Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170

  • Home
  • Diensten
    • Online boekhouding
    • Belastingaangiften
    • Salarisadministratie
    • Jaarrekeningen
    • Basisadministratie
    • Starterspakket MKB
    • Financiële rapportages
    • Werken bij jou op locatie
  • Abonnementen
    • Brons
    • Zilver
    • Goud
    • Platinum
  • Over ons
  • Nieuws
  • Contact
  • Jouw dashboard
Nieuws & Tips die Tijd & Geld opleveren
In 2026 meer ruimte om met belastingvoordeel energiezuinig te investeren

In 2026 meer ruimte om met belastingvoordeel energiezuinig te investeren

17 jan.

Ondernemers krijgen in 2026 meer ruimte om met belastingvoordeel te investeren in energiezuinige technieken. Hiervoor is € 460 miljoen beschikbaar, een verhoging van € 29 miljoen vergeleken met 2025. De Energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert energiebesparing, CO2-vermindering en duurzame economische groei. Wat zijn de opvallendste wijzigingen in de Energielijst voor 2026?

De basis van de EIA is de Energielijst, met daarop verschillende innovatieve, energiebesparende en duurzame energietechnieken. Bedrijven die investeren in bedrijfsmiddelen van de Energielijst hebben belastingvoordeel, omdat ze 40% van de investeringskosten mogen aftrekken van hun fiscale winst. Ondernemers vragen het belastingvoordeel aan bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). RVO past de Energielijst elk jaar aan. Voor 2026 zijn bedrijfsmiddelen toegevoegd en verwijderd, of zijn de eisen van investeringen aangepast.

 

1 Bedrijfsgebouwen

Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):

  • Verduurzaming van bestaande luchtbehandelingskasten.
  • Biobased isolatie. Dit type isolatie heeft een lage mileubelasting.
  • Investeringen in zonwering. U kunt nu ook belastingvoordeel krijgen als u zonwering combineert met HR+++-glas.
  • Vloeistof gerelateerde warmtepompen met een halogeenvrij koudemiddel. Als u deze gebruikt in nieuwe bedrijfsgebouwen, krijgt u hier belastingvoordeel voor.
  • Voor het isoleren van vloeren in bestaande constructies krijgt u nu ook belastingvoordeel.

Andere aanpassingen, eisen en voorwaarden

  • RVO vraagt niet meer om een vooraf afgemeld energielabel van het gebouw als u een bestaand bedrijfsgebouw energiezuiniger maakt.

U krijgt in 2026 alleen nog energie-investeringsaftrek voor deze investeringen in bepaalde situaties:

  • Energiezuinige ventilatoren in bewaarloodsen. U krijgt alleen belastingvoordeel voor ventilatoren die u gebruikt voor seizoensopslag van agrarische producten.
  • Alleen voor warmtepompboilers en lucht/water warmtepompen met een halogeenvrij koudemiddel krijgt u nog belastingvoordeel.
  • Voor alle types warmtepompen geldt een maximaal investeringsbedrag waarvoor u belastingvoordeel krijgt. Het is hierdoor duidelijker voor welk bedrag u voordeel krijgt.
  • Voor een cv-ketel die u inzet als hoofdverwarming en die werkt op fossiele brandstoffen krijgt u geen belastingvoordeel meer.
  • De eisen voor de energiezuinige circulatiepompen (drooglopers) zijn verhoogd naar IE5 om alleen de meest energiezuinige variant te stimuleren.

 

2 Processen

Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):

  • Een elektrisch aangedreven drone waarmee u op landbouwgrond zaait of bemest.
  • Als u lucht droogt met een adsorptiedroger met geïntegreerde warmtepomp.
  • Nieuwe energiezuinige techniek voor het beluchten van afvalwater.
  • Voor een koudebuffer krijgt u nu ook belastingvoordeel als onderdeel van een energie-efficiënte melkkoeling, omdat u hiermee lokaal opgewekte duurzame energie op kunt slaan.

Andere eisen of omschrijving
U krijgt in 2026 energie-investeringsaftrek voor uw investeringen in bepaalde situaties:

  • Bij de energiezuinige koel- en/of vriescondensoreenheid krijgt u alleen nog voor de kosten van de verdampers (de koeling zelf) in koel- of vriesmeubelen belastingvoordeel. Ook geldt het maximale investeringsbedrag waarvoor u belastingvoordeel krijgt, nu voor de hele investering. Het totale vermogen van condensoreenheden binnen dezelfde inrichting mag niet hoger zijn dan 50 kW.
  • U krijgt alleen nog belastingvoordeel voor motoren met een efficientiëklasse van minimaal IE5. Klasse IE4-motoren vallen onder verplichte energiebesparende maatregelen.

Geen energie-investeringsaftrek meer
U krijgt in 2026 geen energie-investeringsaftrek meer voor deze investeringen:

  • Een hoogfrequent hoogrendementslader voor tractiebatterijen.

 

3 Vervoersmiddelen

Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):

  • Aerodynamische vrachtwagencabine. Hiermee verlaagt u de luchtweerstand van de vrachtwagen.

 

4 Duurzame energie

Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):

  • Zonnepanelen met dichroïsche spiegels. U benut hiermee het licht voor elektriciteitsopwekking en het overige licht wordt doorgelaten naar de onderliggende ruimte, bijvoorbeeld een tuinbouwkas.
  • Een kleine hoogwaardig geïsoleerde elektrische boiler. Daarmee kunt u lokaal opgewekte duurzame energie opslaan. 

Aanpassingen aan eisen en voorwaarden
Voor deze investeringen gelden in 2026 andere eisen om belastingvoordeel te krijgen:

  • Door het vervallen van de salderingsregeling, wordt de terugverdientijd van de kleinere installaties met zonnepanelen voor elektriciteitsopwekking langer. Daarom is het gezamenlijk maximale piekvermogen van deze zonnepaneelsystemen verhoogd. U krijgt nu belastingvoordeel voor systemen tot 100 kW.
  • Voor een lood-gel accu krijgt u nu belastingvoordeel, voor een accu met vloeibaar loodzuur niet. Daarnaast is duidelijker beschreven dat u voor de bepaling van het vermogen van de duurzame energieopwekinstallatie mag uitgaan van het piekvermogen van deze installatie.

Geen energie-investeringsaftrek meer
U krijgt in 2026 geen energie-investeringsaftrek meer voor deze investeringen:

  • De techniek om van warmte-energie bruikbare mechanische energie te maken (kalinacyclus). Deze techniek werd namelijk niet gebruikt voor duurzame energie. Deze techniek vindt u nog wel terug bij investeringen in processen.

Energiebalancering en energietransitie

Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):

  • Mobiele systemen met een vliegwiel. Hiermee kunt u energie opslaan.
  • Hybride ovens met een minimaal elektrisch vermogen van 200 kW.
  • Voor de opslag van overtollige warmteopslag krijgt u belastingvoordeel voor meer systemen.
  • U heeft meer mogelijkheden voor belastingvoordeel bij de ombouw van een werktuig op fossiele brandstoffen naar een elektrisch werktuig.
  • U krijgt nu ook belastingvoordeel voor investeringen in het collectief verwarmen en/of koelen van nieuwe bedrijfsgebouwen en/of nieuwe woningen als u dit doet met een warmtepomp met een halogeenvrij koudemiddel. 

Niet meer onder energiebalancering

  • U vindt een investering in een mobiele elektriciteitsvoorziening nu onder 'energietransitie'. Dit is omdat deze mobiele systemen niet ingezet worden voor het balanceren van energie, maar om fossiele brandstof aangedreven installaties te vervangen.

Tip: U vindt de Energielijst 2026 op de website van RVO.

Veranderingen loonkostenvoordeel voor doelgroep banenafspraak in 2026

Veranderingen loonkostenvoordeel voor doelgroep banenafspraak in 2026

15 jan.

Per 1 januari 2026 is de wetgeving rondom de banenafspraak gewijzigd. Werkgevers kunnen makkelijker gebruik maken van het loonkostenvoordeel (LKV) voor de doelgroep banenafspraak. Het loonkostenvoordeel (LKV) is een tegemoetkoming voor werkgevers die oudere werknemers en werknemers met een arbeidsbeperking in dienst hebben of nemen. Ook wordt de doelgroep banenafspraak verbreed. Sommige mensen met een Wajong- of WIA-uitkering vallen sinds 1 januari 2026 onder de doelgroep banenafspraak.

Makkelijker loonkostenvoordeel
Als een werkgever recht heeft op het LKV voor een werknemer uit de doelgroep banenafspraak, is sinds 1 januari 2026 niet langer een doelgroepverklaring nodig. De werkgever kan het LKV krijgen als de werknemer in het doelgroepregister staat. Via het werkgeversportaal van het UWV kan een werkgever zelf zien of een medewerker in het doelgroepregister staat. In de loonaangifte bij de Belastingdienst geeft de werkgever aan het LKV voor de doelgroep banenafspraak te willen ontvangen. 

LKV doelgroep banenafspraak structureel
Eerst kon de werkgever het LKV voor werknemers van de doelgroep van de banenafspraak voor maximaal 3 jaar ontvangen. Nu kan de werkgever dit LKV ontvangen zolang de werknemer in dienst is.

