Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
De werkkostenregeling, waarmee werkgevers onbelast vergoedingen kunnen geven aan werknemers, wordt vereenvoudigd. Zo gaat de personeelskorting, waarmee werkgevers hun medewerkers maximaal € 500 per jaar belastingvrij aan eigen producten kunnen geven met een maximale korting van 20%, vervallen. Uit een evaluatie volgen nog elf andere aanbevelingen. Het kabinet heeft al aangekondigd welke aanbevelingen worden overwogen. Op Prinsjesdag wordt bekend wat het kabinet daarmee doet.
Aanbeveling 1: Afschaffen eerste schijf vrije ruimte
Een werkgever kan onder voorwaarden gebruikmaken van een generieke vrijstelling, de zogenoemde vrije ruimte, om daarmee een werknemer een onbelaste vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling te geven. Om hiervan gebruik te kunnen maken moet de werkgever de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling aanwijzen als eindheffingsloon. De werkgever is degene die de belasting verschuldigd is als en voor zover de vrije ruimte wordt overschreden. De hoogte van de vrije ruimte is afhankelijk van de totale fiscale loonsom van de werkgever. In 2026 bedraagt de vrije ruimte 2% over de eerste € 400.000, plus 1,18% over de resterende fiscale loonsom. De eindheffing bedraagt 80% over de eventuele overschrijding van de vrije ruimte.
De eerste schijf van de vrije ruimte binnen de WKR is bedoeld om met name mkb-ondernemingen tegemoet te komen. Sinds 2020 is het tweeschijvenstelsel ingevoerd, waardoor een hoger percentage vrije ruimte bij werkgevers met lage loonsommen terechtkomt. Het afschaffen van de eerste schijf is een complexiteitsreductie die het kabinet wil betrekken in de augustusbesluitvorming.
Aanbeveling 2: Afschaffen gerichte vrijstelling korting op branche-eigen producten
Het kabinet stelt voor deze gerichte vrijstelling af te schaffen per 1 januari 2027. Voor werkgevers die personeelskorting verstrekken en werknemers die momenteel korting ontvangen kan een aanpassing per 1 januari 2027 onverwacht ingrijpend zijn, ook omdat (collectieve) arbeidsvoorwaarden hierover eventueel moeten worden aangepast. Na afschaffing van deze gerichte vrijstelling kunnen werkgevers wel nog steeds belastingvrij korting geven op hun bedrijfseigen producten via de vrije ruimte. Het is dan niet langer nodig om de maximumbedragen bij te houden die nu gelden voor de gerichte vrijstelling en de werkgever hoeft het voordeel (voor de loonbelasting) niet meer op werknemersniveau te registreren. Dat zorgt voor een administratieve vereenvoudiging.
Aanbeveling 5: Afschaffen diensttijdvrijstelling (jubileumuitkering 25/40 jaar in dienst)
De huidige diensttijdvrijstelling (maximaal één onbelast maandloon bij 25 en 40 jaar in dienst) is als ondoelmatig beoordeeld, mede omdat het doel minder relevant is in de huidige arbeidsmarkt met aandacht voor wendbaarheid. Het structurele voordeel komt bij relatief welvarende werknemers terecht. Deze aanbeveling wordt gewogen in de augustusbesluitvorming. Veel cao’s kennen een uitkering bij een diensttijd van 12½, 25, 40 en 50 jaar, waarbij de uitkering bij 12½ en 50 jaar nu belast zijn, dan wel ten laste van de vrije ruimte komen. De aanbeveling dat dit dan ook zal gaan gelden voor de diensttijduitkering bij 25 en 40 jaar.
Aanbeveling 7: Inflatie-indexatie doelmatigheidsgrens (€ 2.400) gebruikelijkheidscriterium
De WKR kent een regel die als doel heeft om misbruik van het gebruiken van de vrije ruimte te voorkomen, het zogenoemde gebruikelijkheidscriterium. Dit criterium is algemeen geformuleerd en wordt als complex ervaren. De Belastingdienst hanteert een doelmatigheidsgrens van € 2.400 per jaar per werknemer. Onder dit bedrag wordt aangenomen dat vergoedingen gebruikelijk zijn. Deze doelmatigheidsgrens is sinds 2014 niet geïndexeerd. Voorgesteld is voor deze grens te indexeren omdat door het uitblijven van indexatie de doelmatigheidsgrens gaandeweg strenger is geworden. Het kabinet vindt algemene indexatie van de huidige doelmatigheidsgrens minder passend. Het kabinet ziet echter wel dat een doelmatigheidsgrens een eenvoudigere toets is dan het gebruikelijkheidscriterium zelf. Daarom wil het kabinet een doelmatigheidsgrens wettelijk vastleggen voor alle vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen die ten laste van de vrije ruimte komen, gecombineerd met jaarlijkse indexatie. Dit voorstel wordt nog nader uitgewerkt.
Aanbeveling 8: Samenloop thuiswerk- en reiskostenvergoeding toestaan
Momenteel is het niet mogelijk om voor dezelfde dag een gericht vrijgestelde thuiswerkkostenvergoeding en reiskostenvergoeding te geven als een werknemer op die dag zowel thuiswerkt als op diens vaste plaats van werkzaamheden. Aanbevolen is om samenloop wel toe te staan. Werkgevers hebben een regel minder waar rekening mee moet worden gehouden en hoeven niet langer te controleren of een werknemer toevallig beide vergoedingen onbelast op dezelfde dag ontvangt. Tegelijkertijd heeft de Belastingdienst bij het toestaan van deze samenloop minder contra-informatie om te controleren of een werknemer die dag thuis heeft gewerkt. Het kabinet onderzoekt daarbij opties die voorkomen dat het loslaten van het verbod op samenloop als effect heeft dat sommige werkgevers iedere werknemer die kan thuiswerken automatisch een thuiswerkkostenvergoeding geven met als voorwaarde dat deze werknemer belast loon inlevert. Zoals een verbod op uitruil. De effecten op de CO2-uitstoot en de bereikbaarheid van werklocaties (i.v.m. congestie) worden hierbij ook meegenomen. Besluitvorming hierover vindt plaats in augustus.
Aanbeveling 10: WKR zeer terughoudend inzetten voor aanvullende beleidsdoelstellingen
Uit de evaluatie volgt dat nieuwe gerichte vrijstellingen waarbij een bepaalde stimulans het beleidsdoel is, in de regel minder doeltreffend zijn. Dergelijke regelingen zorgen vooral voor complexiteit en ze zijn niet nodig, omdat de vrije ruimte hier voor kan worden ingezet. Het kabinet neemt deze aanbeveling expliciet over en roept de Tweede Kamer ook op terughoudend te zijn bij het toevoegen van beleidsdoelstellingen aan de WKR. Dit draagt bij aan blijvende vereenvoudiging en beperking van administratieve lasten voor ondernemers en de Belastingdienst.
Aanbeveling 11: Onderbouw eindheffingstarief en pas aan indien nodig
Aanbevolen wordt om een nieuwe cijfermatige onderbouwing te geven van het eindheffingstarief (nu 80% bij overschrijding van de vrije ruimte) en deze te actualiseren. Historisch is het tarief gerelateerd aan de marginale belastingdruk inclusief werkgeversheffingen. Een verhoging van het percentage naar de huidige gemiddelde marginale belastingdruk wordt nader onderzocht en opvolgend gewogen in de augustusbesluitvorming.
