Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Een dierenarts heeft met zijn ouders een maatschap die de dierenartsenpraktijk uitoefent. De maatschap krijgt een indicatief overnamebod van € 3.300.000. De maten richten BV’s op en brengen de maatschapsaandelen in, met fiscale afrekening. Daarbij hanteren ze een waarde van slechts € 545.000, waarvan € 400.000 voor goodwill. Acht maanden later wordt de praktijk verkocht voor € 4.686.000. De Belastingdienst legt navorderingsaanslagen op gebaseerd op een goodwill van € 4.686.000. De rechter komt eraan te pas.
Op de zitting heeft de Belastingdienst ermee ingestemd dat de waarde van de andere componenten dan goodwill, in overeenstemming met de aangifte, moet worden gesteld op € 145.000.
Rechter over de vereiste aangifte – omkering en verzwaring van de bewijslast
De maatschapsleden hebben in de ingediende aangiften een ondernemingswaarde ten grondslag gelegd van € 545.000. De goodwillcomponent hierin, € 400.000, is berekend conform de methode van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde.
Volgens de maten kon bij de bepaling van de waarde van de onderneming voorbij worden gegaan aan de gedane biedingen, omdat ze toen niet van plan waren de praktijk te verkopen.
De Belastingdienst vindt die argumentatie onjuist en onverdedigbaar. Het grote verschil tussen de indicatieve bieding en de door de maten verantwoorde waarde betekent dat niet de vereiste aangifte is gedaan en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.
Bij een ‘ruisende’ inbreng van een onderneming in een besloten vennootschap tegen uitreiking van aandelen, zoals hier, moet voor de bepaling van de stakingswinst de waarde van de onderneming worden vastgesteld. Daarbij gaat het om de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop onder de meest gunstige omstandigheden en na de beste voorbereiding door de hoogst biedende zou worden betaald.
Uit het indicatieve bod moet worden afgeleid dat de hoogstbiedende gegadigde bij verkoop onder de meest gunstige omstandigheden een prijs zou hebben betaald in de ordegrootte van dat bod. Aangezien niet in geschil is dat de bieder een potentiële koper en onafhankelijke derde was, zal de waarde in het economisch verkeer daarmee niet, in ieder geval niet veel, lager zijn geweest dan het bod van € 3.300.000.
Met de Belastingdienst acht de rechter de door de maten aan de inbreng ten grondslag gelegde ondernemingswaarde van € 545.000 niet verdedigbaar. Door een bedrag aan veronderstelde jaarwinst te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor – de zogenoemde multiple methode –, wordt ten onrechte geen rekening gehouden met de groeipotentie die de bieder blijkens haar indicatieve bod aanwezig achtte.
Als argument om dat bod bij de bepaling van de ondernemingswaarde buiten beschouwing te laten, kan niet dienen dat de maten ten tijde van de inbreng niet voornemens waren de onderneming aan een derde te vervreemden. De stakingswinst bij inbreng in een besloten vennootschap moet immers worden bepaald aan de hand van de objectieve ondernemingswaarde, zodat de bedoeling van de inbrengers om de onderneming vooralsnog niet aan een derde uit handen te geven niet van betekenis is.
Evenmin kan als argument dienen dat, zoals door de maten is betoogd, de prijs die private-equity-partijen bereid zijn te betalen niet overeenkomt met de in de branche als ‘normaal’ ervaren waarde. Ook dat argument miskent dat het nu juist gaat om de prijs die de hoogstbiedende gegadigde voor de onderneming zou betalen, die in voorkomend geval een private-equity-partij zal zijn.
Daarom vindt de rechter het aannemelijk dat de op grond van de aangiften verschuldigde belasting zowel in absoluut als relatief opzicht aanzienlijk te laag is ten opzichte van de werkelijk verschuldigde belasting. Volgens de rechter hadden de maten zich daarvan redelijkerwijs bewust moeten zijn, ze hadden behoren te weten dat door bij het bepalen van de inbrengwaarde voorbij te gaan aan objectieve marktgegevens een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.
Dit betekent dat de maten niet de vereiste aangifte hebben gedaan, zodat het aan de maten is om te bewijzen in hoeverre het standpunt van de Belastingdienst niet juist is.
Rechter over de redelijke schatting door de Belastingdienst
De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting. De Belastingdienst heeft de stakingswinst bepaald door de waarde van de onderneming te stellen op de voor de aandelen overeengekomen prijs.
Volgens de maten is de Belastingdienst er daarbij ten onrechte aan voorbijgegaan dat kort na de inbreng bekend werd dat een nabijgelegen dierenartspraktijk een half jaar later zou stoppen, dat dit niet was voorzien en dat het wegvallen van die praktijk een significante invloed heeft gehad op de omzetprognoses.
De rechter gaat hierin deels mee. Het indicatieve bod van vier maanden voor de inbrengdatum bedroeg € 3.300.000. Daarop volgde, vijf maanden na de inbreng, een bod van € 5.300.000, dat na een due diligence weer twee maanden later is uitgemond in de definitieve koopprijs van € 4.686.000. Uit de stukken leidt de rechter af dat de waarde die de bieder de onderneming toekende vooral is bepaald door verwachtingen omtrent toekomstige omzetten. Daarmee is aannemelijk dat de hogere bieding na de inbrengdatum in ieder geval deels is terug te voeren op een stijging van de omzetverwachting door het wegvallen van een concurrent in de nabijheid van de dierenkliniek. De rechter acht niet redelijk die gebeurtenis bij de schatting van de waarde van de onderneming per de inbrengdatum buiten aanmerking te laten.
De rechter vindt het redelijk om de helft van het verschil tussen het eerste indicatieve bod en de uiteindelijke koopprijs aan te merken als waardevermeerdering van de onderneming ten gevolge van het wegvallen van de concurrent. Aldus komt de rechtbank tot een schatting van de ondernemingswaarde per de inbrengdatum van – afgerond – € 4.000.000. Nog altijd tien maal zo hoog als de aangegeven goodwill.
De aanslagen berusten dus op een te hoge schatting door de Belastingdienst van de inbrengwaarde. De rechter vermindert de aanslagen tot het juiste bedrag.
Let op: Of de maatschapsleden door de ruisende inbreng in de BV-structuur, gezien de nog steeds zeer forse fiscale afrekening over de stakingswinst, achteraf per saldo fiscaal beter uit zijn, is de vraag. Dat tijdig en goed advies bij zo’n traject onontbeerlijk is, mag duidelijk zijn. We adviseren u graag.
Zes weken na indiensttreding krijgt een werknemer een fietsongeval en wordt hij door schouderletsel arbeidsongeschikt. Hij werkt niet meer. Volgens de bedrijfsarts zou hij met het openbaar vervoer moeten kunnen reizen. De werknemer beweert echter dat hij vanwege zijn blessure niet naar vervolgafspraken met de bedrijfsarts kan. Daarom stopt de werkgever de loondoorbetaling. De werknemer eist via de rechter het loon sinds de loonstop.
Werknemer niet naar bedrijfsarts
Na de ziekmelding heeft de werknemer loon doorbetaald gekregen. Het heeft geruime tijd geduurd voordat de werknemer is opgeroepen voor een gesprek met de bedrijfsarts. Dit gesprek heeft uiteindelijk plaatsgevonden ruim vier maanden na de ziekmelding in een videogesprek.
