelijk belastingvoordeel krijgen over de winst uit deze innovaties. De innovatiebox is een fiscale regeling binnen de vennootschapsbelasting.
U kunt nu in bepaalde situaties de voordelen uit uw innovaties berekenen met een vast percentage (de forfaitaire regeling). U hoeft dan niet precies te berekenen welk voordeel de zelf ontwikkelde innovaties uw bedrijf opleveren. U mag voor dit voordeel uitgaan van 25% van de winst, met op dit moment een maximum van € 25.000.
Het kabinet wil het maximum forfait van de innovatiebox verhogen van € 25.000 naar € 100.000. Hierdoor kunt u meer belastingvoordeel krijgen via de innovatiebox.
Verlengen korting op accijns voor benzine en diesel
Het kabinet wil de huidige accijnsverlaging op benzine en diesel met 1 jaar verlengen tot eind 2027. In 2027 wordt het tarief van de benzineaccijns door de korting ongeveer € 0,85 per liter. Het tarief van de dieselaccijns wordt ongeveer € 0,55 per liter. Zonder de verlenging van de korting zou dat ongeveer € 1,03 voor benzine en € 0,67 voor diesel zijn. In 2028 gaat de korting omlaag. Vanaf 1 januari 2029 is er geen korting meer op de brandstofprijs.
Hogere bijtelling voor oude zakelijke auto (youngtimer)
Heeft u een oudere zakelijke auto (16 jaar of ouder) en gebruikt u de youngtimerregeling? De leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling gaat veranderen:
De eerdere verhoging van leeftijd naar 25 jaar gaat niet door. Het kabinet bouwt de regeling geleidelijk af, zodat autobedrijven en ondernemers minder plotseling geraakt worden door stijgende kosten.
Met de youngtimerregeling geldt er voor oudere auto’s (youngtimers) een bijtellingspercentage van 35% over de waarde in het economisch verkeer (dagwaarde). Voor auto’s die geen youngtimer zijn, geldt een bijtellingspercentage van 22% of 25% (afhankelijk van de exacte leeftijd) over de cataloguswaarde. De bijtelling op basis van de dagwaarde is bij een youngtimer over het algemeen lager dan de bijtelling over de cataloguswaarde.
Als uw auto niet meer onder de regeling valt door de nieuwe leeftijdsgrens, dan betaalt u over het algemeen een hogere bijtelling.
De wijziging van de youngtimerregeling gaat naar verwachting in vanaf 1 januari 2027. Voor auto’s die al voor 2026 door dezelfde persoon werden gebruikt en die in 2027 17 jaar worden geldt overgangsrecht. Voor deze auto’s kan heel 2027 de youngtimerregeling worden toegepast.
Let op: De onbelaste reiskostenvergoeding is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer. Dat is nu in een wetsvoorstel vastgelegd.
Met ingang van 1 januari 2026 kent het belastingverdrag Nederland-Duitsland een zogenoemde thuiswerkregeling. Een werknemer kan in een kalenderjaar maximaal 34 dagen thuiswerken zonder dat dit gevolgen heeft voor de heffingsrechten van Duitsland en Nederland over zijn inkomen. Een kennisgroep van de Belastingdienst heeft hierover enkele praktijkvragen beantwoord.
Drempelregeling
Het gaat om drempelregelingen. Zodra de drempel van 34 dagen wordt overschreden, gelden de gebruikelijke toewijsregels voor het totale arbeidspatroon in het betreffende jaar. Een dag telt mee als op die dag ten minste 30 minuten in de woonstaat of derde staat wordt gewerkt. De 34-dagen drempel (hierna: de drempel) heeft tot enkele vragen geleid. We behandelen er drie. Alle vragen gaan over een inwoner van Duitsland die in Nederland werkt, de antwoorden gelden echter ook in een spiegelbeeldsituatie.
Vraag 1
Een werknemer werkt voor meerdere Nederlandse private werkgevers deels (thuis) in Duitsland. Geldt de drempel per werknemer (belastingplichtige) of per dienstbetrekking?
De drempel geldt per werknemer (belastingplichtige). Alle werkdagen in Duitsland worden opgeteld om te bepalen of het er 34 of meer zijn. Het maakt daarbij geen verschil of er gelijktijdig voor meerdere werkgevers (in deeltijd) wordt gewerkt, of dat er volgtijdig voor verschillende werkgevers wordt gewerkt.