Aanbeveling 12: Verhoog bekendheid met de WKR
Ondanks bestaande informatievoorziening via de Belastingdienst, nieuwsbrieven en het Ondernemersplein blijkt de bekendheid met en het juiste gebruik van de WKR bij werkgevers nog voor verbetering vatbaar. Het kabinet neemt de aanbeveling over en zal met meer regelmaat aandacht besteden aan de WKR. Ook heeft het kabinet besloten geen horizonbepaling (einddatum) voor te stellen voor de gerichte vrijstelling voor scholing en studie, maar deze vrijstelling beter onder de aandacht te brengen.
De Belastingdienst heeft een handreiking opgesteld die specifiek is gericht op het onderwerp btw en vakantiewoning. Hieronder vindt u een overzicht van alle aandachtspunten, met een praktijkvoorbeeld om de regels te verduidelijken
Hebt u een vakantiewoning in Nederland en gaat u deze verhuren? Dan moet u over de huuropbrengsten 21% btw berekenen, tenzij u deelneemt aan de kleineondernemersregeling (KOR). U kunt btw terugvragen op kosten die u maakt voor de verhuur. Denk bijvoorbeeld aan de btw die mogelijk in rekening is gebracht op de factuur voor de aankoop van de woning of aan facturen die u ontvangt voor bijvoorbeeld de inrichting van de woning, het onderhoud of voor gas, water en elektriciteit.
Hierna gaan we alleen in op de btw die ziet op de aanschaf van een vakantiewoning die voor de btw 100% zakelijk is aangemerkt.
Aanmelden als ondernemer
Voor het afdragen en het terugvragen van btw hebt u een btw-nummer nodig. Daartoe meldt u zich aan bij de Belastingdienst met het formulier Opgaaf Startende Ondernemer (niet ingeschreven in het handelsregister). Voor de verhuur van een vakantiewoning hoeft u zich niet in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
Aankoop met of zonder btw?
De aanschaf van een vakantiewoning is niet in alle gevallen belast met btw. Als u de woning koopt van iemand die deze niet verhuurde en daardoor geen btw-ondernemer is, wordt geen btw in rekening gebracht.
Ook als de verkoper wel btw-ondernemer is, kan het zijn dat er geen btw in rekening wordt gebracht. De verkoop van een onroerende zaak is in principe namelijk vrijgesteld van btw. Dat is anders als het gaat om een nieuwe onroerende zaak, dit wil zeggen een onroerende zaak die nog niet in gebruik is genomen of die minder dan 2 jaar geleden in gebruik is genomen. Als een nieuwe onroerende zaak wordt verkocht, is de verkoop belast met btw.
Er is 1 uitzondering: als de levering in principe is vrijgesteld van btw, omdat het geen nieuwe woning is, kunnen de koper en de verkoper er samen voor kiezen om de levering toch te belasten met btw. In dat geval moeten ze wel voldoen aan de voorwaarden, de btw wordt dan verlegd naar de koper. Dit kan bijvoorbeeld als voordeel hebben dat de verkoper in het verleden afgetrokken btw niet hoeft terug te betalen.
Het kan ook voorkomen dat de vakantiewoning niet als onroerend maar als roerend wordt aangemerkt. In dat geval is de verkoop door een btw-ondernemer altijd belast met btw. Vakantiewoningen worden voor de omzetbelasting overigens vaak als onroerende zaak beschouwd.
Als u een vakantiewoning gaan kopen om die te verhuren, is het belangrijk om vast te stellen of de verkoop belast is met btw of niet. Btw die u bij de aanschaf betaalt, kunt u immers (gedeeltelijk) terugvragen als wordt voldaan aan de algemene voorwaarden.
Btw terugvragen over de aanschaf
Als u btw hebt betaald over de aanschaf van de vakantiewoning, is het belangrijk om te bepalen of en zo ja hoeveel btw u kunt terugvragen. Hierbij zijn 3 zaken van belang:
Roerende zaak
Als sprake is van een roerende zaak en u verhuurt de woning belast met btw, dan kunt u alle btw die drukt op de aanschaf van de woning in aftrek brengen. Het maakt daarbij niet uit of u de woning ook privé gebruikt. In het jaar van ingebruikname en de 4 daaropvolgende jaren moet u bekijken of een correctie moet worden aangebracht voor privégebruik.
Onroerende zaak
Als sprake is van een onroerende zaak en u verhuurt de woning belast met btw, dan kunt u alleen alle btw aftrekken als geen sprake is van privégebruik. Gaat u de woning ook gebruiken voor privédoeleinden, dan wordt het aftrekrecht meteen beperkt. Is het gebruik van de woning bijvoorbeeld 20% privé en 80% zakelijk, dan kunt u maximaal 80% van de btw aftrekken. Als er sprake is van privégebruik, kunt u dus niet alle btw aftrekken.
Voor een onroerende zaak geldt dat in het jaar van ingebruikname en de daaropvolgende 9 jaren moet worden gekeken of het oorspronkelijk ingeschatte privégebruik overeenstemt met het werkelijke privégebruik. Als het privégebruik in de jaren 2 tot en met 9 afwijkt van het werkelijk privégebruik in jaar 1 (het jaar van aanschaf), moet u dit corrigeren. Voor deze correctie geldt een drempel van 10%, zie onderstaand voorbeeld. Dit kan leiden tot een extra teruggaaf bij minder privégebruik, of tot een gedeeltelijke terugbetaling van de afgetrokken btw bij meer privégebruik.
Hoe werkt het in de praktijk?
In het volgende voorbeeld gaat het om een onroerende vakantiewoning.
Bij aanschaf van de woning wordt verwacht dat u de woning voor 90% zakelijk gebruikt. Er kan in het 1e kwartaal 2026 90% van € 31.500 = € 28.350 aan btw worden afgetrokken. Een onroerend investeringsgoed wordt in het jaar van ingebruikname plus de 9 jaren daaropvolgend gevolgd.
Aan het eind van 2026 blijkt dat de woning 20% privé is gebruikt en 80% zakelijk. In de laatste aangifte van 2026 moet u dan € 3.150 aangeven als te betalen btw. Het recht op aftrek over 2026 is 80% van € 31.500 = € 25.200. Omdat oorspronkelijk € 28.350 is teruggevraagd, moet u het verschil terugbetalen.
Van de btw die u bij aankoop heeft betaald (€ 31.500) rekent u 10% toe aan elk van de 9 jaren na het jaar van ingebruikname. Dat is € 3.150 per jaar. Ook van de btw die u in het jaar van ingebruikname per saldo hebt teruggevraagd (€ 25.200), rekent u 1/10 deel toe aan elk van deze 9 jaren. Dat is € 2.520 per jaar.
Hoe werkt de herziening tijdens de 9 jaren na het jaar van ingebruikname?
In de jaren 2027 tot en met 2035 moet u steeds aan het eind van het jaar vaststellen hoeveel u de woning in dat kalenderjaar privé heeft gebruikt. Dit heet de herzieningsperiode.
Er zijn 3 mogelijkheden:
En na de herzieningsperiode?
Als de herzieningsperiode voorbij is heeft u geen correctie voor privégebruik meer.
U mag de btw alleen herzien als het bedrag dat u extra mag terugvragen of moet bijbetalen, méér is dan 10% van het afgetrokken btw-bedrag dat aan dat jaar is toegerekend. In het voorbeeld wordt aan elk kalenderjaar € 2.520 toegerekend. U herziet de btw dus alleen als het herzieningsbedrag hoger is dan € 252.