In de probleemanalyse naar aanleiding van dit gesprek concludeert de bedrijfsarts dat de belastbaarheid van de werknemer voor eigen taken beperkt is. Wel zijn er volgens de bedrijfsarts enkele mogelijkheden om administratieve taken vanuit huis op te starten gedurende enkele uren per week waarbij er rekening worden gehouden met de beperkingen. Ook volgt uit de probleemanalyse dat de werknemer geen voertuigen (auto en fiets) kan besturen, maar dat hij zich wel met het openbaar vervoer kan verplaatsen. Geadviseerd wordt een vervolgspreekuur na zes weken.
Dit geplande bezoek aan de bedrijfsarts is door de werknemer afgezegd. Bij een nieuwe afspraak een week later is de werknemer niet verschenen. Een dag later stuurt de werkgever per e-mail een waarschuwing aan de werknemer waarin een loonstop wordt aangekondigd. Weer een week later is de werknemer opnieuw niet verschenen bij de bedrijfsarts. Vanaf die datum is de werkgever gestopt met het betalen van het loon.
Standpunt werknemer
Volgens de werknemer is de loonstop onterecht. Het verwijt dat de werkgever hem maakt, namelijk dat hij tot tweemaal toe zonder geldige reden niet op een afspraak bij de bedrijfsarts is verschenen, is niet juist. Zijn fysieke toestand maakte het niet mogelijk om met de trein naar Amsterdam te reizen voor de afspraak met de bedrijfsarts. Dit werd onderstreept door zijn gespecialiseerde fysiotherapeut. Namens de werknemer is uitdrukkelijk verzocht het onderzoek naar de arbeidsgeschiktheid door een in Utrecht gevestigde bedrijfsarts of via een online video consult te laten plaatsvinden.
Overwegingen rechter
De kantonrechter volgt het standpunt van de werknemer niet en is van oordeel dat de werkgever de loonstop terecht heeft toegepast. In de wet worden de situaties beschreven waarin een werkgever gerechtigd is de doorbetaling van het loon te stoppen. Eén van de redenen is het ‘zonder deugdelijke grond weigeren mee te werken aan door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen tot passende arbeid’.
Vast staat dat de bedrijfsarts al in de probleemanalyse had geconcludeerd dat de werknemer zich met het openbaar vervoer kon verplaatsen. Voor een bezoek aan de bedrijfsarts in Amsterdam bestond dan ook, op basis van deze conclusie van de bedrijfsarts, geen beletsel.
Het is, zoals de werkgever tussentijds ook meerdere keren schriftelijk heeft medegedeeld, een bedrijfsarts die vaststelt of en in welke mate er sprake is van arbeidsongeschiktheid van een werknemer. Ook is de mate van belastbaarheid van een werknemer voorbehouden aan het oordeel van een bedrijfsarts. In dit geval heeft de bedrijfsarts geoordeeld geen beletsel te zien in het reizen met het openbaar vervoer. Een verklaring van een fysiotherapeut maakt dit niet anders.
Als de werknemer het niet eens was met het oordeel van de bedrijfsarts op dit punt, dan had hij zich tot het UWV moeten wenden om hierover een deskundigenoordeel te vragen. Dat heeft de werknemer niet gedaan. De werknemer is meerdere keren op zijn verplichtingen gewezen en het voornemen het loon niet meer te betalen is door de werkgever meerdere keren aangekondigd.
Conclusie
Volgens de rechter staat vast de werknemer zonder deugdelijke grond niet mee heeft gewerkt aan een redelijk voorschrift en was de werkgever gerechtigd om de loonstop op te leggen.
Dit betekent dat het verzoek van de werknemer tot betaling van zijn loon en de nevenverzoeken (wettelijke verhoging, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten) worden afgewezen.
Transitievergoeding ook over periode na loonstop
Omdat de arbeidsovereenkomst inmiddels is geëindigd, heeft de werknemer recht op een transitievergoeding. De werkgever heeft deze berekend tot het moment van de loonstop. Dat is niet juist. Als een werkgever gehouden is aan een werknemer een transitievergoeding te betalen, dan is de werkgever deze ook verschuldigd over de periode dat er door de werkgever een (terechte) loonstop is toegepast. De werknemer heeft daarom nog recht op de transitievergoeding over de periode vanaf de loonstop tot datum einde contract.
Let op: Voor de werkgever, en wellicht ook voor u, is verrassend dat de transitievergoeding berekend moet worden over de periode tot datum einde contract in plaats van tot de datum van de terechte loonstop.
Man en vrouw gaan scheiden. Hij heeft tijdens het huwelijk pensioenrechten opgebouwd. De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding is van toepassing. Bij echtscheiding ziet de vrouw echter af van haar recht op pensioenverevening, het recht op uitbetaling van de helft van de tijdens het huwelijk opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen. Ze wil hiervoor geen compensatie. Is dit een schenking?
Volgens een kennisgroep van de Belastingdienst is inderdaad sprake van een schenking als de vrouw voor het afzien niet wordt gecompenseerd.
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (hierna: Wvps) regelt in beginsel de verevening bij alle gehuwden, ongeacht het tussen de echtgenoten geldende huwelijksgoederenregime. De gedachte achter de Wvps is dat het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen beide echtgenoten gelijkelijk aangaat. Daarom wordt dit gedeelte van het ouderdomspensioen na echtscheiding uiteindelijk gelijkelijk aan de echtgenoten uitgekeerd. Bestaat tussen de echtgenoten een wettelijke gemeenschap van goederen dan behoren daartoe niet de pensioenaanspraken, waarop de Wvps van toepassing is. De echtgenoten kunnen de toepassing van de Wvps bij huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant uitsluiten.
Gift
Iedere handeling die er toe strekt dat een ander wordt verrijkt ten koste van eigen vermogen is een gift is. De drie vereisten voor een gift zijn: verarming, verrijking en bevoordelingsbedoeling.
Afzien van
Op grond van de Wvps hebben beide echtgenoten recht op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. Als de vrouw die dat pensioen niet heeft opgebouwd afziet van haar recht op pensioenverevening, verrijkt de man die het pensioen heeft opgebouwd. Hij wordt hierdoor namelijk als enige gerechtigd tot dat gedeelte van het ouderdomspensioen. De vrouw verarmt, omdat haar recht op pensioenuitkeringen vervalt.
Van verrijking en verarming is ook sprake als de echtgenoten in een echtscheidingsconvenant de Wvps niet van toepassing verklaren. Dit is anders als de echtgenoot die afziet van pensioenverevening hiervoor gecompenseerd wordt, bijvoorbeeld bij het verdelen van de gemeenschap van goederen.
Omdat het bewust afzien door de ene echtgenoot per definitie leidt tot de verrijking van de andere echtgenoot, is de bevoordelingsbedoeling (bewustheid van en wil tot bevoordeling) aanwezig.
Let op: Het komt bij een echtscheiding regelmatig voor dat een van de partners niet alles wil hebben waar hij of zij juridische recht heeft. Dan komt al snel een (belaste) schenking om de hoek kijken.
Op 21 oktober tekenen werkgeefster en werkneemster een arbeidsovereenkomst voor zeven maanden ingaande 1 november met een proeftijd van één maand. Vlak na de ondertekening vraagt de werkneemster of zij op 14 november al een voorschot van € 1.000 op haar loon kan krijgen. Op 22 oktober belt de werkgeefster om te zeggen dat het voorschot niet doorgaat en dat zij de arbeidsovereenkomst beëindigt met een beroep op de proeftijd. Dat heeft ze op 27 oktober schriftelijk bevestigd. Kan dat?