Als een werknemer in dienst is gekomen vóór 1 januari 2026 kan nog tot en met 3 maanden na de start van het dienstverband een doelgroepverklaring banenafspraak worden aangevraagd volgens de oude regeling.

Voor 2 groepen werknemers kan de werkgever sinds 1 januari 2026 geen LKV doelgroep banenafspraak meer krijgen:  

  • scholingsbelemmerden
  • werknemers met een indicatie beschut werk op grond van de Participatiewet

Doelgroep banenafspraak verbreed
Mensen met een Wajong-uitkering die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en werken bij een gewone werkgever vallen sinds 1 januari 2026 onder de doelgroep banenafspraak. Ook mensen met een WIA-uitkering die nu en in de toekomst niet of nauwelijks kunnen werken (IVA) en werken met loondispensatie vallen nu onder de doelgroep banenafspraak. Deze groepen staan echter pas vanaf maart 2026 in het doelgroepregister. 

Andere voordelen en regelingen
Als een werknemer in het doelgroepregister staat, kan de werkgever ook van andere voordelen en regelingen gebruik maken.

  • Werkgevers kunnen een vergoeding krijgen voor niet-meeneembare aanpassingen aan de werkplek voor werknemers met een ziekte of handicap.
  • Met de compensatieregeling oudere werknemers krijgen werkgevers looncompensatie voor werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1962. En vanuit een WW-uitkering in dienst zijn gekomen.
  • Werkgevers kunnen een vergoeding krijgen voor een interne jobcoach die werknemers met een ziekte of handicap begeleidt.
  • Met loondispensatie mogen werkgevers minder loon betalen aan werknemers met een Wajong- of IVA-uitkering.
  • Loonkostensubsidie is voor werkgevers die iemand met een ziekte of handicap in dienst nemen. 
  • De no-riskpolis is voor werknemers die ziek zijn of waren, of een andere arbeidsbeperking hebben. De werkgever maakt hierdoor minder kosten. 
  • Bij een proefplaatsing werkt iemand met een uitkering 2 maanden op proef bij een werkgever. De werkgever hoeft dan geen loon te betalen.
  • Met de werkkostenregeling geeft een werkgever een vergoeding aan een werknemer met een Wajong-uitkering. Deze vergoeding wordt niet verrekend met de uitkering.

Tip: Hier vindt u meer informatie over het in dienst nemen van iemand uit de doelgroep van de banenafspraak met loonkostenvoordeel.

Belastingvoordeel 2026 voor milieuvriendelijke investeringen

Belastingvoordeel 2026 voor milieuvriendelijke investeringen

11 jan.

Voor 2026 trekt de overheid € 155 miljoen uit voor de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). Hiermee krijgen ondernemers belastingvoordeel als zij investeren in een van de ruim 200 innovatieve en milieuvriendelijke technieken die op de Milieulijst 2026 staan. Op de lijst staan een aantal nieuwe innovatieve technieken. Voor enkele investeringen die al op de Milieulijst stonden, zijn de mogelijkheden uitgebreid.

Met het belastingvoordeel van de MIA/Vamil maakt de overheid investeren in innovatieve, milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen extra aantrekkelijk. Jaarlijks doen bedrijven voor € 3 tot 5 miljard aan milieu-investeringen een beroep op de MIA/Vamil. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de regelingen uit.

Investeringen waarvoor ondernemers via de MIA/Vamil belastingvoordeel kunnen krijgen, staan op de Milieu- en Energielijst 2026. Deze krijgt ieder jaar een update: vergeleken met 2025 staan er 12 nieuwe innovatieve investeringen op de lijst, zijn 78 investeringen gewijzigd en 27 investeringen verwijderd. Wat zijn de opvallendste wijzigingen?

 

1 Verkeer en vervoer (mobiliteit)
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor:

  • een elektrische maaiboot (E 3351).
  • een mobiele reinigingsinstallatie voor rijplaten op een truckchassis (E 3421).
  • een elektrische funderingsmachine ( E 3422).
  • elektrische bakfietsen (D 3119 en F 3120) die u gebruikt voor het vervoer van dieren.
  • oplaadkluizen (F 3211) die u gebruikt voor het opladen van elektrisch (hand-) gereedschap.

U krijgt geen belastingvoordeel meer voor:

  • een oplaadpunt voor elektrische zware voertuigen en mobiele werktuigen (F 3721). Hiervoor kunt u de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bij bedrijven (SPRILA) gebruiken.
  • walstroomaansluitingen (G 3390 en G 3395).
  • fouling release systemen (B 3332). 

Het is in 2026 niet meer mogelijk MIA en Vamil te combineren met de volgende subsidies:

  • Subsidie Schoon en Emissieloos Bouwmateriaal (SSEB).
  • Subsidieregeling Waterstof in mobiliteit (SWIM).

Daarnaast veranderen een aantal voorwaarden voor belastingvoordeel op:

  • elektrische bussen (A 3108). U krijgt alleen nog belastingvoordeel voor T100 touringcars die 100 kilometer per uur mogen rijden.
  • elektrische mobiele werktuigen. Het bedrag waarvoor u in 2026 belastingvoordeel krijgt, is verhoogd naar 90% van het investeringsbedrag. Het minimale investeringsbedrag is € 25.000 

 

2 Grondstoffen- en watergebruik
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor: 

  • een toiletreinigingssysteem dat kalkaanslag en ander vuil verwijdert door ultrasone trillingen (A 1222).
  • herbruikbare afdekhoezen voor het vastzetten van lading voor transport op pallets en rolcontainers (D 1265). Door een verplichte terugnamegarantie stimuleren we producenten om afdekhoezen een langere levensduur te geven.
  • een voorziening voor het inzamelen van verfresten en spoelwater met een registratiesysteem (F 1703). Door een wasstation met spoelwaterrecycling te gebruiken, kunt u schildergereedschappen beter hergebruiken.

 

3 Voedselvoorziening- en landbouwproductie
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor:

  • een UV-gewasbeschermingsinstallatie op een glastuinbouwbedrijf (D 2132).
  • een installatie voor organische nitraatproductie op een glastuinbouwbedrijf (F 2151).
  • een automatisch meetsysteem voor ammoniakemissie in een stal (F 2207).
  • luisdicht insectengaas voor pootaardappelen (B 2337).
  • een CO₂-vervloeiingsinstallatie (D 2654).

U krijgt geen belastingvoordeel meer voor:

  • een autonome mestverzamelrobot (B 2213), een ruwvoermengsysteem voor herkauwers (A 2218) en mulch-apparatuur (A 2375). U krijgt hiervoor geen belastingvoordeel meer, omdat deze technieken nu gangbaar zijn. U krijgt nog wel belastingvoordeel voor mestverzamelrobots die u gebruikt in huisvestingssysteem HA 1.38 onder bedrijfsmiddel F 2206.
  • tanks, trekkende of dragende voertuigen bij plaatsspecifieke bemestingsapparatuur (E 2322) of bij een spuitmachine met detectie voor plaatsspecifieke toediening (B 2324). Alleen voor apparatuur die u gebruikt voor precisiebemesting of bespuiting, krijgt u nog belastingvoordeel.

Ook veranderen een aantal voorwaarden voor belastingvoordeel op:

  • duurzame stallen. Een aantal huisvestingssystemen is uit de maatlat (MDV16) verwijderd. Daarmee vervallen een aantal extra voorwaarden rondom grondgebondenheid en het aantal dierplaatsen in de omschrijving van de stallen.
  • biologische melkvee- en pluimveestallen (B 2201). U krijgt alleen nog belastingvoordeel voor huisvestingssystemen waarvan uitstootvermindering (emissiereductie) is bewezen of zeer waarschijnlijk is.
  • een stofemissiereducerende techniek voor een pluimveestal (D 2235).

 

4 Klimaat en lucht
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor:

  • stookinstallaties met een thermisch vermogen van meer dan 50 megawatt, onder een selectieve katalytische reductie-installatie (D 4315).
  • aggregaten op biopropaan voor stroomvoorziening van lokale activiteiten (F 4317). Aggregaten op biogas kregen al belastingvoordeel.
  • klimaatsystemen met dauwpuntkoeling (E 4241). De mogelijkheden om klimaatsystemen met dauwpuntkoeling te drogen, zijn uitgebreid.

Ook veranderen voorwaarden voor belastingvoordeel op:

  • hoogspanningsschakelsysteem of gasgeïsoleerde leiding met een laag GWP-isolatiegas (A 4210). Alleen voor systemen voor het doorschakelen of het transport van hoogspanning van minimaal 146 kilovolt, krijgt u voortaan belastingvoordeel.

 

5 Bouw (gebouwde omgeving) en klimaatadaptatie
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor:

  • onkruidbestrijdingsmachine voor verhard oppervlak op basis van hoogspanning (A 5151).
  • het verzamelen en afvoeren van zwerfafval op het land (kustgebieden en binnenwateren), dat valt onder bedrijfsmiddel F 5121.