Voor de jaren 2027 tot en met 2035 uit het voorbeeld betekent dit:
Tip: Zoals u hebt gelezen, is de btw-situatie rond de verhuur van een vakantiehuis behoorlijk gecompliceerd. Uiteraard zijn we u graag van dienst bij een correcte verwerking van alle btw-aspecten.
Werknemers met een flexibel arbeidscontract krijgen meer zekerheid over hun inkomen en hun werktijd. De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel dat dit regelt aangenomen. Er komen strengere regels om draaideurconstructies met tijdelijke contracten te voorkomen. En oproepcontracten worden vervangen door contracten met een minimumaantal uren dat ze standaard worden betaald en ingeroosterd. Als ook de Eerste Kamer instemt kan het wetsvoorstel per 1 januari 2028 in werking treden.
Draaideurconstructies
Met deze nieuwe wet wordt het uitgangspunt dat tijdelijke contracten alleen bedoeld zijn voor tijdelijk werk. Na een tijdelijk contract moeten werknemers sneller een vast dienstverband krijgen en mogen zij niet meer na zes maanden opnieuw een tijdelijk contract krijgen.
Oproepcontracten
In plaats van de nulurencontracten komt er een bandbreedtecontract. Daarin wordt er een minimum- en een maximumaantal uren afgesproken, waarbij het verschil maximaal 130% is. Dit betekent dat bij een minimum van 10 uur het maximum 13 uur is. Oproepen die boven het maximum zitten mogen door de werknemer geweigerd worden. En als er structureel meer wordt gewerkt moet er een contract worden aangeboden met een hoger aantal uren.
Uitzendkrachten
Mensen die werken via een uitzendbureau moeten minimaal gelijkwaardige arbeidvoorwaarden krijgen als mensen die regulier in dienst zijn. Dit volgde voor beloning al uit een uitspraak van het Europees Hof van Justitie, en wordt nu voor alle arbeidsvoorwaarden vastgelegd in de Nederlandse wet. Ook worden de fases van uitzendwerk waarin je elke dag kan worden ontslagen of niet weet hoeveel uren je kan werken verkort van anderhalf jaar naar 1 jaar. Op die manier zorgt het wetsvoorstel voor meer zekerheid voor uitzendkrachten.
Aanpassingen door de Tweede Kamer
De Tweede Kamer heeft enkele aanpassingen gemaakt in de wet. Zo mag er na drie tijdelijke contracten drie jaar lang geen tijdelijk contract meer worden afgesloten. In het eerdere wetsvoorstel was dit nog vijf jaar. Ook mogen AOW-gerechtigden straks nog wel op een oproepcontract werken. De wet kende deze uitzondering al voor jongeren, scholieren en studenten met bijbanen. En tot slot krijgt de minister de mogelijkheid om in te grijpen als er sprake van structurele onderbetaling in de uitzendsector.
Arbeidsmarktpakket
Samen met enkele andere wetsvoorstellen vormt dit voorstel een hervorming van de Nederlandse arbeidsmarkt die moet zorgen voor meer zekerheid voor werknemers en meer wendbaarheid voor ondernemers. Het is het eerste grote wetsvoorstel van het arbeidsmarktpakket dat is aangenomen. Deze wetsvoorstellen vloeien voort uit afspraken die het kabinet in 2023 heeft gemaakt met vakbonden en werkgevers en zijn gebaseerd op het rapport van de commissie Borstlap uit 2020 en het SER-advies uit 2021.
In box 3 dienen vorderingen en schulden voor de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen. Bij een onder zakelijke voorwaarden overeengekomen vordering of schuld is dit gewoonlijk de nominale waarde. Maar wat als dat niet zo is? En hoe stelt u dat vast? Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst enkele vragen beantwoord.
Vraag 1: Schuld met vaste looptijd en afwijkende rente
Voor welke waarde moet een schuld met een vaste looptijd (zonder boetevrije vervroegde aflossingsmogelijkheid) in aanmerking worden genomen in box 3 wanneer de contractrente afwijkt van (lees: hoger of lager ligt dan) de marktrente op de peildatum?
Antwoord 1
Een schuld dient tegen de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen. De waarde in het economische verkeer van een schuld is normaal gesproken, op het moment dat deze onder zakelijke condities wordt overeengekomen, gelijk aan de nominale waarde van de schuld. Wanneer echter een rentevaste periode wordt overeengekomen en de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente, dan wordt de waarde in het economische verkeer van de schuld geacht gelijk te zijn aan de contante waarde (ook wel: de actuele waarde) van de schuld.
Vraag 2: Niet direct opeisbare vordering met afwijkende contractrente
Voor welke waarde moet een niet direct opeisbare vordering in aanmerking worden genomen in box 3 wanneer de contractrente afwijkt van (lees: hoger of lager ligt dan) de marktrente op de peildatum?
Antwoord 2
Een vordering dient tegen de waarde in het economische verkeer in aanmerking te worden genomen. De waarde in het economische verkeer van een vordering is normaal gesproken, op het moment dat deze onder zakelijke condities wordt overeengekomen, gelijk aan de nominale waarde van de vordering. Wanneer echter een rentevaste periode wordt overeengekomen en de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente, dan wordt de waarde in het economische verkeer van de vordering geacht gelijk te zijn aan de contante waarde (ook wel: de actuele waarde) van de vordering.
Vraag 3: Invloed niet-verhandelbaarheid
Heeft de niet-verhandelbaarheid van een vordering of schuld invloed op de waarde in het economische verkeer?
Antwoord 3
Nee, in beginsel wordt de waarde in het economische verkeer van vorderingen en schulden niet beïnvloed door de niet-verhandelbaarheid ervan.
Praktische oplossing: waardering op nominale waarde
Het berekenen van de waarde in het economische verkeer van een geldvordering of -schuld waarbij een rentevaste periode is overeengekomen en waarvan de contractrente op enig moment gedurende de looptijd afwijkt van de marktrente van een lening met vergelijkbare voorwaarden, is administratief bewerkelijk en doet een groot beroep op belastingplichtigen. Daarnaast is het staande uitvoeringspraktijk dat onder meer door banken het boeksaldo van een geldlening of vordering als waarde in het economische verkeer wordt gerenseigneerd.
Uit praktische overwegingen en gelet op deze uitvoeringspraktijk mag een belastingplichtige bij het bepalen van de waarde in het economische verkeer van een geldvordering of -schuld (niet zijnde een effect als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht) uitgaan van de nominale waarde.
Hierbij moet wel sprake zijn van een bestendige gedragslijn, zodat consistent wordt gekozen voor de nominale waarde en niet slechts om een fiscaal voordeel te behalen. Dit betekent dat de nominale waarde zowel wordt gebruikt ter berekening van het forfaitaire rendement als voor het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling box 3. Ook houdt dit in dat voor de berekening van het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling box 3 de nominale waarde wordt gebruikt aan het begin en einde van het kalenderjaar en voor eventuele stortingen en onttrekkingen als gevolg van verkrijging of vervreemding van een geldvordering of -schuld. Deze uitwerking geldt tot aan de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3, aangezien hierin specifieke regels zijn opgenomen met betrekking tot de waardering van geldvorderingen en -schulden tussen natuurlijke personen.
Het kabinet verhoogt de onbelaste vergoeding van € 0,23 per kilometer met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 naar € 0,25 per kilometer. Dat is onderdeel van het Belastingplan 2027 dat op Prinsjesdag bekend wordt gemaakt. Hierop vooruitlopend heeft de staatssecretaris van Financiën de verhoging van de gerichte vrijstelling alvast goedgekeurd in een beleidsbesluit. Daardoor kunt u nu al € 0,25 per kilometer onbelast vergoeden. Maar hoe?
