Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Een arbeidsongeschikte office-manager van een architectenbureau vraagt om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. Het bureau heeft volgens haar te weinig gedaan aan haar re-integratie. Ze vordert naast de wettelijke transitievergoeding ook een billijke vergoeding. Hoe oordeelt de rechter?
De bedrijfsarts
Het eerste knelpunt tussen partijen betreft de adviezen van de bedrijfsarts. Keer op keer is het advies van de bedrijfsarts geweest om de re-integratie tweewekelijks met elkaar te bespreken en te evalueren. De rechter stelt vast dat dit vrijwel nooit is gebeurd. Uit niets is gebleken dat sprake is geweest van evaluatie of concrete afspraken die bijvoorbeeld schriftelijk werden vastgelegd. Alleen bij de start van de re-integratie is inhoudelijk met elkaar gesproken. In het deskundigenoordeel van het UVW wordt eveneens gesignaleerd dat te weinig is gedaan met de adviezen van de bedrijfsarts. Ook ten aanzien van mediation heeft de werkgever onvoldoende doorgepakt. De bedrijfsarts had dit genoemd als mogelijkheid. Het is pas door de werkgever opgepakt na een negatief deskundigenoordeel. Tussen het eerste advies om mediation in te zetten en het opvolgen daarvan zit meer dan een half jaar. Het onvoldoende opvolgen van de adviezen van de bedrijfsarts is (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de werkgever.
Afname van de werkzaamheden
Volgens de office-manager heeft een collega haar taken afgenomen dan wel overgenomen. De werkgever stelt echter dat de afname van het werk kwam door toenemende digitalisering. Voor de rechter staat vast dat de officemanager recht had op re-integratiewerkzaamheden in de uren dat zij op kantoor kwam. Ook al ging de telefoon niet vaak, de werkgever had haar andere passende werkzaamheden aan moeten bieden. Archiveren, opruimen, boodschappen bestellen, desnoods het kerstpakket samenstellen. Er is altijd iets te bedenken. Uit niets is gebleken dat de werkgever de gestelde gevolgen van de digitalisering met de office-manager heeft besproken en met haar in overleg is gegaan over een zinvolle invulling van de re-integratie. De werkgever heeft zich gedurende de gehele re-integratie verscholen achter de stellinginname van de afnemende werkzaamheden door digitalisering. De werkgever heeft geen initiatief genomen om de momenten van re-integratie meer te laten zijn dan slechts een aanwezigheid. De diverse waarschuwingen van de bedrijfsarts dat dit zou leiden tot stagnering dan wel verergering van de klachten, hebben de werkgever ook niet tot actie gedreven. De rechter oordeelt dat dit eveneens (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten is aan de zijde van de werkgever.
Conclusie
De kantonrechter concludeert dat de werkgever onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie. Dit wordt onderschreven door het oordeel van het UWV. De bedrijfsarts bevestigde ook dat instandhouding van de huidige situatie ziekmakend was voor de office-manager. Een situatie waarin een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte (ernstig) veronachtzaamt, wordt door de wetgever aangeduid als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Het ontbindingsverzoek van de office-manager wordt daarom toegewezen.
De rechter wijst de verzochte wettelijk transitievergoeding toe. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt tevens een billijke vergoeding toegekend.
Let op: Regelmatig zien we procedures waarin werknemers het verwijt krijgen te weinig aan hun re-integratie te doen. In dit geval wil de werknemer de arbeidsrelatie beëindigen omdat de werkgever te weinig heeft gedaan. De rechter ziet dat als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Bij de verdeling van een nalatenschap ontstaan regelmatig overbedelingsschulden, al dan niet renteloos, die pas na overlijden van de langstlevende opeisbaar zijn. Soms zien partijen aanleiding om zo’n schuld onverplicht tussentijds af te lossen. Dan rijst de vraag of zo’n aflossing leidt tot een schenking voor de schenkbelasting. De Belastingdienst heeft de fiscale uitgangspunten overzichtelijk op een rij gezet.
In principe leidt de aflossing van een schuld niet tot een gift. Dat verandert echter, als iemand een schuld onverplicht en voortijdig aflost voor een hoger bedrag dan de contante waarde op het moment van aflossing.
Bepaling van de contante waarde
De contante waarde van een overbedelingsschuld wordt vastgesteld via de marktwaardemethode. Omdat er geen markt bestaat voor overbedelingsschulden, accepteert de Belastingdienst het gebruik van de marktrente uit artikel 38p van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze rente is openbaar en wordt jaarlijks aangepast.
Voorbeeld berekening contante waarde
Een ouder (71 jaar) heeft een renteloze overbedelingsschuld van € 100.000.
Aflossing boven dit bedrag wordt aangemerkt als schenking: de ouder betaalt meer aan het kind dan de contante waarde van de vordering.
Hoe wordt de schenking voor de schenkbelasting vastgesteld?
Als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van een schenking, moet de hoogte daarvan voor toepassing van de Successiewet worden berekend. Bij schulden met minder dan 6% samengestelde rente heeft de ouder een (fictief) vruchtgebruik over de schuld. Bij vervroegde aflossing geeft de ouder dit vruchtgebruik prijs, waardoor sprake is van een schenking.
Uitwerking van het voorbeeld
De hoogte van die schenking volgt uit de vruchtgebruiktabellen van de Successiewet.
Als de ouder de volledige schuld van € 100.000 aflost voor € 90.000, bedraagt de schenking voor de schenkbelasting: € 90.000 – € 58.000 = € 32.000.
Tip: Een behoorlijke gecompliceerde berekening dus in twee stappen om tot het bedrag van de eventuele schenking te komen. Uiteraard zijn we u graag van dienst als deze situatie bij u gaat spelen.
U ontvangt een factuur met BTW, u trekt de BTW af, maar u hebt de factuur nog niet betaald. Wat als u de factuur voorlopig niet of helemaal niet betaalt? En hoe zit het met de omgekeerde situatie: u stuurt een factuur met BTW en uw afnemer betaalt de factuur niet. Hierover heeft de Belastingdienst twee factsheets gepubliceerd.
U ontvangt een factuur die u niet betaalt
Als u aan de gebruikelijke voorwaarden voldoet, mag u de BTW aftrekken in de aangifte over het tijdvak waarin u de factuur heeft ontvangen. Dat mag ook als de factuur nog niet betaald is.
U moet de afgetrokken btw echter terugbetalen als vaststaat dat u de factuur waarop de BTW is vermeld niet zult betalen.
Er zijn 2 mogelijkheden:
Betaalt u later (een deel van de) factuur alsnog? Dan heeft u over het tijdvak waarin de factuur alsnog is betaald weer recht op (gedeeltelijke) teruggaaf van BTW.
U stuurt een factuur die uw afnemer niet betaalt
U mag BTW terugvragen als de afnemer de factuur niet heeft betaald en niet gaat betalen, en u de BTW al hebt afgedragen in de aangifte
Er zijn 2 mogelijkheden:
Betaalt de afnemer later alsnog? Dan moet u de BTW opnieuw aangeven in het tijdvak waarin de betaling is ontvangen.
Per 1 mei 2026 is de Belastingdienst veranderd van huisbank. De Belastingdienst is overgestapt van ING naar Rabobank. Daardoor zijn de rekeningnummers van de Belastingdienst gewijzigd. Burgers en bedrijven moeten de belastingen op een ander rekeningnummer betalen en eventuele periodieke overboekingen aanpassen.