Daarnaast veranderen voorwaarden voor belastingvoordeel op investeringen in:

  • Voor alle gebouwen op de Milieulijst geldt dat een vakbekwame EP-U/D adviseur de BENG-berekeningen moet opstellen.
  • BREEAM- en GPR-gebouwen met industriefunctie. Voor deze gebouwen is het maximale bruto vloeroppervlak waarvoor u belastingvoordeel krijgt, verhoogd van 5.000 vierkante meter bvo naar 7.000 vierkante meter bvo.
  • circulaire gebouwen en woningen (G 5200 en G 5202). Het belastingvoordeel van MIA richt zich op innovatieve circulaire gebouwstrategieën. Voor strategie 1c (losmaakbaarheid) let RVO op niet-traditionele bouw. Daarom koppelt RVO deze eis aan de Losmaakbaarheidsindex (Li). Ook is de MPG-eis voor woningen aangepast: de hoogte van de MPG-eis berekent RVO aan de hand van het gebruiksoppervlak.
  • Heeft u een MIA-aanvraag gedaan voor een circulair gebouw of circulaire woning? Dan mag u voor de kosten voor het biodivers en klimaatrobuust inrichten van het bijbehorende bedrijfsterrein, een aparte aanvraag indienen. Dit geldt voor de bedrijfsmiddelen in paragraaf 5.1 en 5.3. Voor duurzame gebouwen volgens BREEAM of GPR mag dit niet. Hier blijft gelden dat u voor de terreinkosten geen aparte aanvraag mag indienen.
  • vergroenen van bedrijfsterreinen (E 5341). Hiervoor gelden maximale bedragen per vierkante meter.

Tip: De Milieulijst 2026 vindt u op de website van RVO.

Kleding influencer aftrekbaar?

Kleding influencer aftrekbaar?

8 jan.

Een influencer en vlogger produceert op social media voor eigen rekening unboxing video’s. Het doel is om meer volgers, sponsoren en commissies uit affiliate marketing aan te trekken. Fiscaal is sprake van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Zijn de kosten van de zelf aangeschafte kleding en accessoires aftrekbaar? Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt bepaald.

Drie scenario’s
Nadat de influencer de unboxing video's heeft gemaakt, is het gebruik van de kleding in drie scenario's te onderscheiden:

  1. verkoop aan derden,
  2. eigen gebruik voor privédoeleinden en
  3. eigen gebruik voor andere ondernemingsdoeleinden.

Vragen

  1. Zijn de uitgaven voor kleding op zakelijke gronden gedaan, dat wil zeggen met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming?
  2. Zo ja, is de kostenaftrek voor kleding beperkt?
  3. Zo ja, is de influencer aan te merken als een artiest of presentator, zodat de aftrekbeperking niet van toepassing is?

Antwoorden kennisgroep Belastingdienst

  1. Ja, de uitgaven voor kleding zijn op zakelijke gronden gedaan. De uitgaven zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming.
  2. Ja, indien de kosten zijn gemaakt ten behoeve van belastingplichtige zelf, is de wettelijke aftrekbeperking van toepassing. Dit is mogelijk het geval in scenario 3. De kleding kan niet worden aangemerkt als werkkleding.
  3. Nee, de influcencer is geen artiest of presentator.

Beschouwing bij antwoord 1
De zakelijke functie van de kleding staat vast. De kleding wordt gebruikt voor het produceren van een unboxing video die hiermee een bijdrage levert aan de ondernemingsactiviteiten en de omzetgroei. 

Beschouwing bij antwoord 2
Kledingkosten (met uitzondering van kosten voor werkkleding) die ten behoeve van een belastingplichtige zelf zijn gemaakt worden door de wet van aftrek uitgesloten. Onder kleding moeten ook schoeisel en accessoires worden begrepen.

Ten aanzien van scenario’s 1 en 2 is er geen sprake van kledingkosten ‘ten behoeve van de belastingplichtige zelf’ ondanks het feit dat de influencer de kleding op video heeft vertoond door de kleding uit te pakken en zelf te dragen. In de voornoemde scenario’s zijn de kledingkosten gemaakt met het doel om kortstondig bij te dragen aan het produceren van de unboxing video’s, wat een (kern)activiteit is van de eenmanszaak. Van zogenaamd gemengd gebruik is geen sprake in deze scenario’s. De kledingkosten worden in scenario’s 1 en 2 dus niet in aftrek beperkt.

Let op: Bij scenario 2 vervult de kleding na het produceren van de unboxing video’s geen functie meer binnen de onderneming en vindt op dat moment een onttrekking van de kleding naar privé plaats tegen de waarde in het economisch verkeer.

Bij scenario 3 is voor wat betreft het uitpakken en het kortstondig op video dragen van de kleding geen sprake van kledingkosten ‘ten behoeve van de belastingplichtige zelf’. Indien de influencer de kleding vervolgens gebruikt voor ondernemingsdoeleinden anders dan het produceren van unboxing video’s is er mogelijk wel sprake van kledingkosten ‘ten behoeve van de belastingplichtige zelf’.

De kleding vormt geen werkkleding omdat deze niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om in het kader van de onderneming te worden gedragen. Deze kleding is juist bedoeld om voor privédoeleinden te worden gedragen.

Beschouwing bij antwoord 3
Het begrip ‘presentator’ betekent ‘het aankondigen en begeleiden van activiteiten van anderen bij een volgende gebeurtenis en niet om activiteiten die primair zijn gericht op het verkopen van goederen of diensten. De unboxing video’s zijn gericht op de influencer zelf en de producten die op video worden getoond. Van het aankondigen en begeleiden van activiteiten van anderen is daarom geen sprake. De influencer/vlogger kan daarom niet worden aangemerkt als een presentator.

Een artiest is iemand die ingevolge een overeenkomst van korte duur als musicus of anderszins als artiest optreedt. Voor een optreden als artiest het vereist is dat een artistieke prestatie wordt geleverd die bestemd is om hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk door het publiek te worden beluisterd en/of te worden bezien.

In de Handleiding Loonheffingen van de Belastingdienst zijn de volgende voorbeelden van artiesten opgenomen: conferenciers, leden van bands en orkesten, komieken, zangers, solomusici, acrobaten, goochelaars, buiksprekers, mimespelers, poppenspelers en acteurs. Ook een acteur die wordt ingehuurd om een rol te spelen in een praktijksimulatie voor een opleiding, is een artiest. Geen artiesten zijn: regisseurs, geluids-, opname- en belichtingstechnici, roadies, managers, kleedsters en visagisten.

Het creëren van unboxing video’s wordt niet aangemerkt als een artistieke prestatie. Het overheersende artistieke element ontbreekt, er zijn geen artistieke kwaliteiten vereist en het uitpakken en vertonen van producten waaronder kleding kan naar maatschappelijke opvattingen en spraakgebruik niet als artistiek worden beschouwd. Het feit dat het uitpakken van de kleding wordt opgenomen en via sociale media aan een publiek wordt getoond, maakt het voorgaande niet anders.

De influencer/vlogger kan dus niet als een presentator of een artiest kan worden aangemerkt zodat de aftrekbeperking van kledingkosten van toepassing is.

Aanpassing van de fietsregeling in de loonheffingen

Aanpassing van de fietsregeling in de loonheffingen

3 jan.

Voor een fiets die u ook voor privédoeleinden ter beschikking stelt aan een werknemer geldt een bijtelling van 7%. Maar wat als de fiets niet of slechts incidenteel (niet meer dan bijkomstig) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer wordt gestald? De Nieuwsbrief Loonheffingen 2026 geeft het antwoord.

Als de ter beschikking gestelde fiets niet of slechts incidenteel (niet meer dan bijkomstig) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer wordt gestald, geldt voortaan een bijtelling van nihil.

Van stallen bij het woon- of verblijfadres is geen sprake als de werknemer, in de periode waarin de fiets zich bij het woon- of verblijfadres bevindt, niet de beschikkingsmacht over de fiets heeft. Stallen bij het woon-of verblijfadres is bijvoorbeeld wel het geval als de fiets voor het huis wordt neergezet en de werknemer de sleutel naar binnen meeneemt. Als een fiets voor de woning bijvoorbeeld kan worden ‘ingeleverd’ via een app, waardoor de fiets daarna niet meer exclusief ter beschikking staat aan de werknemer, kwalificeert dat niet als het stallen van de fiets bij het woon- of verblijfadres.

Voor een fiets die de werknemer wel meer dan bijkomstig (meer dan 10%) thuis stalt, waarbij de fiets voor privé beschikbaar blijft, blijft de bijtelling van 7% gelden.

Let op: Ook voor een ter beschikking gestelde fiets die uitsluitend wordt gebruikt voor de route tussen station en werkplek (zoals een ov-fiets of een hubfiets) geldt een bijtelling van nihil. De maatregel geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.

Toch zachtere start handhaving op schijnzelfstandigheid

Toch zachtere start handhaving op schijnzelfstandigheid

1 jan.

Vanaf 1 januari 2026 zal de Belastingdienst weer regulier handhaven op schijnzelfstandigheid. In de Tweede Kamer zijn op 18 december 2025 echter enkele moties aangenomen die om enige verzachting vragen. Gaat het kabinet uitvoering geven aan deze moties en hoe dan?