Standpunt werkneemster
Volgens de werkneemster is de opzegging niet rechtsgeldig omdat de arbeidsovereenkomst nog niet was begonnen en de werkgeefster daardoor nog geen beroep kon doen op de proeftijd. Daarnaast stelt ze dat de werkgeefster heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap door de arbeidsovereenkomst op te zeggen omdat de werkneemster had gevraagd om een voorschot. Werkgeefster had tijdens de ondertekening van de arbeidsovereenkomst namelijk zelf gezegd dat het altijd mogelijk was om een voorschot te vragen. Wanneer de werkneemster dan op dit aanbod ingaat en om een voorschot vraagt, wordt de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd, terwijl werkgeefster ook had kunnen volstaan met het weigeren van het voorschot. Door een beroep op de proeftijd te doen, heeft de werkgeefster het proeftijdbeding aangewend voor een ander doel dan waarvoor het is bedoeld, namelijk om de geschiktheid van de werknemer te beoordelen. Daarmee heeft de werkgeefster niet als een goed werkgever gehandeld en dient de opzegging te worden vernietigd.
Standpunt werkgeefster
De werkgeefster betwist dat er sprake zou zijn van een ongeldige opzegging. Ook voordat de arbeidsovereenkomst was ingegaan, kon ze de arbeidsovereenkomst opzeggen, omdat de proeftijd toen nog niet was verstreken. Verder betwist de werkgeefster dat zij zelf een aanbod had gedaan om een voorschot op het loon te vragen, daar is juist de werkneemster mee gekomen. Door de arbeidsovereenkomst in de proeftijd op te zeggen heeft de werkgeefster niet in strijd met goed werkgeverschap gehandeld.
Beoordeling rechter: proeftijd
Tijdens de proeftijd mogen beide partijen de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen zolang die tijd niet is verstreken. Deze woorden zijn destijds door de wetgever uitdrukkelijk in de wettekst opgenomen om aan te geven dat de opzeggingsbevoegdheid ook geldt ten aanzien van een nog niet daadwerkelijk aangevangen arbeidsovereenkomst.
Door op 27 oktober de arbeidsovereenkomst schriftelijk op te zeggen, is sprake van een rechtsgeldige opzegging tijdens de proeftijd. De tijd waarvoor de proeftijd was overeengekomen was namelijk nog niet verstreken. Dat de werkneemster geen reële kans heeft gekregen om te laten zien of zij geschikt is voor de bedongen arbeid doet daaraan niet af, omdat een werkgever voor opzegging tijdens (of voorafgaande aan) de proeftijd geen redelijke grond hoeft te hebben.
Beoordeling rechter: goed werkgeverschap
Het voorgaande betekent echter niet dat een proeftijdontslag altijd is toegestaan. Een rechtsgeldig gegeven proeftijdontslag kan in strijd zijn met goed werkgeverschap.
De werkgeefster heeft gemotiveerd betwist dat zij de werkneemster een aanbod heeft gedaan om een voorschot op het salaris te vragen. Wél heeft de werkgeefster bij het doornemen van de arbeidsovereenkomst erop gewezen dat zij van haar werknemers verwacht dat zij het aangeven als er sprake is van financiële nood. Dit om te voorkomen dat werknemers een greep uit de kassa doen. Op de zitting heeft de werkgeefster onbetwist gesteld dat zij nooit een voorschot op salaris heeft uitbetaald. Als er al om een voorschot wordt gevraagd, wordt gekeken of vanuit de reservering van het vakantiegeld een bedrag kan worden overgemaakt. Gelet op deze gemotiveerde betwisting, is het aan de werkneemster om haar stelling dat de werkgeefster haar een aanbod had gedaan om een voorschot op het salaris te vragen, nader te onderbouwen. Daarin is ze niet geslaagd.
Verder heeft de werkneemster nog aangevoerd dat het proeftijdontslag buitenproportioneel is omdat de werkgeefster het voorschot ook had kunnen weigeren. Een ontslag was niet nodig. Daartegen heeft de werkgeefster aangevoerd dat de werkneemster al vlak na de ondertekening van de arbeidsovereenkomst gevraagd had om een voorschot van € 1.000 om de huur te kunnen betalen. Door al zo snel om een (gedeeltelijke) uitbetaling van het salaris te vragen, veronderstelde de werkgeefster dat de werkneemster kampte met financiële problemen. Omdat er in het bedrijf van de werkgeefster veel contant geld in omloop is en er regelmatig incidenten zijn waarbij geld wordt ontvreemd, achtte de werkgeefster het een te groot risico om de arbeidsovereenkomst in stand te laten. Gelet op de afweging van deze belangen kan niet gezegd worden dat de werkgeefster in strijd met het goed werkgeverschap heeft gehandeld.
Conclusie
De conclusie is dat de opzegging van 27 oktober rechtsgeldig is gedaan. Het verzoek van de werkneemster tot vernietiging van de opzegging en betaling van het salaris vanaf 1 november wordt afgewezen.
Stel, u hebt in 2024 in uw eenmanszaak als auto van de zaak een youngtimer aangeschaft, een auto die vijftien jaar eerder voor het eerst in gebruik was genomen. De bijtelling voor deze auto is 35% van (slechts) de waarde in het economisch verkeer. Vanaf 2027 geldt deze regeling alleen voor auto’s van minimaal 25 jaar oud. Uw bijtelling stijgt dan dus naar 22% van de cataloguswaarde. Wat nu?
De vraag is nu of deze wetswijziging een reden kan zijn om uw auto per 1 januari 2027 tot het privévermogen te gaan rekenen. Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een positief standpunt over ingenomen.
De wetswijziging kan inderdaad een bijzondere omstandigheid vormen die keuzeherziening rechtvaardigt, maar u moet wel aannemelijk maken dat u onder de nieuwe wettelijke regeling (per 1 januari 2027) een andere keuze zou hebben gemaakt dan onder de oude regeling.
Niet beslissend is of u door de nieuwe wettelijke regeling in een nadelige positie bent gekomen. Een wijziging van de grondslag voor de berekening van de bijtelling vormt op zichzelf onvoldoende grond vormt om keuzeherziening toe te staan, ook al is de bijtelling in 2027 hoger dan de bijtelling in 2024.
U moet alle feiten en omstandigheden aanvoeren die aannemelijk maken dat u een andere keuze zou hebben gemaakt.
Er moet dus onderzoek worden gedaan naar de motieven in 2024 om de auto als ondernemingsvermogen te etiketteren. En de bewijslast ligt op u om aannemelijk te maken dat u in 2024 een andere keuze zou hebben gemaakt indien de nieuwe wettelijke regeling voor de bijtelling privégebruik zou hebben gegolden.
Feiten en omstandigheden die relevant kunnen zijn bij de aanvankelijke keuze zijn bijvoorbeeld:
Tip: Inmiddels heeft Tweede Kamerlid Pieter Grinwis in een commissiedebat aangekondigd dat hij een motie gaat indienen om de overgang naar 25 jaar anders op te lossen: de regeling bevriezen op aanschafjaar 2011/2012, zodat de 25 jaar niet ineens in 2027, maar geleidelijk bereikt wordt. Eventueel zou dan wel het bijtellingspercentage van 35% wat hoger moeten worden. Uiteraard zijn we u zo nodig van dienst bij het alsnog overbrengen van uw youngtimer naar het privévermogen.