De wijziging van huisbank volgt uit een periodieke aanbesteding van het betalingsverkeer door het ministerie van Financiën. Betalingen na 1 mei 2026 op het oude rekeningnummer worden gedurende een overgangstermijn van 1 jaar nog wel juist verwerkt.
Nieuw rekeningnummer
Burgers en bedrijven vinden het nieuwe Rabobank-rekeningnummer waarop betaald moet worden in de betaalinformatie die zij van de Belastingdienst krijgen per brief of digitale post, zoals bij een belastingaanslag. Betalen kan op de manieren die burgers en bedrijven gewend zijn, bijvoorbeeld via internetbankieren.
Overboekingen
Bij een zelf ingestelde periodieke overboeking, bijvoorbeeld voor termijnen van een betalingsregeling, moeten burgers en bedrijven het rekeningnummer in de periodieke overboeking aanpassen.
Bij betalingen met iDEAL | Wero via de Belastingdienst-portalen of via automatische incasso hoeven burgers en bedrijven niets aan te passen.
Wie geld ontvangt van de Belastingdienst ziet dat dit vanaf 1 mei 2026 steeds vaker vanaf een Rabobank-rekeningnummer wordt overgemaakt.
Phishing
Bij wijzigingen in betaalgegevens is er een kans op phishing. Criminelen kunnen proberen misbruik te maken van het nieuwe rekeningnummer door valse berichten te versturen. De Belastingdienst vraagt nooit via e-mail, sms, berichten-apps of telefoon om betaalgegevens of om direct geld over te maken. Twijfelt u of een bericht of telefoontje echt van de Belastingdienst is? Volg dan het stappenplan op belastingdienst.nl/phishing en controleer altijd of het rekeningnummer in de lijst met rekeningnummers staat.
Tip: Op belastingdienst.nl/bank vindt u de meest actuele informatie over de overstap van bank en de nieuwe rekeningnummers.
Als de werkgever een laadpaal bij de woning van de werknemer laat plaatsen of hiervoor een vergoeding geeft, is het gevolg voor de loonheffingen afhankelijk van de situatie. Er zijn drie mogelijkheden. De handreiking van de Belastingdienst hierover is herzien.
De voordelen van een laadpaal bij de woning van de werknemer zijn verwerkt in de bijtelling, als de werkgever een auto ter beschikking heeft gesteld. Voor een werknemer met een eigen auto mag de werkgever maximaal € 0,23 per zakelijke kilometer onbelast vergoeden. Dit is inclusief de kosten voor de laadpaal.
Als de werkgever een laadpaal bij de woning van de werknemer laat plaatsen of als de werkgever hiervoor een vergoeding geeft, is het gevolg voor de loonheffingen afhankelijk van de situatie. Er kan sprake zijn van 3 situaties:
1. Meer dan 500 kilometer privé
Voor een werknemer voor wie de bijtelling privégebruik auto geldt, is de vergoeding of verstrekking van een laadpaal in de waarde van het privégebruik verwerkt. De werkgever hoeft dus geen rekening te houden met een extra bedrag aan loon (in natura), ongeacht of een laadpaal is opgenomen in de catalogusprijs.
2. Niet meer dan 500 kilometer privé
Als de werknemer aantoonbaar niet meer dan 500 privékilometers per kalenderjaar rijdt, is geen sprake van bijtelling. Ook dan is de vergoeding of verstrekking van een laadpaal geen loon voor de werknemer. De laadpaal is bedoeld voor zakelijk gebruik.
Vergoeding elektriciteit voor auto van de zaak
Geeft de werkgever een vergoeding voor de werkelijke elektriciteitskosten die de werknemer maakt voor de auto van de zaak, dan is dit geen loon. Dit zijn intermediaire kosten en de werkgever kan deze daarom onbelast vergoeden. In plaats van het vergoeden van de werkelijke kosten, kan de werkgever er ook voor kiezen om een onbelaste zakelijke afspraak met de werknemer te maken.
Werkelijke kosten
De werkgever mag de integrale kostprijs van de elektriciteit onbelast vergoeden aan de werknemer. De integrale kostprijs wordt berekend door de variabele en vaste kosten van de werknemer te delen door het aantal door de werknemer verbruikte kWh. Tot die kosten kan ook een evenredig deel van de afschrijving van zonnepanelen behoren. Ook de kosten van een meter om het feitelijk verbruik vast te stellen, zijn onderdeel van de kostprijs.
Gebruikt de werknemer voor het opladen van de auto van de zaak een openbare laadpaal? Dan kan de werkgever de kosten die de werknemer betaalt, onbelast vergoeden. Als de werknemer een laadpaal op de werkplek gebruikt voor het opladen van de auto van de zaak, mag dit onbelast.
Zakelijke afspraak
Een werkgever kan ook een zakelijke afspraak met de werknemer maken over de doorlevering van energie. Als de werkgever een zakelijke afspraak maakt, is geen sprake van loon. Een afspraak is zakelijk als het tarief in combinatie met de duur van het contract marktconform is. Het gaat om de energiemarkt op het moment van het maken van de afspraak. Bij een zakelijke afspraak kan de werknemer ook de door zonnepanelen opgewerkte energie meeleveren.
Geen vaste vergoeding
De werkgever mag geen onbelaste vaste vergoeding geven voor intermediaire kosten op basis van een gemiddelde elektriciteitsprijs (van bijvoorbeeld het CBS). Wil de werkgever toch een vaste onbelaste vergoeding per kWh geven? Dan is dit alleen mogelijk als hij aannemelijk kan maken dat deze vergoeding gelijk is aan de integrale kostprijs die de werknemer is verschuldigd aan zijn energiemaatschappij.
Laadpaal niet terugeisen
Is de laadpaal eigendom van de werknemer en eist de werkgever deze niet terug bij beëindiging van de lease- of arbeidsovereenkomst? Dan is geen sprake van loon voor de werknemer. Er is dan namelijk geen nieuw genietingsmoment omdat de werknemer al eigenaar is van de laadpaal. Hierop kan een uitzondering gelden. Als de werkgever een teruggaafbeding heeft afgesproken bij de verstrekking en de werkgever hier geen gebruik van maakt, kan wel sprake zijn van loon. Of dit zo is in een concreet geval, hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden.
Is de laadpaal geen eigendom van de werknemer maar is bijvoorbeeld de leasemaatschappij of de werkgever eigenaar? Dan is wel sprake van loon als de werkgever deze niet terugeist bij beëindiging van de lease- of arbeidsovereenkomst.
3. Eigen auto werknemer
Laat de werkgever een laadpaal bij de werknemer thuis plaatsen voor de eigen auto of vergoedt de werkgever de kosten hiervan? Dan mag dit onbelast, zolang dat past binnen de onbelaste vergoeding van maximaal € 0,23 per kilometer.
Vergoedingen of verstrekkingen die de werkgever naast € 0,23 per kilometer betaalt, zijn loon. Dit geldt ook voor de elektriciteit voor de auto en eventuele aanpassingen, zoals een extra groep in de meterkast en een meter om het verbruik te meten. De werkgever kan dit loon ook aanwijzen als eindheffingsloon als aan de gebruikelijksheidseis is voldaan. Dit valt dan onder de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Een consulente heeft met een relatiebemiddelingsbureau een overeenkomst gesloten om voor dat bureau diensten te verrichten. Ze ontvangt een percentage van de door het bureau aan cliënten in rekening gebrachte en betaalde fee. Haar inkomsten geeft ze aan als winst uit onderneming. De Belastingdienst corrigeert dat naar loon uit dienstbetrekking. Hoe oordeelt de rechter?