Toch enige verlenging zachte landing
Het kabinet acht het onwenselijk om de zachte landing in 2026 volledig te verlengen. Maar het kabinet kiest ervoor om de zachte landing in 2026 wel deels te verlengen door ook in 2026 geen verzuimboetes op te leggen en in beginsel te starten met een bedrijfsbezoek. Pas vanaf 1 januari 2027 zullen ook deze elementen van de zachte landing komen te vervallen. Dit betekent dat, ten opzichte van 2025, vanaf 2026 wel vergrijpboetes kunnen worden opgelegd. Het kabinet vindt dit belangrijk, omdat deze boetes alleen worden opgelegd in het geval van opzet of grove schuld. Opzet of grove schuld onbestraft laten is zeer onwenselijk voor de belastingmoraal.  

Dit betekent dat in 2026 de volgende zaken wijzigen tegenover 2025: 

  • Er kunnen weer vergrijpboetes worden opgelegd.
  • Bij een boekenonderzoek kan de Belastingdienst kiezen voor een onderzoek over een kalenderjaar of een recent aangiftetijdvak.

Handhavingsplan 2026
Op 11 december jl. is het handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 gepubliceerd. Met het uitvoeren van de moties zal het handhavingsplan nog worden aangepast. De Belastingdienst zal het aangepaste handhavingsplan arbeidsrelaties publiceren op de website van de Belastingdienst.

Tip: Het handhavingsplan 2026 vindt u hier. De versie van 11 december 2025 wordt dus nog aangepast.

Belangrijkste wijzigingen belastingen 2026

Belangrijkste wijzigingen belastingen 2026

28 dec.

Op 16 december 2025 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan 2026. De wet treedt pas in werking als de Koning deze heeft goedgekeurd en de wet ook is gepubliceerd. Het ministerie van Financiën geeft een overzicht van de belangrijkste wijzigingen in de belastingen per 2026. Dit overzicht omvat ook veranderingen per 2026 uit eerder gepubliceerde wetten.

Tip: Hier vindt u het Eindejaarsbericht Financiën.

Vrijstellingen voor de werkruimte thuis

Vrijstellingen voor de werkruimte thuis

25 dec.

Voor de werkruimte thuis kunnen vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen binnen de werkkostenregeling gericht vrijgesteld zijn. Het gaat om arbovoorzieningen, gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur en de thuiswerkvergoeding. De Belastingdienst heeft eind november 2025 een update van de handreiking hierover gepubliceerd.

1 Arbovoorzieningen
De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen is van toepassing, als u voldoet aan de volgende 3 voorwaarden:

  • De arbovoorzieningen hangen direct samen met de verplichtingen van de werkgever op grond van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Dit zijn voorzieningen die zorgen voor de veiligheid en gezondheid van de werknemer. Om de Arbowet na te leven moet de werkgever arbeidsomstandighedenbeleid (arbobeleid) ontwikkelen en voeren. Arbobeleid is het beleid dat werkgevers binnen hun bedrijf moeten voeren op het gebied van arbeidsomstandigheden. Welke maatregelen de werkgever moet nemen, kan per bedrijf, functie, sector en branche verschillen. De invulling van het arbobeleid bepaalt de werkgever daarom zelf.
  • De werknemer gebruikt of verbruikt die voorzieningen (geheel of gedeeltelijk) in de werkruimte thuis (of op de werkplek of op een plaats waar de werkgever uitvoering geeft aan de Arbeidsomstandighedenwet).
  • De werknemer betaalt geen eigen bijdrage voor die voorzieningen. Er is ook sprake van een eigen bijdrage, als de werknemer een belast loonbestanddeel uitruilt voor een onbelaste arbovoorziening, zoals bij een cafetariaregeling.

    Vanaf 1 januari 2022 zijn alleen nog verplichte arbovoorzieningen gericht vrijgesteld.

Dit geldt bijvoorbeeld voor een ergonomisch verantwoorde bureaustoel, een beeldschermbril en een voetenbankje bij beeldschermwerk.

Duurdere uitvoering arbovoorziening
Vergoedt of verstrekt de werkgever een even veilige maar duurdere uitvoering van een verplichte arbovoorziening, zoals een duurder montuur bij een computerbril of een duurdere stof op een bureaustoel? Dan geldt de gerichte vrijstelling niet voor de meerprijs hiervan. De extra vergoeding of verstrekking is loon van de werknemer. U kunt dit ook aanwijzen als eindheffingsloon en onder de vrije ruimte laten vallen. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

Eigen bijdrage
Als de werknemer kiest voor een duurdere uitvoering van de arbovoorziening en alleen voor de meerprijs een eigen bijdrage betaalt, blijft voor de basisvoorziening die de werkgever betaalt de gerichte vrijstelling van toepassing. De eigen bijdrage voor de luxere versie gaat van het nettoloon af.

Voorbeeld eigen bijdrage
Een werknemer schaft onderstaande arbovoorzieningen voor de werkruimte thuis aan en declareert deze bij de werkgever:

  • Bureaustoel: kosten € 200, vergoeding € 200
  • Beeldscherm: kosten € 225, vergoeding € 225
  • Luxe versie koptelefoon: kosten € 100, vergoeding € 75

De voorzieningen voldoen aan de voorwaarden voor de gerichte vrijstelling. De vergoeding voor de bureaustoel en het beeldscherm zijn gericht vrijgesteld. Voor de koptelefoon betaalt de werknemer een eigen bijdrage van € 25. De vergoeding voor de koptelefoon is gericht vrijgesteld, als de werknemer voor € 75 een koptelefoon kan kopen die voldoet aan de arbo-eisen.

Cafetariaregeling
De gerichte vrijstelling is niet van toepassing, als de werkgever de arbovoorziening volledig of gedeeltelijk uitruilt met het brutoloon. Omdat de kosten dan ten laste van de werknemer komen, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat de werknemer geen eigen bijdrage betaalt voor de voorziening.

Kiest de werknemer voor een duurdere uitvoering van de arbovoorziening en wordt alleen de meerprijs uitgeruild met het brutoloon? Dan is dit wel toegestaan als de werkgever de meerprijs aanwijst als eindheffingsloon. Deze valt dan onder de vrije ruimte. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd. De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen is niet van toepassing op de meerprijs.

Voldoet de arbovoorziening niet aan de voorwaarden?
Dan valt deze onder de vrije ruimte, als de werkgever deze aanwijst als eindheffingsloon. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

2.Gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur
De gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen is van toepassing, als u voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • De voorziening is naar het redelijke oordeel van de werkgever noodzakelijk voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking (noodzakelijkheidscriterium).
  • De werknemer moet de voorziening teruggeven of de restwaarde van de voorziening betalen, als deze niet meer noodzakelijk is voor de dienstbetrekking.
  • De voorziening maakt geen onderdeel uit van een cafetariaregeling.

Een werknemer mag privévoordeel hebben van de voorziening. Dit voordeel hoeft u niet tot het loon te rekenen.

Heeft de werknemer de voorziening niet meer nodig en geeft of betaalt de werknemer deze niet terug aan de werkgever? Dan moet u de restwaarde van de voorziening tot het loon rekenen. U doet dit vanaf het moment dat de werknemer de voorziening niet meer nodig heeft. U kunt dit ook aanwijzen als eindheffingsloon en onder de vrije ruimte laten vallen. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

Noodzakelijk
‘Noodzakelijk’ betekent dat de werknemer zonder de voorziening de dienstbetrekking niet goed kan uitoefenen. Dat houdt in dat de werknemer de voorziening voor het werk nodig heeft en gebruikt. Als het werk in theorie ook mogelijk is zonder de voorziening, kan de werkgever toch aan het noodzakelijkheidscriterium voldoen. Waar het om gaat is dat de voorziening naar het redelijke oordeel van de werkgever noodzakelijk is voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking en de werkgever dus kan aantonen dat deze voorziening gericht is op een optimale bedrijfsvoering.

Gereedschap en dergelijke apparatuur
Voorbeelden van gereedschap zijn: fototoestel van fotograaf, muziekinstrument van muzikant en kwast van schilder. Een voorbeeld van ‘dergelijke apparatuur’ is een kalibreerapparaat dat nodig is om gereedschap bedrijfsklaar te houden.

Computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur
Hieronder vallen desktops, laptops, tablets, mobiele telefoons en smartphones. Simkaarten, dongels, abonnementen voor internet en mobiele telefonie en software kunnen ook onder de gerichte vrijstelling vallen. Voorbeelden van ‘dergelijke apparatuur’ zijn een organizer, een printer en een navigatiesysteem.

Eigen bijdrage
Als de werknemer kiest voor een duurdere uitvoering van een noodzakelijke voorziening en alleen voor de meerprijs een eigen bijdrage betaalt, blijft voor de basisvoorziening die de werkgever betaalt de gerichte vrijstelling van toepassing. De eigen bijdrage voor de luxere versie gaat van het nettoloon af.

Ook mag de werkgever een eigen bijdrage voor privégebruik vragen. Deze gaat ook van het nettoloon af.