Wanneer is de vergoeding, verstrekking of terbeschikkingstelling van een mobiele telefoon aan een werknemer eigenlijk vrijgesteld? Welke voorwaarden gelden hiervoor? Hierover heeft de Belastingdienst een handreiking opgesteld.
De mobiele telefoon moet voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium. Wanneer is dat het geval?
Als de mobiele telefoon aan het noodzakelijkheidscriterium voldoet, dan moet de werkgever de vergoeding, verstrekking, of terbeschikkingstelling hiervan aanwijzen als eindheffingsloon.
Bewijslast
Als de Belastingdienst van mening is dat het gebruik van een mobiele telefoon niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de dienstbetrekking, dan moet de Belastingdienst dit bewijzen.
Dit is anders als de werknemer een bestuurder of een commissaris is. In dat geval geldt dat de werkgever aannemelijk moet maken dat de mobiele telefoon aan het noodzakelijkheidscriterium voldoet.
Privévoordeel
Gebruikt de werknemer de mobiele telefoon die aan het noodzakelijkheidscriterium voldoet, ook privé? Dan hoeft u het privévoordeel niet tot het loon te rekenen.
Eigen bijdrage
Kiest de werknemer voor een duurdere uitvoering van de mobiele telefoon of voor een duurder abonnement en betaalt hij alleen voor de meerprijs een eigen bijdrage? Dan blijft voor de basisuitvoering die de werkgever voor zijn rekening neemt de gerichte vrijstelling van toepassing. De eigen bijdrage voor de duurdere uitvoering gaat van het nettoloon af. Ook mag de werkgever een eigen bijdrage voor privégebruik vragen. Deze gaat ook van het nettoloon af.
Voorbeelden eigen bijdrage
Cafetariaregeling
De gerichte vrijstelling is niet van toepassing als de werkgever de mobiele telefoon volledig of gedeeltelijk uitruilt met het brutoloon. Omdat de kosten dan ten laste van de werknemer komen, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat de werkgever de voorziening voor zijn rekening neemt.
Kiest de werknemer voor een duurdere uitvoering van de mobiele telefoon of een duurder abonnement en wordt alleen de meerprijs uitgeruild met het brutoloon? Dan is dit wel toegestaan, op voorwaarde dat de werkgever de vergoeding hiervoor aanwijst als eindheffingsloon. De uitruil voor de meerprijs van de luxere versie is alleen onbelast als de werkgever nog vrije ruimte heeft. De gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen is niet van toepassing op de meerprijs.
Mogelijk betaalt de werknemer een eigen bijdrage voor privégebruik. De werkgever mag deze eigen bijdrage uitruilen met het brutoloon. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden.
Een DGA en zijn vrouw kopen een huis. Voor de aanschaf hebben ze een banklening met bouwdepot van € 1.500.000 afgesloten. Het is een annuïtaire lening met een looptijd van 30 jaar. Na enkele jaren sluit de DGA bij zijn BV een dertigjarige annuïtaire lening en lost daarmee een deel van de banklening af. De Belastingdienst weigert aftrek van de rente op deze nieuwe lening.
Uitgangspunten bij de rechter
De rechter gaat er vanuit dat de nieuwe lening is aangegaan in verband met de eigen woning.
De belastbare inkomsten uit eigen woning bestaan uit de voordelen uit eigen woning verminderd met de op die voordelen drukkende aftrekbare kosten. Onder de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning vallen onder meer de renten van schulden die behoren tot de eigenwoningschuld. Bepalend voor het antwoord op de vraag of de DGA recht heeft op aftrek van de betaalde rente, is dus of de nieuwe lening als eigenwoningschuld kan worden aangemerkt.
Volgens de Belastingdienst is, doordat een te lange looptijd is afgesproken - opnieuw dertig jaar, terwijl de eerste lening al enkele jaren liep - geen sprake van een eigenwoningschuld met recht op rente-aftrek.
De DGA stelt dat de nieuwe lening weliswaar is aangegaan voor een periode van 30 jaar, maar dat dat niet fataal is omdat de looptijd van de lening nog niets zegt over wat gedurende de looptijd daadwerkelijk zal gebeuren voor wat betreft de aflossingen. Er staat bij het aangaan van de lening immers nog niet vast hoe lang de daadwerkelijke looptijd zal zijn.
Eigenwoningschuld
Onder eigenwoningschuld wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden van de belastingplichtige:
Als een schuld tijdens de looptijd voor hetzelfde of een lager bedrag wordt vervangen door een nieuwe schuld, geldt dat de looptijd van de nieuwe contractuele verplichting nog maximaal de resterende looptijd van de voorgaande schuld mag zijn.
Toepassing op de zaak
De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een eigenwoningschuld rust op belanghebbende.
De rechter is van oordeel dat de DGA voor de nieuwe lening niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een eigenwoningschuld. Deze lening is feitelijk een voortzetting van de banklening. In de overeenkomst bij de nieuwe lening is een looptijd opgenomen van 360 maanden, zonder dat daarbij rekening is gehouden met de reeds verstreken looptijd van de banklening. Bij elkaar is de looptijd van de leningen dus langer dan 360 maanden. De DGA is bij de berekening van de annuïteit voor de nieuwe lening eveneens van een looptijd van 360 maanden uitgegaan, zonder daarbij rekening te houden met de reeds verstreken looptijd van de banklening.
De DGA voert nog aan dat de nieuwe lening inmiddels door verrekening met een dividenduitkering vanuit de BV volledig is afgelost en dat daardoor de maximale termijn van 360 maanden uiteindelijk niet is overschreden. Dit argument gaat niet op. Voor de vraag of sprake is van een eigenwoningschuld is namelijk de contractuele verplichting leidend. Op basis van de contractuele verplichting is geen sprake van eigenwoningschulden. Dat feitelijk eerder is afgelost, is hiervoor niet relevant.
Conclusie
De rechter stelt de Belastingdienst volledig in het gelijk.
Let op: Als u een bestaande dertigjarige en annuïtaire eigenwoninglening (deels) door een nieuwe vervangt, mag de totale looptijd van de leningen dus niet meer dan dertig jaar (360 maanden) zijn. Is dat wel het geval dan hebt u geen recht op rente-aftrek over de nieuwe lening.
Een BV met een DGA die 55% van de aandelen heeft, krijgt de Belastingdienst op bezoek voor een boekenonderzoek. Het jaarloon van de DGA was in de onderzochte jaren circa € 81.000. De Belastingdienst corrigeert dat naar ongeveer € 96.000 per jaar en legt naheffingsaanslagen op. De rechter komt eraan te pas.
Volgens de rechter heeft de Belastingdienst het loon van de DGA in beginsel terecht gecorrigeerd naar het loon van de meest verdienende werknemer van de BV. Eisen aan functie- en beloningsverhoudingen van die meest verdienende werknemer stelt de wet niet.
Het is vervolgens aan de BV om aannemelijk te maken dat die bedragen hoger zijn dan het loon uit een dienstbetrekking die het meest vergelijkbaar is met die van de DGA. In dat geval wordt het loon van de DGA gesteld op het loon uit die dienstbetrekking.