Beoordeling ondernemerschap
Volgens de wet moet eerst worden beoordeeld of de inkomsten winst uit onderneming vormen. Onder het begrip ‘onderneming’ wordt mede verstaan ‘het zelfstandig uitgeoefende beroep’ en onder ‘ondernemer’ de ‘beoefenaar van een zelfstandig beroep’. Daarvan is sprake als men de werkzaamheden zelfstandig en voor eigen rekening verricht en daarbij ondernemersrisico loopt. Bij de beoordeling of sprake is van ondernemerschap dient onder meer te worden gelet op de duurzaamheid en de omvang van de werkzaamheden, de grootte van de brutobaten, de winstverwachting, het lopen van (ondernemers)risico, de daarvoor beschikbare en bestede tijd, de bekendheid die naar buiten aan de werkzaamheid wordt gegeven, het aantal opdrachtgevers en het spraakgebruik. Deze vereisten worden in onderlinge samenhang bezien.
Toetsing
De consulente werkt gemiddeld ongeveer 35 uur per week voor het bureau. Ze zijn als volgt opgebouwd. Eerst voert zij een oriënterend gesprek met een potentiële cliënt (potential). Indien volgens de consulente sprake is van een geschikte kandidaat, vindt een intakegesprek plaats. De consulente noteert tijdens het intakegesprek relevante gegevens en maakt afspraken over het pakket dat de potential wenst af te nemen van het bureau en de wijze van betaling aan het bureau (ineens of in termijnen). De consulente stuurt deze informatie naar het bureau. Het bureau stuurt daarna een overeenkomst met factuur naar de potential, welke de potential ondertekent en vervolgens (rechtstreeks aan het bureau) betaalt. De consulente ontvangt op dat moment haar provisie (22%) van het bureau. Het bureau gaat vervolgens op zoek naar een match voor de cliënt. Hoewel het werk van de consulente dan in principe klaar is, houdt zij zich beschikbaar voor nader overleg op initiatief van het bureau, bijvoorbeeld over een potentiële match. In uitzonderlijke gevallen komt het voor dat een cliënt veeleisender is en er regelmatig contact is tussen de consulente en de cliënt en/of het bureau.
De consulente heeft dagelijks contact met het bureau. Zij heeft ook regelmatig contact met andere consulenten van het bureau (er wordt vergaderd via beeldbellen) en zij heeft één keer in de zes weken een bijeenkomst met tien andere consulenten, die de gehele dag duurt.
De consulente heeft naast het bureau geen andere opdrachtgevers waarvoor zij betaalde werkzaamheden verricht. Ze staat niet als ondernemer ingeschreven in het Handelsregister. Ze stuurt geen facturen aan het bureau. Ze doet geen aangifte omzetbelasting.
Het bureau verstrekt maandelijks een schriftelijke opgave van de over die maand door het bureau verschuldigde provisie. Het bureau geeft de aan de consulente uitbetaalde provisie door middel van een IB-47 formulier (uitbetaalde bedragen aan derden) door aan de Belastingdienst.
Overwegingen rechter
De rechter is van oordeel dat geen sprake is van winst uit onderneming. Hoewel een bepaalde mate van vrijheid in haar werkzaamheden inherent is aan haar beroep, heeft de consulente onvoldoende zelfstandigheid ten opzichte van het bureau.
Ze is verplicht de door het bureau ter beschikking gestelde vragenformulieren (de intake-kaart en het partnerformulier) te gebruiken. Ze moet betalingsafspraken maken conform de hiervoor door het bureau opgestelde regeling en ze moet de vragenformulieren en bemiddelingsovereenkomsten binnen 24 uur naar het bureau verzenden. Bij afwezigheid moet ze zelf zorg dragen voor vervanging, bijvoorbeeld door de telefoon door te schakelen naar de regioleid(st)er of een andere consulent. Dus het bureau bepaalt onder welke voorwaarden wordt gewerkt.
De omstandigheid dat de consulente zelf mag bepalen op welk tijdstip zij afspraken met potentials maakt, beoordeelt of sprake is van een geschikte kandidaat, met potentials bespreekt welk pakket de potential wenst af te nemen en de wijze van betaling aan het bureau (ineens of in termijnen) met de potential afstemt, doet daaraan niet af.
Hoewel de consulente stelt dat zij over haar provisie onderhandelt en deze niet, zoals de Belastingdienst stelt, eenzijdig door het bureau wordt vastgesteld, heeft de consulente geen bewijs overgelegd waaruit dergelijke onderhandelingen blijken. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de Belastingdienst had dit wel op haar weg gelegen. De consulente heeft daarom ook niet aannemelijk gemaakt dat zij zelfstandigheid ten aanzien van haar tariefstelling heeft.
De consulente heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij ondernemersrisico loopt. Ze heeft slechts één opdrachtgever. Ze heeft met het bureau een overeenkomst voor onbepaalde tijd gesloten. Dit brengt mee dat er voor haar geen continuïteitsrisico bestaat. Hoewel ze stelt dat zij debiteurenrisico loopt omdat haar provisie afhankelijk is van betaling door de cliënt aan het bureau, heeft zij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij daadwerkelijk te maken heeft met wanbetaling of daarmee rekening houdt. Gelet op de gemotiveerde betwisting van het debiteurenrisico door de Belastingdienst had dit wel op haar weg gelegen. Niet aannemelijk is dat zij daadwerkelijk debiteurenrisico loopt.
Het feit dat de balansopstellingen van de consulente in de aangiften geen activa en passiva bevatten, betekent dat van een investeringsrisico ook geen sprake kan zijn. Bovendien is ze niet naar buiten getreden als ondernemer. Zij stond niet ingeschreven in het Handelsregister en de reclame-uitingen die zij heeft laten zien zijn uit latere jaren en vermelden bovendien dat ze werkzaam is bij het bureau.
Conclusie
Alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat geen sprake is van winst uit onderneming.
Vervolgens wordt beoordeeld of de inkomsten loon uit dienstbetrekking vormen. Volgens de wet wordt als (fictieve) dienstbetrekking beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die krachtens overeenkomst met een ander tegen beloning geregeld zijn bemiddeling verleent tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen daartoe door hem te bezoeken personen en die ander, mits hij de bedoelde bemiddeling uitsluitend voor die ander verleent, het verlenen van die bemiddeling niet een voor hem bijkomstige werkzaamheid is en hij zich daarbij doorgaans niet door meer dan twee andere personen laat bijstaan.
De rechter is van oordeel dat sprake is van zo’n fictieve dienstbetrekking tussen de consulente en het bureau.
Let op: Omdat volgens de rechter geen sprake is van winst uit onderneming, mist de consulente de fiscale aftrekposten voor ondernemers en betaalt ze dus meer inkomstenbelasting over haar fee.
Half juni 2025 opent een nieuwe kinderdagverblijf zijn deuren. Het is op dinsdag en donderdag open voor de opvang van nog slechts een kind. Het aantal kinderen groeit tot vijf in augustus. Vanaf de opening staat een medewerkster op de groep. Daarvoor ontvangt ze betalingen, maar niet rechtstreeks van het kinderdagverblijf. Ze krijgt per 1 september een arbeidscontract met een proeftijd van twee maanden. Half oktober zegt de werkgever de overeenkomst op. Kan dat?