Cafetariaregeling
De gerichte vrijstelling is niet van toepassing, als de werkgever de noodzakelijke voorziening volledig of gedeeltelijk uitruilt met het brutoloon.

Kiest de werknemer voor een duurdere uitvoering van een noodzakelijke voorziening en wordt alleen de meerprijs uitgeruild met het brutoloon? Dan is dit wel toegestaan als de werkgever de meerprijs aanwijst als eindheffingsloon. Deze valt dan onder de vrije ruimte. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd. De gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen is niet van toepassing op de meerprijs.

Mogelijk betaalt de werknemer een eigen bijdrage voor privégebruik. De werkgever mag deze eigen bijdrage uitruilen met het brutoloon. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden.

Bestuurders en commissarissen
Voor bestuurders en commissarissen (opting-in) geldt de vrijstelling alleen als de werkgever aannemelijk kan maken dat de voorziening gebruikelijk is voor de behoorlijke uitoefening van de dienstbetrekking. In dit geval heeft de werkgever dus de bewijslast.

Voldoet een voorziening niet aan de voorwaarden van het noodzakelijkheidscriterium?
Dan valt deze onder de vrije ruimte, als de werkgever deze aanwijst als eindheffingsloon. Er moet dan wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

Voorbeeld: vergoeding inrichting werkruimte thuis zonder factuur
Alle werknemers ontvangen een vergoeding van € 500 voor de inrichting van de werkruimte thuis. De werknemers kunnen zelf bepalen aan welke voorziening ze dit uitgeven. Ze hoeven geen factuur in te leveren. De werkgever wijst de vergoeding aan als eindheffingsloon. Wat zijn de gevolgen voor de werkkostenregeling?

De gerichte vrijstellingen voor arbovoorzieningen en noodzakelijke voorzieningen zijn niet van toepassing. De werkgever kan zonder factuur niet toetsen of voldaan is aan de voorwaarden van deze gerichte vrijstellingen. De vergoeding van € 500 valt onder de vrije ruimte. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

Voorbeeld: kosten internet- en telefoonabonnement
Een werknemer werkt thuis. Kan een werkgever de kosten van een internet- en telefoonabonnement onbelast vergoeden? Kan dit ook als de werknemer een eigen bijdrage voor privégebruik betaalt?

Internetaansluiting
Als het naar het redelijke oordeel van de werkgever noodzakelijk is dat een werknemer voor het thuiswerken een internetaansluiting heeft, mag de werkgever deze onbelast vergoeden. De vergoeding valt dan onder de gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen. Het privévoordeel dat de werknemer heeft, is geen loon.

De gerichte vrijstelling geldt ook als de werknemer een eigen bijdrage voor het internetabonnement betaalt of als de werkgever een vergoeding geeft naar rato van het aantal thuiswerkdagen.

Abonnementskosten telefoon
Een vergoeding van de abonnementskosten voor de vaste telefoon valt niet onder de gerichte vrijstelling. De vergoeding valt onder de vrije ruimte, als de werkgever deze aanwijst als eindheffingsloon. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

De gerichte vrijstelling kan wel gelden voor de abonnementskosten van mobiele communicatiemiddelen. Dit moet dan wel voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium.

De gerichte vrijstelling geldt ook als de werknemer een eigen bijdrage voor het abonnement voor de mobiele telefoon betaalt.

Voorbeeld: internet in 3-in-1-pakket
Een werkgever vergoedt de kosten van internet thuis aan een werknemer. De vergoeding voldoet aan het noodzakelijkheidscriterium. De werknemer heeft een abonnement afgesloten voor een 3-in-1-pakket (internet, telefoon en televisie). Welk bedrag valt onder de gerichte vrijstelling?

U moet bepalen welk deel van de factuur voor internet is. Als dit niet op de factuur staat, informeert u bij de provider wat deze kosten zijn bij een apart abonnement. Dat gedeelte valt onder de gerichte vrijstelling.

Als de werkgever de rest ook vergoedt, valt dat deel onder de vrije ruimte wanneer de werkgever dit aanwijst als eindheffingsloon. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.

Thuiswerkvergoeding
Vanaf 1 januari 2022 mag een werkgever een onbelaste vergoeding geven voor thuiswerkkosten. Hiervoor geldt in 2025 een gerichte vrijstelling van maximaal € 2,40 per thuisgewerkte dag.

De vergoeding voor thuiswerkkosten is bedoeld voor de extra kosten door het thuiswerken. Bijvoorbeeld voor water- en elektriciteitsgebruik, verwarming, koffie, thee en toiletpapier. Het bedrag is gebaseerd op onderzoek dat het Nibud heeft gedaan. U kunt de vrijstelling ook toepassen als een werknemer slechts een deel van de dag thuiswerkt.

Werkt een werknemer een deel van de dag thuis en het andere deel op de vaste plaats van werkzaamheden? Dan kiest u voor die dag of u de gerichte vrijstelling toepast voor de reiskostenvergoeding (€ 0,23 per kilometer) óf voor de thuiswerkkosten (€ 2,40 per thuiswerkdag). Er is in ieder geval sprake van een vaste plaats van werkzaamheden, als de werknemer meer dan 40 dagen per kalenderjaar op dezelfde plek werkt.

Als de werknemer op een dag deels thuiswerkt en een zakelijke reis niet zijnde woon-werkverkeer (dienstreis) maakt, mag u wel de gerichte vrijstelling van € 0,23 per kilometer én de gerichte vrijstelling voor thuiswerken toepassen.

Tot en met 2021 was de vergoeding van thuiswerkkosten niet gericht vrijgesteld. Deze vergoeding viel onder de vrije ruimte, als de werkgever deze had aangewezen als eindheffingsloon. Er moest dan wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan.

Kantinestichting kan fictieve loonkosten aftrekken

Kantinestichting kan fictieve loonkosten aftrekken

20 dec.

Een stichting exploiteert namens meerdere sportverenigingen een kantine. Een eventueel exploitatieoverschot van de stichting wordt ingezet voor de primaire activiteiten van die sportverenigingen. Daarnaast is het doel van de stichting om de leden van de verenigingen te verenigen en de onderlinge saamhorigheid te stimuleren. De stichting is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting voor het exploitatieoverschot. Maar hoe wordt dat bepaald?

De Staatssecretaris van Financiën heeft voor deze praktijksituatie onlangs met toepassing van de hardheidsclausule een goedkeuring gegeven.

De wet bevat een voorwaardelijke vrijstelling voor stichtingen. Deze is in beginsel van toepassing als de winst van het jaar niet meer bedraagt dan € 15.000 of de winst van het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer dan € 75.000 bedraagt.

De wet bevat ook een aftrek wegens fictieve loonkosten die, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, de winst dusdanig kan verlagen dat daardoor de vrijstelling (eerder) van toepassing wordt.

De aftrek wegens fictieve loonkosten is (onder andere) van toepassing op lichamen die een sociaal belang behartigen. Wat is dat?

Van een sociaal belang is sprake als de instelling activiteiten verricht die primair gericht zijn op het particuliere belang van leden of een beperkte doelgroep en waaraan een grote maatschappelijke waarde toegekend kan worden omdat deze activiteiten ook voor de maatschappij als geheel van belang zijn.

Op basis van deze uitleg van de term sociaal belang kunnen de activiteiten van de kantinestichting zelf niet worden aangemerkt als het behartigen van een sociaal belang. De stichting richt zich namelijk primair op het belang van de verenigingen en daarmee slechts indirect op het particuliere belang van de leden van de verenigingen. Het gevolg is dat de stichting (eerder) vennootschapsbelasting dient af te dragen over het volledige exploitatie-overschot dat in feite toekomt aan de verenigingen.

Deze uitkomst is onbillijk, omdat in de stichting een taak is ondergebracht die in feite door, voor en met de leden van de verenigingen wordt uitgeoefend. Hierbij wordt de exploitatie van de kantine materieel door de verenigingen verricht, waarbij de verenigingen ingeval de betreffende exploitatie door de verenigingen zelf zou zijn verricht, (naar verwachting) ook niet in de heffing van vennootschapsbelasting zouden worden betrokken. 

Goedkeuring
In deze specifieke situatie waarbij de exploitatie van de kantine materieel door de verenigingen wordt verricht, de verenigingen ingeval de betreffende exploitatie door de verenigingen zelf zou zijn verricht (naar verwachting) ook niet in de heffing van vennootschapsbelasting zouden worden betrokken en een eventueel exploitatieoverschot van de stichting wordt ingezet voor de primaire activiteiten van die verenigingen, heeft de staatssecretaris van Financiën met toepassing van de hardheidsclausule goedgekeurd dat de stichting - ondanks dat de activiteiten van de stichting zelf niet kunnen kwalificeren als het behartigen van een sociaal belang - gebruik kan maken van de aftrek wegens fictieve loonkosten, mits de stichting aan de overige voorwaarden van deze regeling voldoet.

Tip: Bent u betrokken bij een vergelijkbare situatie waarin u een beroep wilt doen op de hardheidsclausule? Dan helpen we u graag met het verzoek aan het Ministerie van Financiën.