De BV stelt dat een algemeen directeur van een vergelijkbaar bedrijf als meest vergelijkbare dienstbetrekking moet worden beschouwd en een loon geniet tussen de € 5.500 en € 7.000 per maand. Volgens de BV past in dit geval geen hoger loon, gelet op de beperkte commerciële taken en de vooral op interne bedrijfsvoering gerichte werkzaamheden.
Volgens de rechter is de BV niet geslaagd in de op haar rustende bewijslast. De BV heeft te weinig concreet onderbouwd wat het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking zou zijn, mede in het licht van wat de DGA zelf heeft verklaard over zijn jarenlange werkervaring (van 30 jaar), het aantal werkuren (zo’n 60 uur per week) en de rol die hij vervult binnen het bedrijf (samen met een mede-aandeelhouder eindverantwoordelijk zijn, verantwoordelijk zijn voor het personeelsbeleid en alle andere personele zaken, het opstellen van de begroting en bewaken van de facturatie, het beheren van 25% van de klantenportefeuille en het onderhouden van contact met klanten en leveranciers, het controleren van de administratie en jaarwerkdossiers van klanten en het indienen van belastingaangiften).
De Belastingdienst stelt terecht dat de BV enkel op bruto maandlonen heeft gewezen, terwijl het voor de toepassing van de wettelijke fictief loonregeling om jaarloon gaat, waarvoor meer looncomponenten van belang zijn (zoals vakantiegeld of een ter beschikking gestelde auto).
Conclusie
De rechter stelt de Belastingdienst volledig in het gelijk.
Let op: In een zaak als deze over de fictief loonregeling gaat het vaak om de bewijslastverdeling. In dit geval is er in het bedrijf nu eenmaal een werknemer met een hoger loon dan de DGA. Dan ligt de bewijslast bij de DGA om aan te tonen dat die werknemer ook meer verdient dan iemand buiten het bedrijf met een vergelijkbare functie als de DGA.
De enig aandeelhouder van een Holding-BV schenkt de aandelen aan de directeur van een werkmaatschappij van die BV. De aandelen zijn ongeveer € 7.800.000 waard. Volgens de Belastingdienst is sprake van loon uit dienstbetrekking. Dit wordt verwerkt in een aanslag inkomstenbelasting met een inkomen uit arbeid dat € 7.800.000 hoger is dan het aangegeven inkomen. De directeur wendt zich tot de rechter.
Standpunt directeur
De directeur stelt dat sprake is geweest van een bijna helemaal vrijgestelde schenking van aandelen in het kader van een reële bedrijfsopvolging. Verder stelt hij dat het vereiste causale verband ontbreekt tussen het ‘voordeel’ en zijn dienstbetrekking, dat er geen bedoeling was om hem te bevoordelen wegens of te belonen voor zijn werkzaamheden en dat het ‘voordeel’ op basis van maatschappelijke opvattingen niet als beloning wordt ervaren. De schenking is volgens de directeur gedaan op grond van diverse andere motieven: zo heeft hij de aandelen verkregen omdat hij de meest geschikte bedrijfsopvolger was, heeft hij de aandelen gekregen onder de voorwaarde om deze ook weer (om niet) door te leveren aan zijn toekomstige opvolger(s) en zou anders de continuïteit van de onderneming in gevaar kunnen komen.
Standpunt Belastingdienst
Volgens de Belastingdienst is de schenking terecht als loon aangemerkt. Er is een causaal verband tussen het voordeel en de dienstbetrekking. De overheersende reden voor het verkrijgen van de aandelen ligt in de sfeer van de dienstbetrekking. De directeur had immers geen bijzondere, persoonlijke band met de schenker en kreeg de aandelen omdat hij in de uitoefening van zijn functie had bewezen een waardige opvolger te zijn van de schenker. Ook de door de directeur geschetste motieven voor de schenking wijzen er volgens de Belastingdienst op dat de aandelen zijn geschonken in het kader van de dienstbetrekking.
Uitgangspunten rechter
De rechter neemt de volgende uitgangspunten als richtsnoer bij zijn overwegingen.
Loon is al hetgeen uit een (vroegere) dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.
Het gaat in dit geval volgens de rechter niet om de vraag of er sprake is van een verstrekking ‘in het kader van de dienstbetrekking’, zoals de Belastingdienst aanvoert, maar om de vraag of de (waarde van de) aandelen loon uit dienstbetrekking vormen. Volgens de Belastingdienst heeft de directeur de aandelen immers niet gekregen om zijn dienstbetrekking naar behoren te kunnen uitoefenen, maar als gevolg van de dienstbetrekking zelf (en de vervulling daarvan).
Tot het loon behoort verder niet alleen wat de eigenlijke (formele) werkgever verstrekt, maar het kan onder omstandigheden ook omvatten wat uit hoofde van de dienstbetrekking wordt ontvangen van derden. De rechter merkt op dat hij hierbij het oog heeft op voordelen die worden genoten van een ander dan de werkgever.
De bewijslast voor het bestaan en de omvang van een loonvoordeel rust op de Belastingdienst. Dat betekent dat de Belastingdienst aannemelijk moet maken dat de schenking een voordeel betreft dat loon (al dan niet van derden) uit dienstbetrekking vormt.
Overwegingen rechter
De rechter stelt voorop dat de aandelen voorafgaand aan de schenking behoorden tot het privévermogen van de schenker en niet tot het vermogen van de werkgever van de directeur (noch van een andere, tot het concern behorende vennootschap). Gesteld noch gebleken is dat de schenker op de een of andere manier door de werkgever van de directeur of anderszins is gecompenseerd voor de verarming die bij hem is opgetreden als gevolg van de levering van de aandelen aan de directeur.
De Belastingdienst heeft tegen deze achtergrond geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die de conclusie rechtvaardigen dat de aandelen toch loon van de werkgever vormen, waarmee de werknemer (de directeur) als zodanig is bevoordeeld. De Belastingdienst heeft weliswaar gewezen op het causale verband tussen het verkregen voordeel en de dienstbetrekking, maar een dergelijk verband alleen betekent nog niet dat de werkgever dit voordeel aan de werknemer als zodanig heeft verstrekt.
De rechter leidt uit de getuigenverklaringen van de schenker af dat hij de aandelen uit eigen beweging, als natuurlijke persoon en aandeelhouder, en onder naar eigen wens en inzicht opgemaakte voorwaarden, heeft overgedragen aan de directeur. Het motief om de aandelen te schenken kwam voort uit de diepgewortelde wens van de schenker dat de onderneming zijn karakter en zelfstandigheid zou behouden. Hierbij speelde de zorg voor de toekomst van de onderneming een grote rol: de schenker wilde niet dat het concern ten prooi zou vallen aan grotere spelers in de markt, die naar zijn stellige overtuiging de winstgevende activiteiten eruit zouden lichten om het restant vervolgens dood te laten bloeden. De schenker heeft in dit verband bij herhaling gewezen op de meer dan honderdjarige historie van dit van oorsprong familiebedrijf.