Verhoging vergoeding met terugwerkende kracht
U kunt de verhoging van € 0,02 per kilometer met terugwerkende kracht vergoeden aan de werknemers. Hieronder leest u hoe u dat verwerkt in de loonadministratie en de aangifte loonheffingen.
U vergoedde € 0,23 of minder per kilometer
Hebt u sinds 1 januari 2026 € 0,23 per kilometer vergoed aan de werknemer? Dan mag u de verhoging van € 0,02 per kilometer alsnog onbelast vergoeden (gericht vrijgesteld) bij een volgende loonbetaling. Dat geldt ook als u minder dan € 0,23 per kilometer vergoedde.
U vergoedde meer dan € 0,23 per kilometer en merkte het bedrag boven € 0,23 per kilometer aan als belast loon
Hebt u sinds 1 januari 2026 meer dan € 0,23 per kilometer vergoed aan de werknemer? En hebt u het bedrag boven € 0,23 aangemerkt als belast loon? Dan mag u voor elk aangiftetijdvak het loon en de ingehouden loonheffingen verlagen met € 0,02 per kilometer. Dat doet u door de aangiften over die tijdvakken te corrigeren.
U vergoedde meer dan € 0,23 per kilometer en betaalde al eindheffing over het belaste bedrag
Hebt u sinds 1 januari 2026 meer dan € 0,23 per kilometer vergoed aan de werknemer? En hebt u in 1 of meer tijdvakken het belaste deel van de vergoeding aangewezen als eindheffingsloon? En hebt u daarover al 80% eindheffing betaald? Dan mag u de eindheffing die u betaalde over die € 0,02 per kilometer, verrekenen in een volgende aangifte loonheffingen.
U maakt gebruik van de salderingsregeling
Gebruikt u de zogenoemde salderingsregeling? Dan gaat u met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2026 uit van € 0,25 per kilometer.
Reiskostenvergoeding via de cafetariaregeling
Hebt u met de werknemer afgesproken dat de werknemer belast loon inlevert, in ruil voor de onbelaste kilometervergoeding of de verhoging daarvan? Dan mag u volgens het beleidsbesluit ook de eerdere aangiften loonheffingen corrigeren.
Hebt u werknemers in dienst met studerende kinderen? Dan kunt u de studiekosten van de kinderen vergoeden. Dit kan op verschillende manieren. De Belastingdienst een praktische handreiking gepubliceerd over de mogelijkheden.
U kunt de studiekosten op 4 manieren vergoeden:
1. Vergoeding aan de werknemer
Als u de vergoeding aan de werknemer betaalt, is dit een voordeel voor de werknemer. Als u dit niet aanwijst als eindheffingsloon, is dit belast loon. Op dit loon moet u op de gebruikelijke manier loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) inhouden. U betaalt over de vergoeding ook premie Zorgverzekeringswet (Zvw) en premies werknemersverzekeringen.
2. Eindheffingsloon werknemer
U mag de studietoelage die de werknemer ontvangt ook aanwijzen als eindheffingsloon. U moet wel voldoen aan de gebruikelijkheidstoets. Voor deze vergoeding geldt geen gerichte vrijstelling, dus dit komt ten laste van de vrije ruimte. Als u geen vrije ruimte meer hebt, betaalt u 80% eindheffing.
3. Vergoeding aan het kind
Heeft het kind een zelfstandig recht op de studietoelage en betaalt u de toelage rechtstreeks aan het studerend kind? Dan is dit voor het kind loon uit een bestaande dienstbetrekking van een ander. U houdt op de gebruikelijke manier LB/PVV in. De toelage is loon uit vroegere dienstbetrekking omdat er geen arbeid tegenover staat. Het kind is niet verzekerd voor de werknemersverzekeringen.
4. Studiefonds
Als u een studietoelage voor het kind van de werknemer betaalt uit een studiefonds, is dit geen belast loon als het fonds voldoet aan de volgende voorwaarden:
De brandstofprijzen zijn gestegen door de oorlog in het Midden-Oosten. Het kabinet heeft besloten vanaf 1 juli 2026 de motorrijtuigenbelasting (mrb) tijdelijk te verlagen. Deze maatregel geldt alleen voor bestelauto's met het ondernemerstarief en voor vrachtauto's.
Bestelauto's met het ondernemerstarief
Betaalt u het ondernemerstarief voor uw bestelauto('s)? Dan betaalt u vanaf 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 de helft aan mrb voor uw bestelauto('s). Dit aangepaste tarief staat vanaf 1 juli 2026 in het hulpmiddel Motorrijtuigenbelasting berekenen.
Vrachtauto's vanaf 12.000 kilo tijdelijk geen mrb
Voor vrachtauto's met een toegestane maximale massa van 12.000 kilo of meer betaalt u € 0 (nihiltarief). Deze maatregel geldt van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027.
Voor vrachtauto's met een toegestane maximum massa lager dan 12.000 kilo geldt vanaf 1 juli 2026 sowieso het nihiltarief.
Vanaf wanneer geldt de tijdelijke verlaging?
U betaalt de mrb altijd over een tijdvak van 3 maanden. De tijdelijke verlaging geldt vanaf het 1e tijdvak dat op of na 1 juli 2026 begint.
Voorbeeld:
Stel, uw tijdvak loopt van 25 juni 2026 tot en met 24 september 2026. Over die periode geldt nog het normale tarief mrb. Vanaf 25 september 2026 betaalt u tijdelijk het lagere tarief of het nihiltarief. Want dan begint voor u het 1e tijdvak na 1 juli 2026. Ook voor het daaropvolgende tijdvak (van 25 december 2026 tot en met 24 maart 2027) betaalt u het lagere tarief of het nihiltarief.
Als een werknemer na einde dienstbetrekking nog in een auto van de zaak rijdt, is geen sprake meer van zakelijk gebruik. Dit is ook het geval bij arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking. In deze handreiking van de belastingdienst leest u wat in dit soort situaties de gevolgen zijn voor de bijtelling privégebruik auto.
In de volgende situaties gebruikt een werknemer de auto van de zaak niet zakelijk:
Heeft de werknemer in deze situaties de auto van de zaak ter beschikking en rijdt hij meer dan 500 kilometer privé? Dan moet u de waarde van het privégebruik bij het loon tellen. U doet dit op basis van de bijtellingspercentages (bijtellingsregeling). Dit geldt ook als de werknemer de auto alleen nog voor privédoeleinden gebruikt.
Loon uit tegenwoordige dienstbetrekking
Bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid en loopbaanonderbreking is sprake van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. De bijtellingsregeling blijft ook gelden als de werknemer door ziekte niet in de auto kan rijden. De werknemer heeft de auto dan nog steeds tot zijn beschikking. Het bedrag van de bijtelling is loon voor de premies werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet.
Loon uit vroegere dienstbetrekking
Mag de werknemer een auto privé blijven gebruiken na einde dienstbetrekking of bij permanente arbeidsongeschiktheid? Dan is het bedrag van de bijtelling loon uit vroegere dienstbetrekking. Het bedrag van de bijtelling is loon voor de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. U bent geen premies werknemersverzekeringen verschuldigd.
Excessief privégebruik
Als de werkelijke waarde van het privégebruik duidelijk meer is dan de bijtelling op basis van het algemene bijtellingspercentage, is sprake van excessief privégebruik van de auto. U moet dan uitgaan van de hogere waarde van het privégebruik.