Standpunt medewerkster
Volgens de medewerkster is het proeftijdontslag niet rechtsgeldig, onder meer omdat zij al sinds half juni 2025 in dienst was bij de werkgever en toen dezelfde werkzaamheden en verantwoordelijkheden had als na 1 september 2025.
Standpunt werkgever
Volgens de werkgever is wel sprake van een geldig proeftijdontslag. De medewerkster was voor 1 september 2025 niet in dienst en heeft in die periode alleen wat hand- en spandiensten verricht. De werkgever had ook de financiële middelen niet om haar in juni in dienst te nemen. Bovendien waren de werkzaamheden voor 1 september niet te vergelijken met de werkzaamheden daarna. Als de betalingen in de periode voor 1 september al loon zouden vormen, dan betreft het een uurloon dat in hoogte niet te vergelijken is met het loon dat de medewerkster per 1 september 2025 verdiende, hetgeen een belangrijke indicatie is dat de werkzaamheden evenmin overeenkwamen.
Beoordeling proeftijdontslag door de rechter
De betalingen van voor 1 september vormen wel degelijk loon voor verrichte arbeid. Daarmee staat ook vast dat de medewerkster, die sinds de opening van het kinderdagverblijf tot het ontslag structureel betrokken was bij het reilen en zeilen van het kinderdagverblijf, op basis van een (mondelinge) arbeidsovereenkomst voor de werkgever werkzaam is geweest.
Het bestaan van een eerder dienstverband tussen dezelfde partijen sluit echter niet uit dat een rechtsgeldig proeftijdbeding is overeengekomen. Hiervoor is dan wel vereist dat er duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden van de medewerkster werden vereist dan voorheen.
De werkgever heeft op dit punt betoogd dat de medewerkster tot 1 september 2025 alleen wat ‘hand- en spandiensten’ voor hem heeft verricht. Wat de werkgever echter heeft nagelaten is deze werkzaamheden schriftelijk vast te leggen in een arbeidsovereenkomst, deze werkzaamheden in een functieomschrijving te vatten en hiervoor loonstroken te genereren. Hoewel hiervoor best enig begrip is op te brengen omdat de werkgever in een opstartfase verkeerde, niet of nauwelijks eigen inkomsten had en zijn focus vanzelfsprekend gericht was op groei van het aantal aanmeldingen, heeft de werkgever hiermee een grijs gebied gecreëerd met betrekking tot de aard van de werkzaamheden van de medewerkster. Dat is moeilijk te verenigen met het wettelijke vereiste dat het voor een rechtsgeldige proeftijd in een opvolgend contract duidelijk om andere vaardigheden of verantwoordelijkheden moet gaan.
Daar komt nog het volgende bij. Uit vergelijking van de loonstroken van na 1 september en de netto betalingen in de periode voor 1 september valt af te leiden dat de medewerkster voor 1 september 2025 wel degelijk op gelijke hoogte werd beloond voor haar arbeid als daarna.
Dat er in de opstartfase minder werk was dan na 1 september 2025 omdat het aantal op te vangen kinderen geleidelijk is toegenomen, brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat daarbij ook minder verantwoordelijkheden en andere vaardigheden kwamen kijken.
Conclusie
De rechter concludeert dat het proeftijdbeding geen gelding heeft tussen partijen en dat de opzegging van het dienstverband per half oktober 2025 daarom onregelmatig is geweest.
De medewerkster krijgt daarom toegewezen een extra bedrag aan transitievergoeding berekend over de periode tot 1 september, een gefixeerde schadevergoeding voor het loon over de afgesproken opzegtermijn - die bij opzegging per half oktober neerkomt op 2,5 maand bruto maandloon -, plus een billijke vergoeding van € 2.500.
Let op: Als een werknemer al eerder bij u heeft gewerkt, kunt u toch een rechtsgeldig proeftijdbeding afsluiten. Maar alleen voor een baan met duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden. De bewijslast hiervan ligt bij de werkgever. Slaagt u hierin niet, dan kan het ontslag flink in de papieren gaan lopen.
Binnenkort stuurt de Belastingdienst een brief aan mensen die via een schenking of erfenis in 2022 een onderneming hebben verkregen en daarbij gebruik hebben gemaakt van de bedrijfsopvolgingsregeling. De brief gaat over het zogeheten voortzettingsvereiste. Voldoet u hier niet aan, dan moet u daarvan aangifte doen.
Om gebruik te maken van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR), moet u de onderneming minstens vijf jaar voortzetten. Dit heet het voortzettingsvereiste. In de brief staat hoe u kunt nagaan of u nog aan de voorwaarden voldoet en hoe u aangifte moet doen.
Wanneer voldoet u niet meer aan de voorwaarden?
Verkoopt u (een deel van) de onderneming binnen 5 jaar, of verandert de aard van de bedrijfsactiviteiten binnen 5 jaar? Dan voldoet u niet meer aan de voorwaarden en kunt u geen beroep meer doen op de BOR.
Bij twijfel: vraag vooroverleg aan
Als u twijfelt of u nog aan de voorwaarden voldoet, is het verstandig om vooroverleg te vragen.
Aangifte doen
Als u niet meer voldoet aan het voortzettingsvereiste, moet u hiervan aangifte doen. Het formulier ‘Aangifte niet voldoen aan het voortzettingsvereiste’ moet bij de Belastingdienst binnen zijn uiterlijk 8 maanden na het moment dat u bent gestopt met de voortzetting van de onderneming.
Tip: Als adviseur begeleiden we u voor, tijdens en na de bedrijfsopvolging. Het toetsen aan het voortzettingsvereiste en de eventuele aangifteplicht die daaruit voortvloeit, horen daarbij.
De ontwikkelingen in de fiscale wet- en regelgeving voor zelfstandigen hebben er toe geleid dat veel zelfstandigen hebben gekozen of gaan kiezen voor een loondienstverband. In 2025 zijn ruim 190.000 ondernemers gestopt met hun onderneming. Als dat ook voor u geldt, moet u in 2025 aangifte doen van winst uit onderneming en inkomsten uit loondienst. De overgang van ondernemerschap naar loondienst brengt extra aandachtspunten mee voor de aangifte. We geven hieronder een korte samenvatting.
Inkomen uit loondienst in plaats van winst uit onderneming
Bij ondernemers voor de inkomstenbelasting bestaat het inkomen uit winst uit onderneming. Over deze winst betalen zij pas inkomstenbelasting nadat deze in de jaarlijkse aangifte is opgenomen. Gaan zij in loondienst, dan houdt de werkgever loonheffing in als voorheffing op de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen. Hierdoor is de belastingheffing over het loon meestal al grotendeels gedurende het jaar voldaan.
In de aangifte staan de voorheffingen op de inkomstenbelasting en premie zorgverzekeringen doorgaans automatisch ingevuld. Het is van belang deze gegevens zorgvuldig te controleren, zodat de aangifte volledig en correct wordt ingediend.
Bijdrage Zorgverzekeringswet niet meer zelf afdragen
Fiscale ondernemers dragen de bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) zelf af aan de Belastingdienst. Zij ontvangen hiervoor meestal aan het begin van het jaar een voorlopige aanslag Zvw. Als de ondernemer vervolgens in loondienst gaat, wordt de bijdrage Zvw via de werkgever ingehouden op het loon.