Daarom acht de rechter het waarschijnlijker dat de schenker – die zowel bestuurder was als enig aandeelhouder van de houdstervennootschap – bij zijn beslissing om de aandelen te schenken vooral zijn aandeelhouderspet op had en niet zozeer zijn bestuurders-/werkgeverspet. Daarbij past in de ogen van de rechter dat de directeur de aandelen niet ongeclausuleerd heeft verkregen, maar die aandelen – onder dreiging van een ontbindende voorwaarde die de schenker kan inroepen – te zijner tijd moet doorgeven aan zijn opvolgers. In feite heeft de directeur dus niet de aandelen vrij in handen gekregen, maar alleen de volledige zeggenschap plus het recht op de winsten (dividenden) zo lang hij bestuurder blijft. Ontegenzeggelijk zou de directeur dit voordeel nooit hebben genoten als hij geen werknemer van het concern was geweest. De schenker zag eiser immers als zijn opvolger, omdat hij in de ogen van de schenker in zijn functie als directeur had bewezen dat hij uit het juiste hout was gesneden om de onderneming in al zijn facetten te leiden en te behouden op de wijze zoals de schenker dat wenste. Echter: niet alle voordelen die zonder de dienstbetrekking niet zouden zijn verkregen, vormen ook loon ‘uit’ die dienstbetrekking.
Zoals gezegd kan er ook sprake zijn van loon als het voordeel door een ander dan de werkgever is verstrekt. Er is dan alleen sprake van belast loon, als het voordeel is verstrekt in opdracht van en voor rekening van de werkgever. De Belastingdienst heeft geen feiten gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die erop wijzen dat de werkgever uiteindelijk de rekening heeft betaald, bijvoorbeeld door de schenker in privé te compenseren. De enkele wetenschap van de schenking bij de werkgever van de directeur doet aan het voorgaande niet af: die wetenschap maakt nog niet dat de werkgever ook de opdracht heeft gegeven en de rekening heeft betaald.
De rechter oordeelt ten slotte dat er ook geen sprake is van fooien en dergelijke prestaties van derden. Om daarvan te kunnen spreken, is namelijk vereist dat sprake is van prestaties die kunnen worden beschouwd als vergoeding, in ruime zin, voor hetgeen de werknemer als zodanig heeft verricht. De Belastingdienst heeft niet aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake is geweest en dat de aandelen dus de vergoeding zijn voor werkzaamheden die de directeur heeft verricht.
Partijen zijn het erover eens dat de directeur door de schenking is bevoordeeld. Dat de directeur in dienstbetrekking is bij het concern en geen nauwe, persoonlijke relatie met de schenker heeft, maakt op zichzelf niet dat daardoor de schenking een vergoeding vormt voor bepaalde prestaties die de directeur heeft verricht. Hoewel de directeur sinds geruime tijd bij het concern werkzaam is, is opgeklommen tot directeur en ten tijde van de schenking in die functie bij het concern werkzaam was – en de rechter aannemelijk acht dat de schenker onder die omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat de directeur de meest geschikte bedrijfsopvolger is – heeft de Belastingdienst daarmee niet aannemelijk gemaakt dat het overheersende motief voor de schenking de bedoeling is geweest om de directeur te bevoordelen voor diens prestaties.
Conclusie
De rechter leidt uit hetgeen partijen hebben aangevoerd, de notariële akte van levering en de feitelijke gang van zaken af dat de schenking in ieder geval voor een belangrijk deel is ingegeven met het oog op de continuïteit van de onderneming van het concern, vooral nu in de notariële akte een doorgeefverplichting is opgenomen. De getuigenverklaringen van de schenker vormen hier ook een bevestiging van.
Het beroep is gegrond. Daarom vermindert de rechter het inkomen waarop de aanslag inkomstenbelasting was gebaseerd met € 7.800.000 tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 233.836. Verder moet de Belastingdienst het griffierecht vergoeden en krijgt de directeur een vergoeding van zijn proceskosten.
Let op: Dat de belastingheffing vanwege de bedrijfsopvolgingsregelingen zeer laag zou zijn als hier sprake was van een schenking, stond wel vast. Maar het was spannend of de rechter het standpunt van de Belastingdienst, dat sprake was van loon uit dienstbetrekking, zou volgen.
Een doktersassistente in opleiding heeft een arbeidsovereenkomst voor een jaar. Ze sluit ook een studieovereenkomst met een 100% tegemoetkoming van haar studiekosten en een terugbetalingsregeling. Na negen maanden krijgt ze te horen dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd en dat ze de studiekostenvergoeding moet terugbetalen. Is dat laatste terecht?
Deze zaak gaat over de vraag of de werkgever bij het einde van het dienstverband terecht de ten behoeve van de assistente betaalde studiekosten heeft verrekend met het loon dat nog aan haar toekwam.
Volgens de assistente is de terugbetalingsverplichting uit de studiekostenovereenkomst nietig.
Partijen zijn het er over eens dat er geen wettelijk voorschrift bestaat dat het volgen van de opleiding tot doktersassistente verplicht stelt voor het kunnen uitoefenen van de functie. In die zin is de opleiding dus niet noodzakelijk.
Maar naar het oordeel van de rechter heeft het begrip “noodzakelijk” hier een ruimere strekking. Een werkgever die vindt dat de werknemer bijvoorbeeld het Engels beter moet beheersen om de functie te kunnen uitvoeren en dus scholing aanbiedt, moet dat kosteloos doen omdat deze werkgever die cursus kennelijk noodzakelijk vindt. Met andere woorden, scholing die in opdracht van de werkgever moet worden gevolgd is noodzakelijke scholing en dient dus kosteloos te zijn voor de werknemer.
De assistente stelt dat de werkgever de opleiding tot doktersassistente verplicht heeft gesteld. De werkgever is het daar niet mee eens. De rechter onderzoekt het en vindt het op basis van verklaringen en een brief aannemelijk dat de assistente gelijk heeft. In de ogen van de werkgever was de opleiding dus noodzakelijk voor het uitoefenen van de functie van doktersassistente. Dat de assistente wellicht zelf die opleiding ook graag wilde volgen, maakt dat niet anders.
Conclusie
De conclusie is dat het hier gaat om een opleiding die noodzakelijk is voor het verrichten van de functie. Dat betekent dat de werkgever die opleiding kosteloos moet aanbieden. Het studiekostenbeding is met die verplichting in strijd voor zover daarin kosten worden teruggevorderd en is dus nietig. Het door de assistente gevorderde bedrag ad € 2.010,95 netto zal daarom worden toegewezen.
Let op: Volgens de rechter is scholing die in opdracht van de werkgever wordt gevolgd noodzakelijke scholing. Deze dient kosteloos te zijn voor de werknemer.
Een particulier huurt een woning en staat op het adres van deze woning ingeschreven bij de gemeente. De particulier bezit een recreatiewoning op een park. Voor de inkomstenbelasting is dit volgens hem een eigen woning in box 1. De Belastingdienst bestrijdt dat en plaatst de woning in box 3. Hoe oordeelt de rechter?
Eigen woning
Volgens de wet is een eigen woning een (gedeelte van een) gebouw dat aan de belastingplichtige of personen die tot zijn huishouden behoren, als hoofdverblijf ter beschikking staat. Het begrip hoofdverblijf is synoniem voor de centrale levensplaats. Waar deze centrale levensplaats gelegen is, moet naar de omstandigheden worden beoordeeld. Het gaat daarbij om het antwoord op de vraag waar zich het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de belastingplichtige bevindt. Waar een belastingplichtige staat ingeschreven kan daarvoor een aanwijzing zijn maar dat is niet van doorslaggevend belang.
Op de particulier rust de last aannemelijk te maken dat zijn recreatiewoning voor de inkomstenbelasting is aan te merken als eigen woning. Daarin is de particulier niet geslaagd.