Geen eindheffingsloon
De bijtelling is altijd loon van de werknemer. U kunt dit loon dus niet aanwijzen als eindheffingsloon. Er is één uitzondering: het deel van de bijtelling voor buitengewone beveiligingsmaatregelen kunt u wel aanwijzen als eindheffingsloon.
Auto vóór aanvang dienstbetrekking
Krijgt een werknemer een auto ter beschikking voordat hij in dienst treedt? Dan is dit een voordeel dat voortvloeit uit de (toekomstige) dienstbetrekking. Het is loon in natura in de vorm van een bijtelling privégebruik auto. U verwerkt de bijtelling in de aangifte loonheffingen over het tijdvak waarin de auto ter beschikking is gesteld. U betaalt dan geen loon in geld maar u moet wel loonheffingen afdragen. Het bedrag dat u moet inhouden, kunt u verhalen op de werknemer. U kunt er ook voor kiezen om het bedrag te bruteren.
Privégebruik auto en weinig of geen loon in geld
Als u de werknemer weinig of geen loon in geld betaalt, moet u over de bijtelling privégebruik auto toch alle loonheffingen betalen. U kunt kiezen of u dit wel of niet verhaalt op de werknemer.
Verhalen op de werknemer
U mag de loonbelasting/premie volksverzekeringen (LB/PVV) en de in te houden bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) verhalen op de werknemer. Dit geldt niet voor de premies werknemersverzekeringen en de werkgeversheffing Zvw. Als de werknemer nog loon ontvangt, kunt u dit doen via verrekening in het eerstvolgende loontijdvak.
Niet verhalen op de werknemer
Als u de LB/PVV en bijdrage Zvw niet verhaalt op de werknemer, kunnen zich 2 situaties voordoen:
Op 1 januari 2031 verliest een grote groep huiseigenaren het recht op hypotheekrenteaftrek. De benodigde gegevens om deze termijn te toetsen zijn echter onvoldoende beschikbaar bij burgers en de Belastingdienst. De regeling vraagt dus te veel van burgers en is voor de Belastingdienst niet goed handhaafbaar. Een ambtelijk rapport concludeert dat snelle beleidskeuzes nodig zijn.
De in 2001 ingevoerde termijn voor hypotheekrenteaftrek beperkt de aftrek van hypotheekrente tot maximaal 30 jaar. De bedoeling van de 30-jaarstermijn is om onbeperkte hypotheekrenteaftrek in box 1 te voorkomen, aflossing te stimuleren en om de belastingderving te beperken. Per 2031 verliest een grote groep huiseigenaren het recht op hypotheekrenteaftrek. De benodigde gegevens om deze termijn te toetsen zijn onvoldoende beschikbaar bij burgers en de Belastingdienst. Factoren zoals verhuizingen, scheidingen en oversluiten vergroten die complexiteit en zorgen voor onzekerheid en fouten. Oplossingsrichtingen variëren van volledige afschaffing van de hypotheekrenteaftrek voor oude hypotheken per 2031 tot verlenging of geleidelijke afbouw. De opties balanceren tussen eenvoud, uitvoerbaarheid en budgettaire effecten, tegen de achtergrond van een groot handhavingsprobleem. Het gaat namelijk om circa 2,7 miljoen hypotheken en de controle zal in de praktijk beperkt en steekproefsgewijs zijn omdat de Belastingdienst over onvoldoende gegevens beschikt.
Om welke hypotheken gaat het?
Op 1 januari 2031 loopt de 30-jaarstermijn af voor de eerste, grote groep belastingplichtigen die een hypotheek hebben van voor 2001. De problematiek van de 30-jaarstermijn spitst zich met name toe op eigenwoningleningen (hierna ook: hypotheken) afgesloten vóór 2013. Deze hypotheken vallen onder het overgangsrecht, de zogenaamde ‘bestaande eigenwoningschulden’ (BEWS). Dit zijn met name aflossingsvrije hypotheken. Voor belastingplichtigen met een BEWS is vaak niet duidelijk of zij al 30 jaar gebruikgemaakt hebben van hypotheekrenteaftrek (hierna ook: HRA). Ook spaar-, beleggings-, of levenshypotheken (hierna ook: SEW/BEW/KEW) vallen onder het overgangsrecht. Voor deze hypotheken is aflossing van (een deel van) de hypotheek binnen 30 jaar gewaarborgd.
Voor leningen die vanaf 2013 zijn afgesloten is de 30-jaarstermijn een minder groot probleem. Sinds 2013 bestaat alleen recht op HRA voor leningen die in maximaal 360 maanden worden afgelost. Wel geldt dat – indien van toepassing - rekening moet worden gehouden met de verstreken looptijd van een BEWS. Voor belastingplichtigen die ook een lening hadden afgesloten vóór 2013, tellen dus de reeds verstreken jaren van die oorspronkelijke 30-jaarstermijn mee voor de maximale periode waarop recht op HRA bestaat voor de ‘nieuwe’ lening. In zo’n situatie stopt het recht op HRA dus voordat de periode van 360 maanden is verstreken en dus voordat de lening volledig is afgelost.
Knelpunten rondom de 30-jaarstermijn
De Belastingdienst beschikt niet over voldoende historische gegevens om het recht op HRA goed te controleren en belastingplichtigen te informeren. Voor het controleren van de 30-jaarstermijn is uitgebreide historische informatie vereist die meestal ontbreekt. Door wettelijke bewaartermijnen is bepaalde data niet meer voorhanden, vooral van leningen van vóór 2013. Ook informatie van derden, bijvoorbeeld het Kadaster, is onvoldoende om de 30-jaarstermijn goed te kunnen handhaven. Complexe situaties, zoals wisselende eigendomsverhoudingen, partnerschappen en life events, vergroten het probleem. Dit leidt tot onzekerheid over de status van het recht op HRA en fouten in aanslagen, waardoor mogelijk ten onrechte HRA geclaimd wordt.
De 30-jaarstermijn kan voor belastingplichtigen zeer complex zijn, met name door life events. Bij life events kan gedacht worden aan samenwonen, echtscheiding, verhuizen of verbouwen. Er is vaak onvoldoende inzicht in hoeveel jaren van de 30-jaarstermijn zijn verstreken. Dit geldt nog sterker voor leningdelen met verschillende startdata. Belastingplichtigen moeten vanaf 2031 aannemelijk maken dat zij nog binnen de 30-jaarstermijn vallen. In veel gevallen kunnen zij dit echter niet. Als de Belastingdienst gegevens opvraagt zal veelal de belastingplichtige, hypotheekadviseur of bank niet meer beschikken over alle historische informatie die nodig is om te bepalen of er nog recht bestaat op HRA. De regeling is daarmee voor burgers zodanig ondoenlijk en complex, dat deze in de praktijk nagenoeg niet handhaafbaar is. Omdat de bewijslast bij belastingplichtigen ligt kan in die gevallen het recht op HRA (deels) vervallen voordat de 30-jaarstermijn verstreken is. Ook is het mogelijk dat belastingplichtigen ten onrechte wel HRA claimen en toegekend krijgen, terwijl de 30-jaarstermijn (deels) is verstreken. Ten slotte zal de ene belastingplichtige zekerheidshalve geen HRA claimen, terwijl de ander dat juist wel zal doen. Dit raakt aan de belastingmoraal.
Oplossingsrichtingen
Een uiterste maatregel om de uitvoeringsproblematiek voor alle typen schulden weg te nemen is het volledig afschaffen van de HRA, maar deze optie valt buiten de reikwijdte van het onderzoek.