Vraag 2
Een werknemer werkt voor een Nederlandse private werkgever minder dan 34 dagen (thuis) in Duitsland. Daarnaast werkt hij ook voor een Duitse private werkgever uitsluitend in Duitsland. Tellen dagen waarop enkel voor de Duitse werkgever wordt gewerkt mee voor de drempel?
Nee, de dagen waarop enkel gewerkt wordt voor de Duitse werkgever tellen niet mee voor de drempel.
Vraag 3
Een werknemer werkt voor een Nederlandse werkgever en werkt incidenteel op locatie in Duitsland (bijvoorbeeld als gevolg van congresbezoek of een kortdurende detachering). Tellen de op locatie (dus niet thuis) gewerkte dagen mee voor de drempel?
Ja, ook de dagen die op locatie in Duitsland worden gewerkt tellen mee voor de drempel.
Let op: In deze tijd van flexibel werken en afstandswerk is vaak niet eenvoudig vast te stellen waar, wanneer en hoe lang een werknemer voor de werkgever heeft gewerkt. Vanwege de grote fiscale en sociale verzekeringstechnische gevolgen is exacte vastlegging hiervan toch belangrijk.
De Belastingdienst ontvangt regelmatig aangiften erf- of schenkbelasting waarin een landgoed met een rangschikking volgens de Natuurschoonwet 1928 (NSW) wordt verkregen. Bij de behandeling van deze aangiften komen vaak dezelfde vragen en aandachtspunten naar voren. Wat zijn de belangrijkste punten waarop u zich kunt voorbereiden?
Bij een schenking of erfrechtelijke verkrijging van een NSW-landgoed gaat het in de aangifte om twee waarden: de waarde in het economisch verkeer en de bestemmingswaarde.
Waarde in het economisch verkeer en bestemmingswaarde
De waarde in het economisch verkeer is het hoogste bedrag dat een koper onder de meest gunstige omstandigheden voor het landgoed zou betalen op de datum van overlijden of schenking. Daarbij gaat het om de opstallen en de landerijen.
De bestemmingswaarde is de waarde in het economisch verkeer, verminderd met de kosten die voortvloeien uit de verplichting om het landgoed minimaal 25 jaar in stand te houden. Bij een opengesteld landgoed hoeft de bestemmingswaarde niet in de aangifte te worden opgenomen.
Waardering van het landgoed
Voor de waardering van het landgoed is de waarde in het economisch verkeer het uitgangspunt. Voor woningen op het landgoed geldt de WOZ-waarde.
Is het landgoed opengesteld voor publiek? Dan blijft de belasting die toerekenbaar is aan de waarde in het economisch verkeer van het landgoed onder voorwaarden gedurende 25 jaar buiten invordering voor de verkrijger van het landgoed.
Bestemmingswaarde alleen relevant bij niet-opengestelde landgoederen
Bij een schenking of erfrechtelijke verkrijging van een niet-opengesteld landgoed is de bestemmingswaarde van belang voor de berekening van de NSW-faciliteit.
Over de helft van de bestemmingswaarde is direct erf- of schenkbelasting verschuldigd. Het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en de helft van de bestemmingswaarde blijft onder voorwaarden gedurende 25 jaar buiten invordering.
Erf, tuin en aanhorigheden apart waarderen
Bij de behandeling van aangiften blijkt regelmatig dat het erf, de tuin en andere aanhorigheden bij een woning op het landgoed niet afzonderlijk zijn gewaardeerd. Voor de WOZ-waarde geldt hiervoor een vrijstelling. Deze vrijstelling geldt echter niet voor de erf- en schenkbelasting. Laat deze onderdelen daarom ook taxeren. Neem de getaxeerde waarde vervolgens op bij de waarde in het economisch verkeer van de opstallen.
Woning op een NSW-landgoed
Bij een woning op een NSW-landgoed is de WOZ-waarde gelijk aan de bestemmingswaarde. Daarbij maakt het niet uit of het landgoed wel of niet is opengesteld voor publiek. Is het landgoed opengesteld voor publiek? Dan hoeft u de bestemmingswaarde niet in te vullen in de aangifte erf- of schenkbelasting.
Geef wel de waarde in het economisch verkeer aan van het opengestelde landgoed. En vergeet dus niet het erf, de tuin en aanhorigheden te laten taxeren.
Tip: Het bezit van een landgoed biedt fiscale voordelen. Een brochure hierover vindt u hier. De wijzigingsvoorstellen rond box 3 hebben echter ook gevolgen voor landgoederen.