Outplacementkosten vrijgesteld of belast?

Outplacementkosten vrijgesteld of belast?

18 dec.

De kosten van outplacement kunt u onbelast vergoeden als sprake is van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Hiervoor geldt dan een gerichte vrijstelling. Outplacement is het geheel van diensten en adviezen voor de werknemer om op een zo kort mogelijke termijn een passende nieuwe werkkring te vinden door het verbeteren van kennis en vaardigheden. De Belastingdienst heeft eind november 2025 een update van de handreiking hierover gepubliceerd.

Er geldt een gerichte vrijstelling voor de vergoeding van de kosten van outplacement of voor de verstrekking van outplacementfaciliteiten. Om van de vrijstelling gebruik te kunnen maken moet u de vergoeding of verstrekking aanwijzen als eindheffingsloon. Er moet dan wel zijn voldaan aan de gebruikelijkheidstoets.

Loon uit vroegere dienstbetrekking
Is outplacement loon uit vroegere dienstbetrekking, dan kunt u dit alleen aanwijzen als eindheffingsloon als u de werknemer daarnaast nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking betaalt. U kunt de outplacementkosten in dit geval aanwijzen als eindheffingsloon en onder de gerichte vrijstelling laten vallen. Er moet dan wel zijn voldaan aan de gebruikelijkheidstoets.

Genietingsmoment
Om vast te stellen wanneer het outplacementtraject loont vormt, is het genietingsmoment relevant.

Voorbeeld 1
Werkgever en werknemer sluiten op 1 november 2025 een beëindigingsovereenkomst. Daarin spreken zij af dat de werknemer met ingang van 1 december 2025 uit dienst zal treden. In de overeenkomst staat ook dat de werknemer recht heeft op een outplacementtraject als deze geen nieuwe dienstbetrekking heeft vóór 1 maart 2026.

Het outplacementtraject start op 1 april 2026 en eindigt op 1 juli 2026. De werkgever ontvangt en betaalt de facturen hiervoor in 2026. De ex-werknemer geniet in 2026 geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking meer van de ex-werkgever. Geldt in deze situatie de gerichte vrijstelling voor outplacementkosten?

Uitwerking
Het genietingsmoment van het outplacementtraject is in dit voorbeeld het moment waarop het traject start, dus op 1 april 2026. Dit is loon uit vroegere dienstbetrekking, omdat de werknemer uit dienst is. Is het outplacementtraject loon uit vroegere dienstbetrekking, dan kunt u dit alleen aanwijzen als eindheffingsloon als de werknemer in hetzelfde loontijdvak nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet. In dit voorbeeld is dat niet het geval. De gerichte vrijstelling is daarom niet van toepassing. De werkgever kan ook geen gebruikmaken van de vrije ruimte.

Voorbeeld 2
Werkgever en werknemer sluiten op 15 september 2025 een beëindigingsovereenkomst. Daarin spreken zij af dat de werknemer met ingang van 1 december 2025 uit dienst zal treden en recht heeft op een outplacementtraject.

Het outplacementtraject start op 2 januari 2026 en eindigt op 30 juni 2026. De werkgever ontvangt en betaalt de facturen hiervoor in 2026. De ex-werknemer ontvangt in tijdvak januari 2026 nog een nabetaling van vakantiebijslag van de ex-werkgever. Is de gerichte vrijstelling voor outplacementkosten van toepassing?

Uitwerking
Het genietingsmoment van het outplacementtraject is in dit voorbeeld het moment waarop het traject start, dus op 2 januari 2026. Dit is loon uit vroegere dienstbetrekking, omdat de werknemer uit dienst is. Is het outplacementtraject loon uit vroegere dienstbetrekking, dan kunt u dit alleen aanwijzen als eindheffingsloon als de werknemer in hetzelfde loontijdvak nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet. In dit voorbeeld is dat het geval. De werknemer ontvangt namelijk in januari 2026 nog een nabetaling van vakantiegeld. De gerichte vrijstelling is daarom van toepassing. De werkgever moet het outplacementtraject dan wel aanwijzen als eindheffingsloon.

Wat valt onder outplacement?
Hieronder leest u welke voorzieningen onder outplacement kunnen vallen.

Loopbaanscan
Een loopbaanscan behoort tot het loon voor de loonheffingen, tenzij die scan deel uitmaakt van een voorziening waarvoor een gerichte vrijstelling geldt. Bijvoorbeeld als de scan een integraal onderdeel is van een outplacementtraject of een procedure tot erkenning van verworven competenties (evc-traject).

Prepensioencursus
Een prepensioencursus als voorbereiding op een nieuwe levensfase is vergelijkbaar met outplacement. Als de cursus een meer recreatief karakter heeft, dan is de vergoeding of verstrekking loon van de werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen, als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan. Dit valt dan onder de vrije ruimte. Bij overschrijding betaalt u 80% eindheffing.

Scholingsbudget
De scholingsbudgetten hebben als doel om de persoonlijke en vakinhoudelijke ontwikkeling van werknemers te stimuleren en zodoende hun positie op de arbeidsmarkt te versterken. Werknemers mogen de scholingsbudgetten uitsluitend gebruiken voor scholing. De werknemer kan het scholingsbudget ook gebruiken voor outplacementkosten als de voorwaarden van het budget dat mogelijk maken.

Geen outplacementkosten
Onder outplacement vallen niet de kosten van bemiddeling of contractonderhandeling door een vertegenwoordiger van de werknemer.

Reiskosten
Een vergoeding voor binnenlandse reizen in verband met outplacement is vrijgesteld tot maximaal € 0,23 per kilometer. Als de werknemer met het openbaar vervoer reist, mag u ook de werkelijke kosten onbelast vergoeden.

Let op: Een outplacementtraject kan helemaal zijn vrijgesteld, maar ook helemaal belast. De planning in de tijd van de uitdiensttreding, eventuele nabetaling en de start van het outplacementtraject zijn van groot belang voor de (loon-)belastingheffing. Als u die wilt optimaliseren, vraag dan tijdig advies.

Belastingplan 2026 gewijzigd

Belastingplan 2026 gewijzigd

14 dec.

Bij de behandeling van de Belastingplan 2026 in de Tweede Kamer zijn enkele belangrijke amendementen aangenomen. Zo zijn in box 3 het forfaitaire rendement voor overige bezittingen en het heffingsvrij vermogen gunstiger geworden. Ook blijft de korting op de bijtelling privégebruik voor elektrische auto’s langer bestaan. Maar de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling wordt verhoogd. 

Box 3
De voorgestelde aanpassing van het forfait voor overige bezittingen in box 3 komt te vervallen. Daardoor komt het forfait in 2026 uit op 6% in plaats van 7,78%. Ook vervalt de voorgestelde verlaging van het heffingsvrije vermogen in box 3. Het heffingsvrije vermogen wordt als gevolg van het amendement op 1 januari 2026 volledig geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. Het heffingsvrije vermogen in 2026 komt daardoor uit op € 59.357, in plaats van € 51.396.

Als dekking wordt de afbouw van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen) versneld. Met ingang van 1 januari 2026 wordt het jaarlijkse afbouwpercentage verhoogd van 3 1/3%-punt naar 4,8%-punt, met dien verstande dat de aftrek niet verder kan worden verlaagd dan tot nihil. Hierdoor wordt de aftrek in 2041 volledig beëindigd, in plaats van in 2048 zoals in de huidige wet is voorzien.

Privégebruik elektrische auto’s – leeftijdsgrens youngtimerregeling
De korting op de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak zonder CO2-uitstoot blijft toch nog twee jaar bestaan, en wordt stapsgewijs afgebouwd naar 2028. De bijtelling bedraagt momenteel 22% van de catalogusprijs. De korting geldt alleen voor auto’s zonder CO2-uitstoot en is als volgt vormgegeven:

  • In 2026 geldt een bijtelling van 18% van de catalogusprijs;
  • In 2027 geldt een bijtelling van 20% van de catalogusprijs;
  • Per 2028 wordt de korting afgeschaft en geldt een bijtelling van 22% van de catalogusprijs.

 

De korting op de bijtelling wordt gemaximeerd (de zo te noemen cap). Voor zover de cataloguswaarde boven deze cap uitkomt geldt de bijtelling van 22%. De maximale korting wordt bereikt bij een autowaarde van € 30.000. De korting kent ook eerbiedigende werking: als in 2026 of 2027 sprake is van een eerste toelating van een auto zonder CO2-uitstoot en recht ontstaat op de korting op de bijtelling, geldt deze korting voor een periode van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van eerste toelating.

Zonder dit amendement zou de korting op de bijtelling per 2026 vervallen, waarbij de eerbiedigende werking (zie hiervoor) wel nog als gevolg heeft dat deze korting een aantal jaren na 2026 kan blijven gelden.

Ter dekking van de verlenging van de korting wordt de zogenoemde youngtimerregeling aangepast. De youngtimerregeling verwijst naar de manier waarop het privévoordeel wordt vastgesteld van een auto die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen: 35% van de waarde in het economische verkeer.