Hebt u de voorlopige aanslag Zvw niet laten aanpassen vanaf het moment van in loondienst gaan? Dan kan het zijn dat u te veel bijdrage heeft betaald. De verrekening hiervan vindt plaats via de definitieve aanslag, na het indienen van de aangifte.
Ontvangt u ook voor 2026 een voorlopige aanslag Zvw? Laat dan controleren of deze nog aansluit op de huidige situatie.
Geen zakelijke kosten en aftrekposten
Fiscale ondernemers mogen onder voorwaarden een deel van hun zakelijke kosten van de opbrengsten aftrekken om zo de winst uit onderneming te bepalen. Daarnaast kunnen zij gebruikmaken van ondernemersaftrekposten, zoals de zelfstandigenaftrek en de mkb winstvrijstelling. Bent u in loondienst, dan bestaan deze mogelijkheden niet.
Als u slechts een deel van het jaar ondernemer was, geldt dat uitsluitend de zakelijke kosten aftrekbaar zijn die bij de periode en activiteiten van het ondernemerschap horen.
Ondernemersaftrekposten, zoals de zelfstandigenaftrek en de mkb winstvrijstelling, kunnen ook van toepassing zijn als het ondernemerschap maar een deel van het jaar heeft geduurd. Let daarbij wel op dat u voor de zelfstandigenaftrek moet voldoen aan het urencriterium van 1.225 uur over het gehele jaar (voor 2025).
Rekening houden met de stakingswinst in de aangifte
Als u stopt met ondernemen, moet de zogenaamde stakingswinst worden berekend. Deze stakingswinst maakt onderdeel uit van het inkomen in het jaar van beëindiging van de onderneming.
De stakingswinst bestaat uit het verschil tussen de boekwaarde van de onderneming en de werkelijke waarde van de bezittingen (bedrijfsmiddelen), zoals bijvoorbeeld een laptop. Daarnaast vallen fiscale reserves vrij, zoals de herinvesteringsreserve, die door het beëindigen van de onderneming vervalt.
Het bepalen van de stakingswinst kan behoorlijk complex zijn. We adviseren u hier graag bij.
Tip: Op belastingdienst.nl op de pagina In loondienst na ondernemerschap vindt u meer informatie over de laatste belastingaangifte als ondernemer en (opnieuw) in loondienst gaan.
Regelmatig stelt een ouder zich persoonlijk borg voor een lening die een kind, of de BV van een kind, aangaat. Wat als het kind, of de BV, voor deze borgstelling geen vergoeding (ook wel borgstellingsprovisie genoemd) aan de ouder hoeft te betalen? Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt ingenomen.
In het aan de kennisgroep voorgelegde geval is vader de borgsteller, de bank de schuldeiser en de BV van een kind de hoofdschuldenaar.
Vraag
Is een borgstelling voor een door een derde verstrekte lening aan een BV een schenking, als de borgsteller hiervoor een lagere dan zakelijke vergoeding van die BV ontvangt?
Antwoord
Ja, als een borgsteller uit vrijgevigheid genoegen neemt met een lagere dan zakelijke vergoeding voor de borgstelling is sprake van een schenking aan degene die voordeel heeft bij die borgstelling. Dat is de aandeelhouder van de lenende BV. De verrijking betreft de waardestijging van diens aandelen, die het gevolg is van de borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding in combinatie met een lening onder aantrekkelijkere voorwaarden.
Beschouwing
Borgstelling - de juridische term is borgtocht - is de overeenkomst waarbij de borgsteller ofwel borg zich tegenover de schuldeiser verbindt tot nakoming van een verbintenis, die de hoofdschuldenaar tegenover de schuldeiser heeft of zal krijgen. Voor een borgstelling wordt in het economische verkeer door de hoofdschuldenaar een vergoeding betaald aan de borgsteller.
Schenking
Voor de Successiewet wordt onder schenking verstaan de gift zoals verwoord in het Burgerlijk Wetboek. Een gift is daar omschreven als “iedere handeling die er toe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt”. Voor een gift is nodig: verarming van de schenker en verrijking van de begiftigde, als gevolg van een handeling met een bevoordelingsbedoeling. Hierna worden deze elementen besproken.
Vrijgevigheid - bevoordelingsbedoeling
Voor een gift is nodig dat de borgstelling tot stand is gekomen met een bevoordelingsbewustheid en een bevoordelingsbedoeling bij de borgsteller. Door de borgstelling loopt vader in privé risico op aansprakelijkheid. In het economische verkeer zou niemand dat risico onder deze voorwaarden aanvaarden. Een zakelijk handelende derde zal niet of enkel tegen een zakelijke vergoeding bereid zijn om borg te staan voor de schuld van de BV van het kind.
Vader aanvaardt door de borgstelling het aansprakelijkheidsrisico en zal zich er van bewust zijn dat hij door het niet bedingen van een vergoeding iemand bevoordeelt. Vader heeft de wil om het kind te bevoordelen. Hij zou de borgstelling onder deze condities niet met een willekeurige derde zijn aangegaan.
Verarming
Van verarming is sprake omdat uit de borgstelling een verplichting voortvloeit, waaraan een waarde wordt toegekend. Vader verbindt zich op het moment van de borgstelling tot (mogelijke) nakoming van een verbintenis van de BV van het kind jegens de bank. Doordat de verplichting op het vermogen van vader drukt en hij geen zakelijke vergoeding ontvangt, neemt zijn vermogen meteen af. Dat hij alleen de schuld hoeft af te lossen als de BV van het kind haar verbintenis niet nakomt, doet daar niet aan af.
Verrijking
Dat vader zich borg stelt leidt tot een waardestijging van de aandelen in de BV van het kind. Deze waardestijging ontstaat doordat de BV door de borgstelling onder aantrekkelijke voorwaarden geld kan lenen bij een bank. Dankzij deze voorwaarden en het niet verschuldigd zijn van een (zakelijke) borgstellingsprovisie worden de aandelen in de BV meer waard. De aandelen in deze BV zijn dan ook meer waard dan de aandelen in een vergelijkbare BV, die geen of een minder gunstige borgstelling kan aantrekken.
Degene die van de waardestijging van de aandelen profiteert, is de aandeelhouder van de BV. Dus verrijkt het kind door de borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding. De verschuldigde schenkbelasting wordt in dit geval berekend naar tariefgroep I en met de vrijstelling voor het kind.
Let op: Het verstrekken van een borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding is een gift op moment van verstrekken. Dat de borgsteller pas daadwerkelijk aan de bank hoeft te betalen op het moment dat hij wordt aangesproken is niet bepalend voor het moment van de gift. Het verstrekken van een borgstelling tegen een lagere dan zakelijke vergoeding is dus onmiddellijk een gift, ongeacht of de borgsteller wordt aangesproken.
Het kabinet wil een rechtsvermoeden van werknemerschap invoeren als iemand werkt onder een uurtarief van 38 euro (peildatum 1 januari 2026). Werkenden die onder dat tarief werken en menen recht te hebben op een arbeidsovereenkomst, krijgen hierdoor een betere rechtspositie. Dit is een belangrijke stap in het tegengaan van schijnzelfstandigheid onder een kwetsbare groep aan de basis van de arbeidsmarkt.
Civielrechtelijke werking
Het rechtsvermoeden heeft uitsluitend civielrechtelijke werking, het geldt uitsluitend tussen werkende en werkgever.