De volgende oplossingsrichtingen zijn uitgewerkt:
Aftrek in box 3
In de huidige situatie blijft bij beperkingen van HRA in box 1 aftrek in box 3 mogelijk. Als de wens is om – in lijn met de oorspronkelijke doelstelling van de 30-jaarstermijn - de aftrekbaarheid van rente te beperken tot 30 jaar en de budgettaire derving te beperken zijn aanvullende maatregelen nodig. In de praktijk betekent de mogelijkheid om rente af te trekken in box 3 dat enkel huishoudens met voldoende vermogen (in box 3) na 30 jaar nog voor onbepaalde tijd renteaftrek kunnen blijven genieten. Nader onderzoek zal uit moeten wijzen of een eventuele beperking van renteaftrek in box 3 juridisch houdbaar is.
Conclusie
Het is voor belastingplichtigen in veel gevallen onmogelijk om de 30-jaarstermijn te doorgronden en alle benodigde informatie hiervoor paraat te hebben. Dit maakt de regeling complex en ondoenlijk voor burgers. De Belastingdienst kan belastingplichtigen door het gebrek aan contra-informatie ook geen uitsluitsel geven over de resterende periode van de 30-jaarstermijn. Dat zorgt nu al voor problemen, waar financieel dienstverleners, en daarmee ook burgers, als eerste tegenaan lopen. Besluitvorming over hoe om te gaan met de 30-jaarsproblematiek is daarom noodzakelijk.
Consumpties die werknemers op de werkplek gebruiken mag u op nihil waarderen. Maar wat valt allemaal onder consumpties? En wat houdt het begrip werkplek in? Valt de thuiswerkplek hier ook onder? Hierover heeft de Belastingdienst in een handreiking praktische standpunten gepubliceerd.
Onder consumpties vallen: koffie, thee, gebak, een stuk fruit en andere tussendoortjes van weinig waarde. Consumpties tijdens een receptie of personeelsfeest op de werkplek mag u ook op nihil waarderen.
Vormen de consumpties samen met andere consumpties een maaltijd? Dan is de regeling voor maaltijden van toepassing.
Consumptie verstrekken
Alleen voor consumpties die een werkgever verstrekt op de werkplek, geldt een nihilwaardering.
Consumptie vergoeden
Een vergoeding voor consumpties op de werkplek is loon voor de werknemer. U kunt deze vergoeding ook als eindheffingsloon aanwijzen. Deze komt dan ten laste van de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Werkplek
Er is sprake van een werkplek als aan 2 voorwaarden is voldaan:
Werkruimte thuis
De werkruimte thuis is alleen een werkplek als werkgever en werknemer voldoen aan de volgende voorwaarden:
Alleen als aan bovenstaande 3 voorwaarden is voldaan, geldt de nihilwaardering ook voor de consumpties op de thuiswerkwerkplek.
Voorbeeld 1
Een werknemer werkt alleen op kantoor. Hij ontvangt een vergoeding van € 10 per maand om koffie en thee te kopen. Geldt hiervoor de nihilwaardering voor consumpties op de werkplek?
Nee. Alleen consumpties die een werkgever verstrekt op de werkplek, vallen onder de nihilwaardering.
Voorbeeld 2
Een werknemer koopt gebak voor een jubileumviering op de werkplek. De werknemer declareert deze kosten bij de werkgever. Wat zijn de gevolgen voor de werkkostenregeling?
Als de werknemer het gebak in opdracht van de werkgever koopt, dan valt de vergoeding van het gebak onder intermediaire kosten. De vergoeding is dan geen loon voor de werknemer.
Koopt de werknemer het gebak op eigen initiatief, dan is de vergoeding voor het gebak wel loon. De nihilwaardering voor consumpties op de werkplek geldt niet voor vergoedingen. De werkgever kan deze vergoeding ook als eindheffingsloon aanwijzen. Deze komt dan ten laste van de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Voorbeeld 3
De werknemers krijgen een borrelpakket met hapjes en drankjes thuisgestuurd. De werkruimte thuis voldoet niet aan het begrip werkplek. Wat zijn de gevolgen voor de werkkostenregeling?
De nihilwaardering voor consumpties geldt niet omdat er geen sprake is van een werkplek. Het borrelpakket is loon voor de werknemers. Als de werkgever het borrelpakket aanwijst als eindheffingsloon, valt het onder de vrije ruimte. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Een eenmanszaak wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 omgezet in een besloten vennootschap (hierna: BV). De oprichtingsakte van de BV is uiterlijk 31 maart 2026 bij de notaris gepasseerd. Is dan ook gedurende de voorperiode (de periode vóór oprichting van de BV) de gebruikelijkloonregeling (een jaarloon van € 58.000 in 2026) van toepassing? Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt in genomen.
Antwoord
Nee, gedurende de voorperiode van een bv is de gebruikelijkloonregeling niet van toepassing. Deze is pas van toepassing na de daadwerkelijke notariële oprichting van de bv.
De wet bepaalt dat de gebruikelijkloonregeling van toepassing is voor een werknemer die arbeid verricht ten behoeve van een BV waarin hij of zijn partner een aanmerkelijk belang heeft. Voor toepassing van de gebruikelijkloonregeling dient dus sprake te zijn van een werknemer. In de voorperiode bestaat de BV juridisch nog niet. Daarom kan er geen sprake zijn van een (fictieve) dienstbetrekking.
Bij de inwerkingtreding van de gebruikelijkloonregeling heeft de wetgever bovendien bevestigd dat het fictieve salaris niet van toepassing is in de periode dat de BV nog in oprichting is. De toekomstige aandeelhouder geniet in die periode eventueel wel andere inkomsten uit arbeid.
Let op: De oprichter wordt in de voorperiode van de BV wel aangemerkt als aanmerkelijkbelanghouder. Dit standpunt van de staatssecretaris van Financiën heeft echter uitsluitend betrekking op situaties waarin sprake is van een terbeschikkingstelling van vermogensbestanddelen aan de BV, niet voor de gebruikelijkloonregeling.
Stelt u als werkgever een ander vervoermiddel dan een auto of fiets ter beschikking en gebruikt de werknemer dit vervoermiddel privé? Dan telt u de waarde in het economisch verkeer van het privégebruik bij het loon van de werknemer. Hoe berekent u die waarde voor bijvoorbeeld een motor, bromfiets of scooter?
Om het aantal privékilometers vast te stellen kunt u gebruikmaken van een rittenregistratie. De waarde in het economisch verkeer is het aantal privékilometers vermenigvuldigd met de werkelijke kilometerprijs. Dit telt u bij het loon voor de werknemer, maar u mag dit ook aanwijzen als eindheffingsloon als dit gebruikelijk is. Dit bedrag komt ten laste van de vrije ruimte.
Werkelijke kilometerprijs
De kilometerprijs bestaat uit de volgende kosten:
Eigen bijdrage
De eigen bijdrage voor het privégebruik houdt u in op het nettoloon. Voorwaarden zijn dat de bijdrage bestemd is voor het privégebruik en u dat vooraf met de werknemer hebt afgesproken. De eigen bijdrage komt in mindering op de bijtelling. Deze aftrek mag niet hoger zijn dan de te belasten waarde.