Het is niet aannemelijk geworden dat het middelpunt van de persoonlijke en economische belangen van de particulier zich in de recreatiewoning bevond. De rechtbank weegt daarin mee dat tegenover de stelling van de particulier dat hij zich in het jaar meestal bevindt in de recreatiewoning, de Belastingdienst er op heeft gewezen dat het merendeel van de uitgaven in het jaar zijn gedaan in en rondom de huurwoning, dat de woning wordt gehuurd om dicht bij de kinderen en kleinkinderen te kunnen zijn, en op het verschil in energieverbruik dat doorslaat naar de huurwoning. Voorts is van belang dat de Belastingdienst heeft gewezen op sociale activiteiten van de particulier bij de huurwoning en waarvan geen sprake lijkt te zijn bij de recreatiewoning.
Conclusie
Dit leidt tot het oordeel dat de Belastingdienst de recreatiewoning terecht niet als eigen woning heeft aangemerkt.
Let op: Het verschil in fiscale behandeling tussen een woning in box 3 en box 1 is groot. Daarom is het goed u te realiseren wanneer een woning fiscaal een eigen woning in box 1 is.
Ambtenaren die op dienstreis zijn, hebben op basis van de cao Rijk onder voorwaarden recht op verblijfkostenvergoedingen. Deze vergoedingen zijn tot bepaalde bedragen vrijgesteld. Een werkgever die niet gebonden is aan de cao Rijk kan deze vergoedingen onder dezelfde voorwaarden met dezelfde fiscale gevolgen toekennen aan zijn werknemers, mits deze werknemers vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren als ambtenaren op dienstreis. Hoe zit dat?
1 Dezelfde vergoeding betalen?
Moet een werkgever, om in aanmerking te komen voor dezelfde fiscale gevolgen, dezelfde vergoedingen betalen aan zijn werknemers zoals voorgeschreven in de cao Rijk?
Nee. Voor toepassing van dezelfde gericht vrijgestelde bedragen is immers niet vereist dat de werknemer vanuit vergoedingsoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis.
Voorbeeld 1
Een werknemer heeft recht op een lunchvergoeding van € 15 voor iedere periode van 12.00 uur tot 14.00 uur die binnen een dienstreis valt. De dienstreis duurt minimaal vier uur, de bestemming ligt in een andere gemeente en de werknemer heeft verklaard dat hij daadwerkelijk lunchkosten heeft gemaakt (in een gelegenheid die daarvoor is bedoeld). Een ambtenaar op dienstreis heeft onder die voorwaarden recht op een lunchvergoeding van € 22,19. Hiervan is € 12,97 (2026) gericht vrijgesteld. De betreffende werkgever kan dit bedrag (€ 12,97) gericht vrijgesteld vergoeden aan de werknemer, als hij aannemelijk maakt dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis.
Voorbeeld 2
Een werknemer heeft recht op een lunchvergoeding van € 10 voor iedere periode van 12.00 uur tot 14.00 uur die binnen een dienstreis valt. De dienstreis duurt minimaal vier uur, de bestemming ligt in een andere gemeente en de werknemer heeft verklaard dat hij daadwerkelijk lunchkosten heeft gemaakt (in een gelegenheid die daarvoor is bedoeld). De betreffende werkgever kan dit bedrag (€ 10) gericht vrijgesteld vergoeden aan de werknemer als hij aannemelijk maakt dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis.
2 Vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden?
Wanneer verkeert een werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden als een ambtenaar op dienstreis?
Vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeren houdt in dat de werknemer met dezelfde soort kosten wordt geconfronteerd. Dit is aannemelijk als sprake is van gelijkenis van werkzaamheden onder soortgelijke omstandigheden. De aard van de functie is dus van belang (zie de functies binnen het functiegebouw van de Rijksoverheid). Ook moet sprake zijn van een dienstreis. In de cao Rijk wordt een dienstreis gedefinieerd als ‘een door de werkgever noodzakelijk geachte reis en verblijf in verband met het verrichten van werkzaamheden op een andere locatie dan de eigen werklocatie.’ Of aan deze voorwaarden wordt voldaan, hangt af van de feiten en omstandigheden en staat ter beoordeling van de inspecteur.
Voorbeeld 3
Een bouwvakker is voor een periode van vier weken werkzaam aan een project op een locatie binnen een andere gemeente. Een bouwvakker wordt in zijn algemeenheid geconfronteerd met andere kosten, omdat hij zijn werkzaamheden onder andere omstandigheden verricht dan een ambtenaar. Hij zal bijvoorbeeld op de bouwplaats zelf lunchen. De bouwvakker verkeert ‘vanuit kostenoogpunt daarom dan niet in gelijke omstandigheden als een ambtenaar op dienstreis’. Bovendien zou in dit voorbeeld de vraag gesteld kunnen worden of überhaupt sprake is van een dienstreis. Dit staat ter beoordeling van de inspecteur.
3 Daadwerkelijk kosten maken?
Is een werknemer verplicht om tijdens een dienstreis daadwerkelijk kosten te maken om in aanmerking te komen voor dezelfde fiscale gevolgen als die gelden voor de cao Rijk?
Een werknemer verkeert vanuit kostenoogpunt niet in gelijke omstandigheden als hij (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt. Het is echter niet noodzakelijk dat de daadwerkelijk gemaakte kosten gelijk zijn aan de (gericht vrijgestelde) vergoeding.
Voorbeeld 4
Een werknemer heeft recht op een vergoeding van € 8 voor kleine uitgaven overdag in het geval van een dienstreis naar een andere gemeente van minimaal vier uur. Een ambtenaar op dienstreis heeft onder die voorwaarden recht op een vergoeding van € 7,35. Hiervan is € 6,56 (2026) gericht vrijgesteld. De werkgever kan dit bedrag (€ 6,56) gericht vrijgesteld vergoeden aan de werknemer als hij aannemelijk maakt dat de werknemer vanuit kostenoogpunt in gelijke omstandigheden verkeert als een ambtenaar op dienstreis. Hiervan is geen sprake als de werknemer tijdens de dienstreis daadwerkelijk (nagenoeg) geen verblijfkosten maakt.
4 Overzicht vergoedingen verblijfkosten binnenland
In paragraaf 10.2 van de CAO Rijk leest u meer over de vergoedingen voor verblijfskosten binnenland. Hieronder vindt u de bedragen die gelden vanaf 1 januari 2026.
In paragraaf 10.3 van de CAO Rijk leest u meer over de vergoedingen voor dienstreizen naar het buitenland. Deze vergoedingen hebben betrekking op gemaakte kosten voor maaltijden, logies en kleine uitgaven tijdens de dienstreis. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de tijdelijke verblijfplaats. Deze verblijfskostenvergoedingen zijn gericht vrijgesteld.
Let op: Als u de kosten van een overnachting niet aannemelijk kunt maken, mag u een vergoeding van € 11,34 geven voor maximaal 4 overnachtingen per dienstreis. Deze vergoeding is niet gericht vrijgesteld. U kunt dit loon wel als eindheffingsloon aanwijzen.
Het kabinet wil dat belastingplichtigen belasting gaan betalen over hun werkelijke inkomsten uit vermogen. Het wil op 1 januari 2028 een nieuw stelsel voor box 3 invoeren. Dat staat in het voorstel voor de Wet werkelijk rendement box 3. Op 12 februari jongstleden is dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer aangenomen. Maar er is ook een belangrijke motie aangenomen.