Het rechtsvermoeden werkt niet (publiekrechtelijk) door naar de uitvoering van de sociale zekerheidswetgeving en de fiscaliteit. Dit betekent dat de Belastingdienst niet toetst aan het rechtsvermoeden. De Belastingdienst houdt zijn eigen onderzoeksplicht. De Belastingdienst beschikt vooraf niet over het uurtarief van een werkende waardoor het uurtarief niet in het risicogerichte toezicht kan worden meegenomen. Bovendien zijn alle feiten en omstandigheden van het individuele geval relevant voor de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking. De hoogte van de beloning en de wijze waarop de beloning tot stand is gekomen (heeft de werkende veel of weinig onderhandelingsruimte over het tarief) zijn slechts enkele elementen voor die beoordeling.
Waarom arbeidsovereenkomst claimen?
Er zijn meerdere redenen waarom een werkende zijn recht op een arbeidsovereenkomst zou willen claimen. De voornaamste redenen liggen in een betere (arbeidsrechtelijke) bescherming, op gebied van ontslag en op het gebied van inkomen. Zo gelden in geval van een arbeidsovereenkomst de reguliere ontslagregels, is er loondoorbetaling bij ziekte, is de werkende verzekerd voor de werknemersregelingen en bouwt de werkende veelal pensioen op.
Onmiddellijke werking
Het wetsvoorstel kent na invoering onmiddellijke werking. Werkenden kunnen met ingang van de inwerkingtredingsdatum van dit wetsvoorstel een beroep op het rechtsvermoeden doen. Dit geldt ook voor arbeidsrelaties die zijn aangegaan voor de inwerkingtredingsdatum, maar op of na de inwerkingtredingsdatum nog bestaan. Of daadwerkelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt op dat moment getoetst aan het burgerlijke wetboek zoals dat op dat moment luidt. Indien blijkt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan geldt dit voor de volledige duur van deze arbeidsrelatie.
De regering verwacht met name een preventieve werking van het rechtsvermoeden. Het zal er toe leiden dat werkgevers bij het aangaan van een arbeidsrelatie beter zullen toetsen hoe deze arbeidsrelatie vormgegeven wordt. Daarnaast zal de werkende al vooraf – zonder dat deze een gerechtelijke procedure hoeft te starten – een beroep doen op het rechtsvermoeden tegenover zijn werkgever. Deze kan vervolgens de (proces)risico’s inschatten en daarop anticiperen door – in voorkomend geval – een arbeidsovereenkomst aan te bieden.
Let op: Het blijft voor de werkgever mogelijk om het rechtsvermoeden te weerleggen, bijvoorbeeld door aannemelijk te maken dat de vereiste gezagsverhouding ontbreekt.
Een dierenarts heeft met zijn ouders een maatschap die de dierenartsenpraktijk uitoefent. De maatschap krijgt een indicatief overnamebod van € 3.300.000. De maten richten BV’s op en brengen de maatschapsaandelen in, met fiscale afrekening. Daarbij hanteren ze een waarde van slechts € 545.000, waarvan € 400.000 voor goodwill. Acht maanden later wordt de praktijk verkocht voor € 4.686.000. De Belastingdienst legt navorderingsaanslagen op gebaseerd op een goodwill van € 4.686.000. De rechter komt eraan te pas.
Op de zitting heeft de Belastingdienst ermee ingestemd dat de waarde van de andere componenten dan goodwill, in overeenstemming met de aangifte, moet worden gesteld op € 145.000.
Rechter over de vereiste aangifte – omkering en verzwaring van de bewijslast
De maatschapsleden hebben in de ingediende aangiften een ondernemingswaarde ten grondslag gelegd van € 545.000. De goodwillcomponent hierin, € 400.000, is berekend conform de methode van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Volgens de maten kon bij de bepaling van de waarde van de onderneming voorbij worden gegaan aan de gedane biedingen, omdat ze toen niet van plan waren de praktijk te verkopen.
De Belastingdienst vindt die argumentatie onjuist en onverdedigbaar. Het grote verschil tussen de indicatieve bieding en de door de maten verantwoorde waarde betekent dat niet de vereiste aangifte is gedaan en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
Bij een ‘ruisende’ inbreng van een onderneming in een besloten vennootschap tegen uitreiking van aandelen, zoals hier, moet voor de bepaling van de stakingswinst de waarde van de onderneming worden vastgesteld. Daarbij gaat het om de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop onder de meest gunstige omstandigheden en na de beste voorbereiding door de hoogst biedende zou worden betaald.
Uit het indicatieve bod moet worden afgeleid dat de hoogstbiedende gegadigde bij verkoop onder de meest gunstige omstandigheden een prijs zou hebben betaald in de ordegrootte van dat bod. Aangezien niet in geschil is dat de bieder een potentiële koper en onafhankelijke derde was, zal de waarde in het economisch verkeer daarmee niet, in ieder geval niet veel, lager zijn geweest dan het bod van € 3.300.000.
Met de Belastingdienst acht de rechter de door de maten aan de inbreng ten grondslag gelegde ondernemingswaarde van € 545.000 niet verdedigbaar. Door een bedrag aan veronderstelde jaarwinst te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor – de zogenoemde multiple methode –, wordt ten onrechte geen rekening gehouden met de groeipotentie die de bieder blijkens haar indicatieve bod aanwezig achtte.
Als argument om dat bod bij de bepaling van de ondernemingswaarde buiten beschouwing te laten, kan niet dienen dat de maten ten tijde van de inbreng niet voornemens waren de onderneming aan een derde te vervreemden. De stakingswinst bij inbreng in een besloten vennootschap moet immers worden bepaald aan de hand van de objectieve ondernemingswaarde, zodat de bedoeling van de inbrengers om de onderneming vooralsnog niet aan een derde uit handen te geven niet van betekenis is.
Evenmin kan als argument dienen dat, zoals door de maten is betoogd, de prijs die private-equity-partijen bereid zijn te betalen niet overeenkomt met de in de branche als ‘normaal’ ervaren waarde. Ook dat argument miskent dat het nu juist gaat om de prijs die de hoogstbiedende gegadigde voor de onderneming zou betalen, die in voorkomend geval een private-equity-partij zal zijn.
Daarom vindt de rechter het aannemelijk dat de op grond van de aangiften verschuldigde belasting zowel in absoluut als relatief opzicht aanzienlijk te laag is ten opzichte van de werkelijk verschuldigde belasting. Volgens de rechter hadden de maten zich daarvan redelijkerwijs bewust moeten zijn, ze hadden behoren te weten dat door bij het bepalen van de inbrengwaarde voorbij te gaan aan objectieve marktgegevens een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.
Dit betekent dat de maten niet de vereiste aangifte hebben gedaan, zodat het aan de maten is om te bewijzen in hoeverre het standpunt van de Belastingdienst niet juist is.
Rechter over de redelijke schatting door de Belastingdienst
De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. De Belastingdienst heeft de stakingswinst bepaald door de waarde van de onderneming te stellen op de voor de aandelen overeengekomen prijs.
Volgens de maten is de Belastingdienst er daarbij ten onrechte aan voorbijgegaan dat kort na de inbreng bekend werd dat een nabijgelegen dierenartspraktijk een half jaar later zou stoppen, dat dit niet was voorzien en dat het wegvallen van die praktijk een significante invloed heeft gehad op de omzetprognoses.