Voorbeeld
U stelt een werknemer een scooter ter beschikking. De werknemer rijdt met de scooter 10.000 kilometer per jaar. De totale kosten zijn € 2.500 per kalenderjaar. De werkelijke kilometerprijs is € 0,25 (€ 2.500 : 10.000). Uit de rittenregistratie blijkt dat de werknemer in een maand 300 kilometer privé heeft gereden met de scooter. De waarde van dit privégebruik is € 75 (300 x € 0,25). De eigen bijdrage van de werknemer is € 25. U telt € 50 bij het loon van de werknemer.
Woon-werkverkeer
De kilometers voor woon-werkverkeer zijn geen privékilometers. Onder woon-werkverkeer vallen ook de kilometers die de werknemer in de loop van een werkdag rijdt tussen de plek van het werk en de woning, bijvoorbeeld om thuis te lunchen.
De kilometers die de werknemer om privéredenen omrijdt naar of van het werk zijn wel privé. Bijvoorbeeld extra kilometers om een kind naar de crèche te brengen of om boodschappen te doen.
Vervoer vanwege de werkgever
Als de werknemer reist met een vervoermiddel dat u ter beschikking stelt, is sprake van vervoer vanwege de werkgever. Geeft u hiervoor een kilometervergoeding dan is dat loon van de werknemer. Als dit gebruikelijk is, mag u dit ook aanwijzen als eindheffingsloon. Dit bedrag komt ten laste van de vrije ruimte. Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt u 80% eindheffing.
Tip: Uiteraard adviseren we u graag bij het berekenen en verwerken van de bijtelling voor privégebruik van de motor, bromfiets of scooter van de zaak.
Niet-bezwaarmakers hebben geen recht op teruggave van box 3-heffing over de jaren 2017-2020 naar aanleiding van het zogenoemde Kerstarrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. Zo luidt het advies van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad, die hierover uitspraak zal gaan doen. Wat is er aan de hand?
Status van een advies van de advocaat-generaal
Het gaat om een onafhankelijke analyse van en oordeel over een zaak waarover de Hoge Raad moet beslissen. Daarbij gaat het om voorlichting en advisering van de Hoge Raad. In zo’n advies wordt een zaak vaak uitvoeriger en vanuit een breder perspectief besproken dan in de uitspraak van de Hoge Raad. Daarmee dient de conclusie niet alleen de kwaliteit van de rechtspraak in de concrete zaak, maar ook de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling. Zo’n advies wordt meestal gegeven door een van de advocaten-generaal in het parket, namens de procureur-generaal. De advocaten-generaal zijn zelf verantwoordelijk voor de inhoud van hun adviezen.
Aanleiding voor de zaken
De Hoge Raad heeft in het Kerstarrest geoordeeld dat het sinds 2017 geldende stelsel van box 3-heffing in strijd is met het recht op eigendom en het gelijkheidsbeginsel uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Belastingplichtigen die tijdig bezwaar hadden gemaakt tegen de aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor de jaren 2017-2020, kwamen door dit arrest in aanmerking voor vermindering van die aanslagen, indien de box 3-heffing in de aanslag was berekend over een forfaitair rendement dat hoger is dan het werkelijke rendement.
Bij belastingplichtigen die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de aanslagen voor de jaren 2017-2020 (de niet-bezwaarmakers) staan de aanslagen onherroepelijk vast. Ook als een belastingaanslag onherroepelijk vaststaat, kan de inspecteur van de Belastingdienst echter de belastingaanslag uit eigen beweging (ambtshalve) verminderen. De inspecteur is daarbij gebonden aan het wettelijke kader voor ambtshalve vermindering. Hoofdregel is dat een belastingaanslag ambtshalve wordt verminderd als deze op een te hoog bedrag is vastgesteld. Een uitzondering geldt voor het geval dat ‘de onjuistheid van de belastingaanslag voortvloeit uit jurisprudentie die pas tot stand is gekomen nadat die belastingaanslag onherroepelijk vast is komen te staan’ (hierna: de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering). Er is echter ook geregeld dat de minister van Financiën anders kan bepalen.
De minister van Financiën heeft voor de niet-bezwaarmakers met betrekking tot de box 3-heffing over de jaren 2017-2020 niet anders bepaald. Het kabinet heeft namelijk in september 2022 besloten dat de niet-bezwaarmakers niet in aanmerking komen voor vermindering van hun aanslagen.
Veel niet-bezwaarmakers hebben zich niet neergelegd bij dit kabinetsbesluit. Zij hebben met een beroep op het Kerstarrest de inspecteur toch verzocht om hun aanslagen over de jaren 2017-2020 ambtshalve te verminderen.
Massaalbezwaarplusprocedure
Omdat zoveel niet-bezwaarmakers hebben verzocht om ambtshalve vermindering van hun aanslagen, heeft de staatssecretaris van Financiën besloten deze verzoeken aan te wijzen voor de zogenoemde massaalbezwaarplusprocedure. Daarbij is als rechtsvraag geformuleerd, kort gezegd, of de niet-bezwaarmakers een beroep kunnen doen op het Kerstarrest. De toepassing van de massaalbezwaarplusprocedure houdt in dat een aantal zaken wordt geselecteerd om daarin de gemeenschappelijke rechtsvraag uit te procederen voor de rechter, en dat als de Hoge Raad uiteindelijk heeft geoordeeld over de rechtsvraag, de Belastingdienst alle andere verzoeken afhandelt op basis van dat oordeel.
Waarom wordt geprocedeerd over de rechtsvraag ondanks een eerdere uitspraak van de Hoge Raad?
Volgens de Belastingdienst en de staatssecretaris van Financiën kunnen de niet-bezwaarmakers niet met een beroep op het Kerstarrest in aanmerking komen voor ambtshalve vermindering van hun aanslagen, omdat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van toepassing is. Die opvatting is in een eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022 juist geacht.
In de massaalbezwaarplusprocedure wordt desondanks opnieuw de vraag aan de orde gesteld of de niet-bezwaarmakers een beroep kunnen doen op het Kerstarrest. Dit heeft ermee te maken dat volgens diverse organisaties die opkomen voor de belangen van de niet-bezwaarmakers, niet alle relevante argumenten aan bod zijn gekomen in de eerdere uitspraak van de Hoge Raad.
Oordeel van de rechtbanken
De twee geselecteerde zaken die nu aan de orde zijn betreffen een uitspraak van de rechtbank Den Haag en een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. In beide zaken is de belanghebbende in het ongelijk gesteld. Kern van het oordeel van de rechtbanken is dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van toepassing is, waardoor de aanslagen niet hoeven te worden verminderd.
Cassatieklachten
In cassatie bij de Hoge Raad wordt geklaagd dat de rechtbanken de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering niet op de juiste wijze hebben uitgelegd en toegepast. Ook wordt betoogd dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering buiten toepassing moet blijven wegens strijd met hoger recht. Verder wordt geklaagd dat het beroep op diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur ten onrechte is afgewezen.
Advies Advocaat-Generaal (AG)
De AG is van mening dat de rechtbanken de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering op de juiste wijze hebben uitgelegd en toegepast. Er is geen aanleiding om terug te komen van de eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022.
Volgens de AG is het springende punt in deze procedures de vraag of de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaat. Die kwestie is in de eerdere uitspraak van de Hoge Raad van 20 mei 2022 niet expliciet aan bod gekomen. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat de nadelige gevolgen van een regeling voor een burger niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel dat de regelgever met die regeling wil bereiken. Volgens de AG is het kritieke punt vooral dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling voor ambtshalve vermindering, niet direct of indirect blijkt dat bij het voorzien in de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering de gerechtvaardigde belangen van de belastingplichtigen zijn meegewogen. De AG meent evenwel dat er andere bronnen zijn – waaronder Kamerstukken uit 1952 – die voldoende aanknopingspunten bieden voor de belastingrechter om te kunnen beoordelen of de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel.