De leeftijdsgrens wordt per 2026 verhoogd van 15 jaar naar 16 jaar. Voor auto’s die onder deze leeftijdsgrens zitten, wordt de bijtelling in 2026 vastgesteld op 22% van de catalogusprijs, voor zover van toepassing verminderd met de hiervoor genoemde kortingspercentages. Vanaf 2027 wordt deze leeftijdsgrens verder verhoogd van 16 jaar naar 25 jaar.

Let op: De Belastingdienst gaat voorlopige aanslagen inkomstenbelasting over 2026 opleggen zonder met deze amendementen rekening te houden.

Overlijdensuitkering: wat is het loon over een maand?

Overlijdensuitkering: wat is het loon over een maand?

11 dec.

De werkgever kan bij overlijden van een werknemer een eenmalige uitkering doen die is vrijgesteld voor zover deze niet meer bedraagt dan drie maal het loon over een maand. Het is niet altijd duidelijk hoe dat loon over een maand moet worden bepaald. Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst nu een standpunt gepubliceerd.

Situatie
Nadat een werknemer meer dan 52 weken ziek is, kort zijn werkgever per 1 augustus op grond van de cao het salaris van de werknemer tot 70% van zijn bruto (maand)loon. De werknemer overlijdt op 20 augustus. Zijn nabestaanden hebben, op grond van de van toepassing zijnde cao, recht op een overlijdensuitkering. Op 15 augustus heeft de werkgever aan al zijn werknemers toegezegd dat hun bruto (maand)loon per 1 oktober van dat kalenderjaar zal worden verhoogd.

Vraag
Is de werkgever verplicht bij het bepalen van het loon over een maand bij de vrijstelling voor de eenmalige overlijdensuitkering rekening te houden met de korting naar 70% van het (maand)loon en de toekomstige salarisstijging?

Antwoord Kennisgroep
Ja. De werkgever is verplicht bij het bepalen van het loon over een maand rekening te houden met de korting naar 70% van het (maand)loon en de toekomstige salarisstijging.

Waarom?
Het wetsartikel dat de vrijstelling regelt bevat geen eigen definitie van het begrip loon. Om het loon over een maand te berekenen wordt in beginsel het overeengekomen vaste bruto jaarloon van de werknemer in het betreffende kalenderjaar bepaald, waarna dit vervolgens wordt gedeeld door twaalf. Het fiscaal al genoten en (mits overeengekomen) nog te genieten loon in het kalenderjaar van overlijden is dus maatgevend. Dit betekent dat fiscaal nog niet genoten loon - zoals een overeengekomen toekomstige salarisstijging in hetzelfde kalenderjaar - voor de vrijstelling in aanmerking wordt genomen.

Wat is het loon over een maand in dit geval?
De werkgever is verplicht rekening te houden met zowel de korting naar 70% van het (maand)loon als de latere salarisstijging in het kalenderjaar. Beide loonbestanddelen maken immers onderdeel uit van het overeengekomen vaste bruto jaarloon in het kalenderjaar van overlijden. Het zijn vaste en gegarandeerde beloningen – die zijn overeengekomen vóór het overlijden van de werknemer - waarop de werknemer in hetzelfde kalenderjaar recht heeft.

Voor de bepaling van het loon over een maand geldt dus het volgende:

  • Januari tot en met juli 100% bruto (maand)loon.
  • Augustus tot en met september 70% van het bruto (maand) loon.
  • Oktober tot en met december 70% van verhoogde bruto (maand)loon.

Het totaalbedrag over januari tot en met december wordt gedeeld door twaalf. Daarbij wordt opgeteld:

  • 1/12 van de overeengekomen vakantiebijslag;
  • 1/12 van het jaarbedrag aan eventuele (andere) vaste gegarandeerde (bijzondere) beloningen zoals een dertiende maand, eindejaarsuitkering en/of de forfaitaire waarde van het voordeel van een auto van de zaak; en,
  • 1/12 van het jaarbedrag van een keuzebudget.

Let op: Voor deze bijzondere situatie, waarin het wenselijk is om discussie over de hoogte van de uitkering te voorkomen, heeft de kennisgroep nu een duidelijk standpunt gepubliceerd. 

Fysiotherapeut stopt: praktijkruimte in woning naar privé

Fysiotherapeut stopt: praktijkruimte in woning naar privé

6 dec.

Een fysiotherapeut heeft een praktijk aan huis. De praktijkruimte vormt fiscaal ondernemingsvermogen, het woongedeelte is privévermogen. Als hij met zijn praktijk stopt, wordt de marktwaarde van de praktijkruimte getaxeerd op € 49.000, dat is € 23.000 hoger dan de boekwaarde. Mag hier nog een aftrek op worden toegepast wegens zelfbewoning?

Beschrijving praktijkruimte
De praktijkruimte heeft een eigen, zelfstandige opgang. Er bevindt zich een muur tussen het woongedeelte en de praktijkruimte. Er is ook sprake van een extra ruimte tussen de entree van de woonruimte en de praktijkruimte, met eigen sanitaire voorzieningen (een toilet en aanrecht met wastafel) en de trap naar de bovenverdieping die tot het privé-gedeelte van de woning behoort. Vanuit de praktijkruimte is deze extra ruimte met een deur te betreden. In de entree van de woonruimte bevindt zich een trappetje waarmee deze extra ruimte eveneens is te betreden. Er is een laag muurtje (ongeveer 1 meter hoog) ter afscheiding van deze ruimte met de entree van de woonruimte.

Geschil
In geschil is of bij de berekening van de stakingswinst rekening moet worden gehouden met een waardedrukkende factor wegens duurzame zelfbewoning van de praktijkruimte op het moment van staken.

Overwegingen rechter
Min of meer duurzame zelfbewoning kan de waarde in het economische verkeer van een woning op het stakingstijdstip beïnvloeden. Voor het in aanmerking nemen van min of meer duurzame zelfbewoning is slechts reden indien de onroerende zaak op het moment van staking van de onderneming min of meer duurzaam voor woondoeleinden werd gebruikt. Indien geen sprake is van een pand dat voor de overgang naar het privévermogen voor min of meer duurzame zelfbewoning was bestemd en daartoe ook na die overgang blijft bestemd, doch van een pand dat pas ten tijde van de overgang die bestemming krijgt, vormt de zelfbewoning geen waardedrukkende factor.

Niet in geschil is dat ten aanzien van het woongedeelte sprake is van duurzame zelfbewoning. De fysiotherapeut vindt dat het pand, dus het woongedeelte en het bedrijfsgedeelte, als één geheel moet worden gezien en dat het bedrijfsgedeelte niet, althans niet zonder in verregaande mate afbreuk te doen aan het woongenot met betrekking tot het woongedeelte, afzonderlijk kan worden verhuurd of verkocht. Ten bewijze daarvan heeft hij foto’s en een plattegrond/bouwtekening overgelegd. De fysiotherapeut wijst erop dat het bedrijfsgedeelte weliswaar een eigen toegang heeft, maar dat er ook een inpandige doorgang is naar het woongedeelte, een open verbinding met de entree van het woongedeelte, dat de praktijkruimte niet over eigen sanitaire voorzieningen beschikt en evenmin over een eigen aansluiting voor nutsvoorzieningen. Die bevinden zich namelijk in het privé-gedeelte. Ook is er slechts sprake van een dunne scheidingswand tussen woon- en praktijkgedeelte. Ten slotte wijst de fysiotherapeut erop dat woon- en bedrijfsgedeelte niet afzonderlijk te verkopen zijn nu sprake is van één en hetzelfde kadastrale perceel.

Volgens de rechter betekent dit dat bij staking van de onderneming het bedrijfsgedeelte uitsluitend voor privédoeleinden te bestemmen en bestemd is en dat het niet, althans niet zonder verregaand afbreuk te doen aan het woongenot van het woongedeelte dan wel na aanzienlijke investeringen, afzonderlijk aan derden kan worden verhuurd dan wel verkocht.

Voor de waardering van het bedrijfsgedeelte van het pand bij staking moet daarom rekening worden gehouden met de waardedruk wegens min of meer duurzame zelfbewoning. Deze wordt gesteld op een aftrek van 15%. De waarde van het praktijkgedeelte bij staking dient te worden vastgesteld op 85% van € 49.000 = € 41.650.

Let op: Als bij een woon-praktijkpand het praktijkdeel op de fiscale balans staat en de woning privé, dan kunt u bij staking van uw onderneming voor de afrekening over het praktijkdeel recht hebben op aftrek wegens duurzame zelfbewoning. Dat is niet altijd het geval, maar wordt bepaald door de feitelijke en juridische omstandigheden. We adviseren u hier graag over.

Kerstpakket en werkkostenregeling

Kerstpakket en werkkostenregeling

4 dec.

Loon is alles wat een werknemer krijgt uit zijn dienstbetrekking. Dit geldt ook voor het kerstpakket. Het kerstpakket is loon in natura. De werkgever kan kiezen of hij het kerstpakket behandelt als loon voor de werknemer of dat hij het aanwijst als eindheffingsloon in de werkkostenregeling. De waarde van het kerstpakket komt dan ten laste van de vrije ruimte. Hoe werkt dat?