De rechter gaat hierin deels mee. Het indicatieve bod van vier maanden voor de inbrengdatum bedroeg € 3.300.000. Daarop volgde, vijf maanden na de inbreng, een bod van € 5.300.000, dat na een due diligence weer twee maanden later is uitgemond in de definitieve koopprijs van € 4.686.000. Uit de stukken leidt de rechter af dat de waarde die de bieder de onderneming toekende vooral is bepaald door verwachtingen omtrent toekomstige omzetten. Daarmee is aannemelijk dat de hogere bieding na de inbrengdatum in ieder geval deels is terug te voeren op een stijging van de omzetverwachting door het wegvallen van een concurrent in de nabijheid van de dierenkliniek. De rechter acht niet redelijk die gebeurtenis bij de schatting van de waarde van de onderneming per de inbrengdatum buiten aanmerking te laten.
De rechter vindt het redelijk om de helft van het verschil tussen het eerste indicatieve bod en de uiteindelijke koopprijs aan te merken als waardevermeerdering van de onderneming ten gevolge van het wegvallen van de concurrent. Aldus komt de rechtbank tot een schatting van de ondernemingswaarde per de inbrengdatum van – afgerond – € 4.000.000. Nog altijd tien maal zo hoog als de aangegeven goodwill.
De aanslagen berusten dus op een te hoge schatting door de Belastingdienst van de inbrengwaarde. De rechter vermindert de aanslagen tot het juiste bedrag.
Let op: Of de maatschapsleden door de ruisende inbreng in de BV-structuur, gezien de nog steeds zeer forse fiscale afrekening over de stakingswinst, achteraf per saldo fiscaal beter uit zijn, is de vraag. Dat tijdig en goed advies bij zo’n traject onontbeerlijk is, mag duidelijk zijn. We adviseren u graag.
Zes weken na indiensttreding krijgt een werknemer een fietsongeval en wordt hij door schouderletsel arbeidsongeschikt. Hij werkt niet meer. Volgens de bedrijfsarts zou hij met het openbaar vervoer moeten kunnen reizen. De werknemer beweert echter dat hij vanwege zijn blessure niet naar vervolgafspraken met de bedrijfsarts kan. Daarom stopt de werkgever de loondoorbetaling. De werknemer eist via de rechter het loon sinds de loonstop.
Werknemer niet naar bedrijfsarts
Na de ziekmelding heeft de werknemer loon doorbetaald gekregen. Het heeft geruime tijd geduurd voordat de werknemer is opgeroepen voor een gesprek met de bedrijfsarts. Dit gesprek heeft uiteindelijk plaatsgevonden ruim vier maanden na de ziekmelding in een videogesprek.
In de probleemanalyse naar aanleiding van dit gesprek concludeert de bedrijfsarts dat de belastbaarheid van de werknemer voor eigen taken beperkt is. Wel zijn er volgens de bedrijfsarts enkele mogelijkheden om administratieve taken vanuit huis op te starten gedurende enkele uren per week waarbij er rekening worden gehouden met de beperkingen. Ook volgt uit de probleemanalyse dat de werknemer geen voertuigen (auto en fiets) kan besturen, maar dat hij zich wel met het openbaar vervoer kan verplaatsen. Geadviseerd wordt een vervolgspreekuur na zes weken.
Dit geplande bezoek aan de bedrijfsarts is door de werknemer afgezegd. Bij een nieuwe afspraak een week later is de werknemer niet verschenen. Een dag later stuurt de werkgever per e-mail een waarschuwing aan de werknemer waarin een loonstop wordt aangekondigd. Weer een week later is de werknemer opnieuw niet verschenen bij de bedrijfsarts. Vanaf die datum is de werkgever gestopt met het betalen van het loon.
Standpunt werknemer
Volgens de werknemer is de loonstop onterecht. Het verwijt dat de werkgever hem maakt, namelijk dat hij tot tweemaal toe zonder geldige reden niet op een afspraak bij de bedrijfsarts is verschenen, is niet juist. Zijn fysieke toestand maakte het niet mogelijk om met de trein naar Amsterdam te reizen voor de afspraak met de bedrijfsarts. Dit werd onderstreept door zijn gespecialiseerde fysiotherapeut. Namens de werknemer is uitdrukkelijk verzocht het onderzoek naar de arbeidsgeschiktheid door een in Utrecht gevestigde bedrijfsarts of via een online video consult te laten plaatsvinden.
Overwegingen rechter
De kantonrechter volgt het standpunt van de werknemer niet en is van oordeel dat de werkgever de loonstop terecht heeft toegepast. In de wet worden de situaties beschreven waarin een werkgever gerechtigd is de doorbetaling van het loon te stoppen. Eén van de redenen is het ‘zonder deugdelijke grond weigeren mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen tot passende arbeid’.
Vast staat dat de bedrijfsarts al in de probleemanalyse had geconcludeerd dat de werknemer zich met het openbaar vervoer kon verplaatsen. Voor een bezoek aan de bedrijfsarts in Amsterdam bestond dan ook, op basis van deze conclusie van de bedrijfsarts, geen beletsel.
Het is, zoals de werkgever tussentijds ook meerdere keren schriftelijk heeft medegedeeld, een bedrijfsarts die vaststelt of en in welke mate er sprake is van arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Ook is de mate van belastbaarheid van een werknemer voorbehouden aan het oordeel van een bedrijfsarts. In dit geval heeft de bedrijfsarts geoordeeld geen beletsel te zien in het reizen met het openbaar vervoer. Een verklaring van een fysiotherapeut maakt dit niet anders.
Als de werknemer het niet eens was met het oordeel van de bedrijfsarts op dit punt, dan had hij zich tot het UWV moeten wenden om hierover een deskundigenoordeel te vragen. Dat heeft de werknemer niet gedaan. De werknemer is meerdere keren op zijn verplichtingen gewezen en het voornemen het loon niet meer te betalen is door de werkgever meerdere keren aangekondigd.
Conclusie
Volgens de rechter staat vast de werknemer zonder deugdelijke grond niet mee heeft gewerkt aan een redelijk voorschrift en was de werkgever gerechtigd om de loonstop op te leggen.
Dit betekent dat het verzoek van de werknemer tot betaling van zijn loon en de nevenverzoeken (wettelijke verhoging, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten) worden afgewezen.
Transitievergoeding ook over periode na loonstop
Omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels is geëindigd, heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. De werkgever heeft deze berekend tot het moment van de loonstop. Dat is niet juist. Als een werkgever gehouden is aan een werknemer een transitievergoeding te betalen, dan is de werkgever deze ook verschuldigd over de periode dat er door de werkgever een (terechte) loonstop is toegepast. De werknemer heeft daarom nog recht op de transitievergoeding over de periode vanaf de loonstop tot datum einde contract.
Let op: Voor de werkgever, en wellicht ook voor u, is verrassend dat de transitievergoeding berekend moet worden over de periode tot datum einde contract in plaats van tot de datum van de terechte loonstop.
Man en vrouw gaan scheiden. Hij heeft tijdens het huwelijk pensioenrechten opgebouwd. De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding is van toepassing. Bij echtscheiding ziet de vrouw echter af van haar recht op pensioenverevening, het recht op uitbetaling van de helft van de tijdens het huwelijk opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen. Ze wil hiervoor geen compensatie. Is dit een schenking?
Volgens een kennisgroep van de Belastingdienst is inderdaad sprake van een schenking als de vrouw voor het afzien niet wordt gecompenseerd.