Uit die andere bronnen blijkt dat met de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering (i) budgettaire belangen, (ii) het belang van uitvoerbaarheid en (iii) het belang van rechtszekerheid worden nagestreefd. Dat zijn legitieme doelen in het algemeen belang. Volgens de AG kan niet geoordeeld worden dat de nadelige gevolgen van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering voor de belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot die doelen. Daarbij is van belang dat de belastingrechter de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt, terughoudend moet beoordelen, omdat de keuze voor de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering een politiek-bestuurlijke afweging betreft.
De AG is dan ook van oordeel dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering als zodanig verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel. Ook de concrete toepassing van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering in de twee zaken is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De omstandigheid dat de box 3-heffing in strijd is met het EVRM, maakt dat volgens de AG niet anders, omdat die omstandigheid nog niet betekent dat een afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering onredelijk bezwarend is.
De AG is verder van opvatting dat het onthouden van een ambtshalve vermindering op grond van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering evenmin in strijd is met het EVRM.
Ook de andere ingediende cassatieklachten slagen volgens de AG niet.
De AG is daarom van oordeel dat de beroepen in cassatie ongegrond zijn. De oordelen van de rechtbanken kunnen in stand blijven.
Let op: Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad uitspraak doet. Regelmatig wijkt de Hoge Raad af van een advies van de advocaat-generaal. Het is dus nog geen gelopen race.
Een arbeidsongeschikte office-manager van een architectenbureau vraagt om ontbinding van haar arbeidsovereenkomst. Het bureau heeft volgens haar te weinig gedaan aan haar re-integratie. Ze vordert naast de wettelijke transitievergoeding ook een billijke vergoeding. Hoe oordeelt de rechter?
De bedrijfsarts
Het eerste knelpunt tussen partijen betreft de adviezen van de bedrijfsarts. Keer op keer is het advies van de bedrijfsarts geweest om de re-integratie tweewekelijks met elkaar te bespreken en te evalueren. De rechter stelt vast dat dit vrijwel nooit is gebeurd. Uit niets is gebleken dat sprake is geweest van evaluatie of concrete afspraken die bijvoorbeeld schriftelijk werden vastgelegd. Alleen bij de start van de re-integratie is inhoudelijk met elkaar gesproken. In het deskundigenoordeel van het UVW wordt eveneens gesignaleerd dat te weinig is gedaan met de adviezen van de bedrijfsarts. Ook ten aanzien van mediation heeft de werkgever onvoldoende doorgepakt. De bedrijfsarts had dit genoemd als mogelijkheid. Het is pas door de werkgever opgepakt na een negatief deskundigenoordeel. Tussen het eerste advies om mediation in te zetten en het opvolgen daarvan zit meer dan een half jaar. Het onvoldoende opvolgen van de adviezen van de bedrijfsarts is (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de werkgever.
Afname van de werkzaamheden
Volgens de office-manager heeft een collega haar taken afgenomen dan wel overgenomen. De werkgever stelt echter dat de afname van het werk kwam door toenemende digitalisering. Voor de rechter staat vast dat de officemanager recht had op re-integratiewerkzaamheden in de uren dat zij op kantoor kwam. Ook al ging de telefoon niet vaak, de werkgever had haar andere passende werkzaamheden aan moeten bieden. Archiveren, opruimen, boodschappen bestellen, desnoods het kerstpakket samenstellen. Er is altijd iets te bedenken. Uit niets is gebleken dat de werkgever de gestelde gevolgen van de digitalisering met de office-manager heeft besproken en met haar in overleg is gegaan over een zinvolle invulling van de re-integratie. De werkgever heeft zich gedurende de gehele re-integratie verscholen achter de stellinginname van de afnemende werkzaamheden door digitalisering. De werkgever heeft geen initiatief genomen om de momenten van re-integratie meer te laten zijn dan slechts een aanwezigheid. De diverse waarschuwingen van de bedrijfsarts dat dit zou leiden tot stagnering dan wel verergering van de klachten, hebben de werkgever ook niet tot actie gedreven. De rechter oordeelt dat dit eveneens (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten is aan de zijde van de werkgever.
Conclusie
De kantonrechter concludeert dat de werkgever onvoldoende heeft gedaan aan de re-integratie. Dit wordt onderschreven door het oordeel van het UWV. De bedrijfsarts bevestigde ook dat instandhouding van de huidige situatie ziekmakend was voor de office-manager. Een situatie waarin een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte (ernstig) veronachtzaamt, wordt door de wetgever aangeduid als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Het ontbindingsverzoek van de office-manager wordt daarom toegewezen.
De rechter wijst de verzochte wettelijk transitievergoeding toe. Omdat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever wordt tevens een billijke vergoeding toegekend.
Let op: Regelmatig zien we procedures waarin werknemers het verwijt krijgen te weinig aan hun re-integratie te doen. In dit geval wil de werknemer de arbeidsrelatie beëindigen omdat de werkgever te weinig heeft gedaan. De rechter ziet dat als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Bij de verdeling van een nalatenschap ontstaan regelmatig overbedelingsschulden, al dan niet renteloos, die pas na overlijden van de langstlevende opeisbaar zijn. Soms zien partijen aanleiding om zo’n schuld onverplicht tussentijds af te lossen. Dan rijst de vraag of zo’n aflossing leidt tot een schenking voor de schenkbelasting. De Belastingdienst heeft de fiscale uitgangspunten overzichtelijk op een rij gezet.
In principe leidt de aflossing van een schuld niet tot een gift. Dat verandert echter, als iemand een schuld onverplicht en voortijdig aflost voor een hoger bedrag dan de contante waarde op het moment van aflossing.
Bepaling van de contante waarde
De contante waarde van een overbedelingsschuld wordt vastgesteld via de marktwaardemethode. Omdat er geen markt bestaat voor overbedelingsschulden, accepteert de Belastingdienst het gebruik van de marktrente uit artikel 38p van de Wet op de loonbelasting 1964. Deze rente is openbaar en wordt jaarlijks aangepast.
Voorbeeld berekening contante waarde
Een ouder (71 jaar) heeft een renteloze overbedelingsschuld van € 100.000.
Aflossing boven dit bedrag wordt aangemerkt als schenking: de ouder betaalt meer aan het kind dan de contante waarde van de vordering.
Hoe wordt de schenking voor de schenkbelasting vastgesteld?
Als eenmaal is vastgesteld dat sprake is van een schenking, moet de hoogte daarvan voor toepassing van de Successiewet worden berekend. Bij schulden met minder dan 6% samengestelde rente heeft de ouder een (fictief) vruchtgebruik over de schuld. Bij vervroegde aflossing geeft de ouder dit vruchtgebruik prijs, waardoor sprake is van een schenking.
Uitwerking van het voorbeeld
De hoogte van die schenking volgt uit de vruchtgebruiktabellen van de Successiewet.
Als de ouder de volledige schuld van € 100.000 aflost voor € 90.000, bedraagt de schenking voor de schenkbelasting: € 90.000 – € 58.000 = € 32.000.
Tip: Een behoorlijke gecompliceerde berekening dus in twee stappen om tot het bedrag van de eventuele schenking te komen. Uiteraard zijn we u graag van dienst als deze situatie bij u gaat spelen.