Als de werkgever het kerstpakket aanwijst als eindheffingsloon, doet hij dit uiterlijk op het moment van verstrekken van het pakket. Hij houdt hierbij rekening met de gebruikelijkheidstoets. Hoe de werkgever de aanwijzing regelt is vormvrij, maar uit de loonadministratie moet blijken welke keuze hij heeft gemaakt. 

Voor het kerstpakket geldt geen gerichte vrijstelling of nihilwaardering. De waarde komt ten laste van de vrije ruimte. Als geen vrije ruimte meer beschikbaar is, moet de werkgever 80% eindheffing betalen over het deel dat boven de vrije ruimte uitkomt. 

Verzendkosten
Verzendt de werkgever het kerstpakket naar de werknemer? Dan zijn de verzendkosten van het kerstpakket onderdeel van de waarde van het pakket.

De waarde van het kerstpakket inclusief verzendkosten komt ten laste van de vrije ruimte als de werkgever dit aanwijst als eindheffingsloon. 

Voorbeeld
Een werkgever verzendt een kerstpakket naar zijn werknemers. De kosten per pakket zijn € 50 en de verzendkosten zijn € 5. 

Het loon in natura per werknemer bedraagt € 55. De werkgever kan dit ook aanwijzen als eindheffingsloon. Er komt dan een bedrag van € 55 ten laste van de vrije ruimte. 

Uitzendkrachten
Als de werkgever aan uitzendkrachten ook een kerstpakket geeft, is sprake van loon van derden, aangezien de uitzendkracht het kerstpakket van zijn opdrachtgever ontvangt en niet van het uitzendbureau. De uitzendkracht is in dienstbetrekking bij het uitzendbureau. De opdrachtgever is dus niet de inhoudingsplichtige van de uitzendkracht. De opdrachtgever kan het kerstpakket daarom niet aanwijzen als eindheffingsloon en ten laste brengen van zijn vrije ruimte.

Het uitzendbureau kan het kerstpakket voor de uitzendkracht wél aanwijzen als eindheffingsloon als het uitzendbureau hierover loonheffingen moet inhouden. Dit is alleen het geval als:

  • in de uitzendovereenkomst rekening is gehouden met dit kerstpakket, óf
  • de opdrachtgever en het uitzendbureau tot hetzelfde concern behoren en het kerstpakket wordt verstrekt met medeweten van het uitzendbureau.

In andere gevallen hoeft het uitzendbureau geen loonheffingen in te houden over het kerstpakket.

De uitzendkracht moet de waarde van het kerstpakket dan aangeven in zijn aangifte inkomstenbelasting (IB).

Als het uitzendbureau geen loonheffingen hoeft in te houden, kan de opdrachtgever er – onder voorwaarden - voor kiezen om eindheffing af te dragen over het kerstpakket dat hij aan de uitzendkracht geeft. De voorwaarden voor deze regeling zijn:

  • De opdrachtgever moet schriftelijk aan de ontvanger van de verstrekking mededelen dat hij de eindheffing toepast;
  • De opdrachtgever moet vastleggen wie de ontvanger van de verstrekking is.

Deze mogelijkheid om eindheffing af te dragen geldt voor verstrekkingen aan derden, bijvoorbeeld uitzendkrachten, die een werkgever tegelijkertijd en voor dezelfde gelegenheid aan eigen werknemers geeft. De uitzendkracht hoeft het kerstpakket dan niet aan te geven in zijn aangifte IB.

De eindheffing is 45% bij een verstrekking tot en met een waarde van € 136. Is de waarde in het economische verkeer meer dan € 136, dan is de eindheffing 75%.

Let op: Kerstpakketten die de werkgever geeft aan postactieve werknemers zijn altijd eindheffingsloon als de werkgever deze ook geeft aan de actieve werknemers. 

Gouden munten en box 3

Gouden munten en box 3

30 nov.

Een particulier heeft ter belegging diverse binnenlandse en buitenlandse gouden munten. Een deel van de munten heeft in de betreffende landen de status van wettig betaalmiddel, maar wordt in de regel niet als zodanig gebruikt. Dit omdat de marktwaarde van de gouden munten (veel) hoger ligt dan de nominale waarde. Is onder de Box 3-wetgeving sprake van contant geld?

Standpunt kennisgroep Belastingdienst
De ter belegging gehouden gouden munten kwalificeren niet als contant geld. De munten behoren tot de vermogenscategorie ‘overige bezittingen’ voor box 3. Waarom?

Contant geld aangemerkt als banktegoed
Met ingang van 1 januari 2023 maakt de wet onderscheid tussen drie vermogenscategorieën: banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Contant geld wordt volgens deze regeling aangemerkt als banktegoed. De reden hiervoor is dat contant geld normaliter geen rendement oplevert. Het past daarom beter om voor het rendement op contant geld aan te sluiten bij het (lage) forfaitaire rendementspercentage dat geldt voor de vermogenscategorie ‘banktegoeden’.

De bezittingen die niet als banktegoed kwalificeren, dienen als overige bezittingen in box 3 te worden aangegeven.

NB Voor de Wet rechtsherstel box 3 is overigens niet geregeld dat contant geld tot de vermogenscategorie ‘banktegoeden’ wordt gerekend.

Definitie van contant geld
In de wet is geen definitie opgenomen van contant geld. Het woord contant duidt op een stoffelijk goed. Giraal geld – waaronder virtuele munten – valt daarom niet onder contant geld. Het woord ‘geld’ houdt in dat het een algemeen aanvaard ruil-/betaalmiddel moet zijn.

Gouden munten
Het is de vraag of gouden munten kunnen worden aangemerkt als contant geld en daarmee als banktegoed.

Het gaat bij contant geld om chartaal geld dat een wettig betaalmiddel vormt in de desbetreffende landen. Alhoewel gouden munten (al dan niet in een munteenheid/valuta) een wettig betaalmiddel kunnen zijn, worden zij in de praktijk zelden tot niet als betaalmiddel gebruikt. Dit komt omdat de werkelijke waarde van de gouden munten (vele malen) hoger ligt dan de nominale waarde.

Gouden munten zijn echter niet aan te merken als de fysieke evenknie van een banktegoed. Het is immers niet mogelijk om deze gouden munten rechtstreeks te storten op een bankrekening. Een commerciële bank accepteert de gouden munten doorgaans niet. Via een goudwisselkantoor moeten de gouden munten worden omgezet in reguliere valuta. Dit geldt voor alle gouden munten, maar meer in het bijzonder voor gouden munten die niet zijn uitgegeven in de officiële munteenheid/valuta van een land of waaraan geen nominale waarde is toegekend.

De wetgever bedoelt met contant geld de officiële munteenheid/valuta van een land waarbij de nominale waarde steeds gelijk is aan waarde in het economische verkeer. In het geval van gouden munten in de officiële munteenheid/valuta, geldt dat deze waarde niet gelijk is. De waarde wordt namelijk niet bepaald door de nominale waarde van de munt, maar door de edelmetaalwaarde (intrinsieke waarde) of de numismatische waarde (de muntkundige waarde). Hierdoor is er met deze munten meer rendement te behalen dan alleen eventueel koersresultaat.

De wetgever heeft met betrekking tot lager renderende vermogensbestanddelen zoals een banktegoed bewust gekozen voor een lager fictief rendement. Gelet op de historische ontwikkeling van de goudprijs is daarvan geen sprake bij gouden munten in het algemeen, waardoor ook om die reden geen sprake kan zijn van contant geld.

Let op: Dit standpunt geldt ook voor andere munten, al dan niet in de officiële valuta van een land, waarvan de waarde in het economische verkeer (veel) hoger ligt dan de nominale waarde, zoals bijvoorbeeld een herdenkingsmunt of een misdruk.

Neem nu contact met ons op en ontvang als nieuwe cliënt vier uur gratis business coaching

ter waarde van 1.000 euro

Klik hier en claim direct jouw sessies

Over NEW Financials

Wij ondernemen samen met jou als ondernemer. Doordat wij zorgdragen voor jouw financiële, fiscale en HR zaken, kun jij je richten op de dingen waar je goed in bent en die geld opleveren.

Waarom wij?

  • Innovatief - Flexibel - Informeel
  • Persoonlijke en betrokken aanpak
  • Zeer scherpe, transparante prijs
  • Effectieve coaching en mentoring
  • Wij begrijpen jou als ondernemer

Contactinformatie

NEW Financials
Gerrit van der Veenstraat 112-HS
1077 EN Amsterdam
tel: 020 442 1170

info@newfinancials.nl

New Financials © 2016

  • Disclaimer
  • Cookie statement
  • Sitemap
  • Algemene voorwaarden
Site by eResults
  • Home
  • Diensten
    • Online boekhouding
    • Belastingaangiften
    • Salarisadministratie
    • Jaarrekeningen
    • Basisadministratie
    • Starterspakket MKB
    • Financiële rapportages
    • Werken bij jou op locatie
  • Abonnementen
    • Brons
    • Zilver
    • Goud
    • Platinum
  • Over ons
  • Nieuws
  • Contact
  • Jouw dashboard