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: Wvps) regelt in beginsel de verevening bij alle gehuwden, ongeacht het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime. De gedachte achter de Wvps is dat het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen beide echtgenoten gelijkelijk aangaat. Daarom wordt dit gedeelte van het ouderdomspensioen na echtscheiding uiteindelijk gelijkelijk aan de echtgenoten uitgekeerd. Bestaat tussen de echtgenoten een wettelijke gemeenschap van goederen dan behoren daartoe niet de pensioenaanspraken, waarop de Wvps van toepassing is. De echtgenoten kunnen de toepassing van de Wvps bij huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant uitsluiten.
Gift
Iedere handeling die er toe strekt dat een ander wordt verrijkt ten koste van eigen vermogen is een gift is. De drie vereisten voor een gift zijn: verarming, verrijking en bevoordelingsbedoeling.
Afzien van
Op grond van de Wvps hebben beide echtgenoten recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. Als de vrouw die dat pensioen niet heeft opgebouwd afziet van haar recht op pensioenverevening, verrijkt de man die het pensioen heeft opgebouwd. Hij wordt hierdoor namelijk als enige gerechtigd tot dat gedeelte van het ouderdomspensioen. De vrouw verarmt, omdat haar recht op pensioenuitkeringen vervalt.
Van verrijking en verarming is ook sprake als de echtgenoten in een echtscheidingsconvenant de Wvps niet van toepassing verklaren. Dit is anders als de echtgenoot die afziet van pensioenverevening hiervoor gecompenseerd wordt, bijvoorbeeld bij het verdelen van de gemeenschap van goederen.
Omdat het bewust afzien door de ene echtgenoot per definitie leidt tot de verrijking van de andere echtgenoot, is de bevoordelingsbedoeling (bewustheid van en wil tot bevoordeling) aanwezig.
Let op: Het komt bij een echtscheiding regelmatig voor dat een van de partners niet alles wil hebben waar hij of zij juridische recht heeft. Dan komt al snel een (belaste) schenking om de hoek kijken.
Op 21 oktober tekenen werkgeefster en werkneemster een arbeidsovereenkomst voor zeven maanden ingaande 1 november met een proeftijd van één maand. Vlak na de ondertekening vraagt de werkneemster of zij op 14 november al een voorschot van € 1.000 op haar loon kan krijgen. Op 22 oktober belt de werkgeefster om te zeggen dat het voorschot niet doorgaat en dat zij de arbeidsovereenkomst beëindigt met een beroep op de proeftijd. Dat heeft ze op 27 oktober schriftelijk bevestigd. Kan dat?
Standpunt werkneemster
Volgens de werkneemster is de opzegging niet rechtsgeldig omdat de arbeidsovereenkomst nog niet was begonnen en de werkgeefster daardoor nog geen beroep kon doen op de proeftijd. Daarnaast stelt ze dat de werkgeefster heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door de arbeidsovereenkomst op te zeggen omdat de werkneemster had gevraagd om een voorschot. Werkgeefster had tijdens de ondertekening van de arbeidsovereenkomst namelijk zelf gezegd dat het altijd mogelijk was om een voorschot te vragen. Wanneer de werkneemster dan op dit aanbod ingaat en om een voorschot vraagt, wordt de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd, terwijl werkgeefster ook had kunnen volstaan met het weigeren van het voorschot. Door een beroep op de proeftijd te doen, heeft de werkgeefster het proeftijdbeding aangewend voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld, namelijk om de geschiktheid van de werknemer te beoordelen. Daarmee heeft de werkgeefster niet als een goed werkgever gehandeld en dient de opzegging te worden vernietigd.
Standpunt werkgeefster
De werkgeefster betwist dat er sprake zou zijn van een ongeldige opzegging. Ook voordat de arbeidsovereenkomst was ingegaan, kon ze de arbeidsovereenkomst opzeggen, omdat de proeftijd toen nog niet was verstreken. Verder betwist de werkgeefster dat zij zelf een aanbod had gedaan om een voorschot op het loon te vragen, daar is juist de werkneemster mee gekomen. Door de arbeidsovereenkomst in de proeftijd op te zeggen heeft de werkgeefster niet in strijd met goed werkgeverschap gehandeld.
Beoordeling rechter: proeftijd
Tijdens de proeftijd mogen beide partijen de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen zolang die tijd niet is verstreken. Deze woorden zijn destijds door de wetgever uitdrukkelijk in de wettekst opgenomen om aan te geven dat de opzeggingsbevoegdheid ook geldt ten aanzien van een nog niet daadwerkelijk aangevangen arbeidsovereenkomst.
Door op 27 oktober de arbeidsovereenkomst schriftelijk op te zeggen, is sprake van een rechtsgeldige opzegging tijdens de proeftijd. De tijd waarvoor de proeftijd was overeengekomen was namelijk nog niet verstreken. Dat de werkneemster geen reële kans heeft gekregen om te laten zien of zij geschikt is voor de bedongen arbeid doet daaraan niet af, omdat een werkgever voor opzegging tijdens (of voorafgaande aan) de proeftijd geen redelijke grond hoeft te hebben.
Beoordeling rechter: goed werkgeverschap
Het voorgaande betekent echter niet dat een proeftijdontslag altijd is toegestaan. Een rechtsgeldig gegeven proeftijdontslag kan in strijd zijn met goed werkgeverschap.
De werkgeefster heeft gemotiveerd betwist dat zij de werkneemster een aanbod heeft gedaan om een voorschot op het salaris te vragen. Wél heeft de werkgeefster bij het doornemen van de arbeidsovereenkomst erop gewezen dat zij van haar werknemers verwacht dat zij het aangeven als er sprake is van financiële nood. Dit om te voorkomen dat werknemers een greep uit de kassa doen. Op de zitting heeft de werkgeefster onbetwist gesteld dat zij nooit een voorschot op salaris heeft uitbetaald. Als er al om een voorschot wordt gevraagd, wordt gekeken of vanuit de reservering van het vakantiegeld een bedrag kan worden overgemaakt. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, is het aan de werkneemster om haar stelling dat de werkgeefster haar een aanbod had gedaan om een voorschot op het salaris te vragen, nader te onderbouwen. Daarin is ze niet geslaagd.
Verder heeft de werkneemster nog aangevoerd dat het proeftijdontslag buitenproportioneel is omdat de werkgeefster het voorschot ook had kunnen weigeren. Een ontslag was niet nodig. Daartegen heeft de werkgeefster aangevoerd dat de werkneemster al vlak na de ondertekening van de arbeidsovereenkomst gevraagd had om een voorschot van € 1.000 om de huur te kunnen betalen. Door al zo snel om een (gedeeltelijke) uitbetaling van het salaris te vragen, veronderstelde de werkgeefster dat de werkneemster kampte met financiële problemen. Omdat er in het bedrijf van de werkgeefster veel contant geld in omloop is en er regelmatig incidenten zijn waarbij geld wordt ontvreemd, achtte de werkgeefster het een te groot risico om de arbeidsovereenkomst in stand te laten. Gelet op de afweging van deze belangen kan niet gezegd worden dat de werkgeefster in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld.
Conclusie
De conclusie is dat de opzegging van 27 oktober rechtsgeldig is gedaan. Het verzoek van de werkneemster tot vernietiging van de opzegging en betaling van het salaris vanaf 1 november wordt afgewezen.