Wat voorstel voor nieuwe box 3-heffing betekent
Met het voorstel voor een nieuw stelsel voor box 3 wil het kabinet:
Hoe werkelijk rendement wordt berekend
Het werkelijke rendement wordt berekend door de werkelijke inkomsten over bezittingen bij elkaar op te tellen en schulden en kosten daarvan af te trekken.
Eigen woning wordt niet belast in nieuwe box 3
De eigen woning waarin iemand woont, wordt niet belast in de nieuwe box 3 Het hoofdverblijf blijft belast in box 1. Huiseigenaren betalen belasting op basis van de waarde van hun woonhuis. Dit zogenoemde eigenwoningforfait is een percentage van de WOZ-waarde. Ze mogen kosten voor hun eigen woning hiervan aftrekken. Bijvoorbeeld de rente die ze betalen over hun hypotheek of lening (de hypotheekrenteaftrek).
Ook de overwaarde op een eigen woning wordt niet belast in de nieuwe box 3. Wel als de overwaarde op de bank wordt gezet. Dan gaan belastingplichtigen over de rente daarop belasting betalen. De overwaarde zelf wordt niet belast.
Motie: wijziging uiterlijk per 1 januari 2029
Bij de behandeling van het wetsvoorstel is een motie aangenomen die vaststelt dat een meerderheid van de Kamer van mening is dat een vermogenswinstbelasting voor alle beleggingscategorieën wenselijk is en dat ook in het coalitieakkoord is afgesproken toe te bewegen naar een vermogenswinstbelasting.
De motie verzoekt het kabinet zo snel als mogelijk maar uiterlijk bij het Belastingplan 2029 een nieuw box 3-stelsel gebaseerd op vermogenswinstbelasting te presenteren. De vraag is nu dus wanneer de vermogensaanwasbelasting van tafel gaat.
Tip: Volg de stand van zaken van het wetsvoorstel voor het werkelijke rendement op de website van de Eerste Kamer.
Als u een werknemer na twee jaar ziekte of arbeidsongeschiktheid wilt ontslaan, betaalt u vaak een transitievergoeding. Vanaf 1 juli 2026 krijgen mogelijk alleen kleine werkgevers nog compensatie voor deze vergoeding. Grotere werkgevers kunnen na deze datum nog steeds compensatie aanvragen. Of zij die krijgen, hangt af van hun situatie.
Wanneer kleine werkgever?
De Belastingdienst bepaalt ieder jaar of een werkgever klein, middelgroot of groot is. In de brief over de gedifferentieerde premie Whk die u van de Belastingdienst ontvangt, staat in welke categorie u valt. Vanaf 1 juli 2026 gebruikt het UWV deze indeling van de Belastingdienst om te beoordelen of u een kleine werkgever bent.
Compensatie voor middelgrote en grote bedrijven
Middelgrote en grote bedrijven kunnen dan alleen nog compensatie bij langdurige arbeidsongeschiktheid krijgen als de twee jaar verplichte loondoorbetaling vóór 1 juli 2026 eindigt. Is dat voor u het geval? Dan mag u de compensatie ook nog na deze datum aanvragen. Als de 2 jaar verplichte loondoorbetaling op of na 1 juli 2026 eindigt, krijgt u geen compensatie.
Compensatie bij bedrijfsbeëindiging
De compensatieregeling bij bedrijfsbeëindiging geldt al alleen voor kleine werkgevers. Maar vanaf 1 juli 2026 gaat het UWV misschien anders beoordelen of u een kleine werkgever bent.
Heeft u voor 1 juli voor het eerst ontslag aangevraagd voor uw werknemer bij het UWV of bij de kantonrechter? Dan bent u een kleine werkgever als u in de tweede helft van het jaar voor uw ontslagaanvraag, gemiddeld maximaal 25 werknemers in dienst had.
Ligt de datum van de eerste ontslagaanvraag na 1 juli 2026? Dan gebruikt het UWV de indeling van de Belastingdienst om te beoordelen of u een kleine werkgever bent.
Let op: Het is nog niet zeker dat de nieuwe regels voor compensatie van de transitievergoeding op 1 juli aanstaande ingaan. De Tweede en Eerste Kamer moeten het wetsvoorstel nog behandelen en goedkeuren. Wanneer zij dat gaan doen, is niet bekend. De wet gaat pas definitief in na publicatie in het Staatsblad of de Staatscourant.
Een echtpaar heeft een woning laten bouwen. De man is advocaat en heeft een eigen BV waarvoor hij regelmatig in zijn werkkamer thuis werkt. De garage wordt voor 79% zakelijk gebruikt. Het echtpaar verhuurt de werkkamer en de garage aan de BV voor € 8.400, exclusief BTW, per jaar. Het echtpaar heeft de volledige BTW op de bouwkosten van de werkkamer en 79% van de BTW op de bouwkosten van de garage in aftrek gebracht. De Belastingdienst heeft die aftrek, ruim € 30.000, geweigerd. Hoe oordeelt het Gerechtshof, nadat de rechtbank de Belastingdienst in het gelijk heeft gesteld?
Vormt de verhuur van de werkkamer en de garage een economische activiteit?
Met de rechtbank concludeert het hof dat het echtpaar optreedt in het economische verkeer en tegen een zakelijke en rechtstreekse, marktconforme vergoeding een dienst verleent aan de BV.
Bestaat een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de bouw van de werkkamer en de garage en de economische activiteit?
Er bestaat alleen recht op aftrek van de BTW in de bouwkosten wanneer vaststaat dat de uitgaven ten behoeve van belastbare economische activiteiten zijn gedaan.
Het echtpaar heeft weliswaar erkend dat de woning ook zonder de werkkamer zou zijn gebouwd, maar dit staat volgens het hof niet aan het vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband in de weg. Het echtpaar heeft van meet af aan de intentie gehad om een deel van de woning voor zakelijk gebruik te bestemmen en dit deel tegen vergoeding ter beschikking te stellen aan de BV. Dit is voldoende om in aanmerking te komen voor aftrek van BTW voor zover de woning voor belaste doeleinden zal worden gebruikt. Het echtpaar heeft consequent verklaard dat de keuken minder groot is uitgevallen omdat bij het ontwerpen van de woning rekening moest worden gehouden met de werkkamer en met de mogelijkheid om de garage (deels) zakelijk te gebruiken en ter beschikking te stellen aan de BV voor stalling van de auto van de zaak. Het echtpaar heeft de BTW ook slechts in aftrek gebracht voor zover deze toerekenbaar is aan de bouw van de te exploiteren delen.
Is de verhuur belast dan wel vrijgesteld?
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat een optie belaste verhuur mogelijk is. De wet maakt het mogelijk om te kiezen voor belaste verhuur indien de verhuur betreft onroerende zaken, andere dan gebouwen en gedeelten van gebouwen welke als woning worden gebruikt. De laatste bijzin heeft betrekking op zowel gehele gebouwen als op gedeelten daarvan. Dat brengt mee dat voor gedeelten van gebouwen die niet als woning worden gebruikt, gekozen kan worden voor belaste verhuur. Dit geldt ook indien het, zoals hier, gaat om onzelfstandige gedeelten van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt.
Het is in het algemeen niet goed voorstelbaar dat een onzelfstandige ruimte van een woning uitsluitend zakelijk wordt gebruikt. Denkbaar is dat de advocaat de werkkamer ook gebruikt om privécorrespondentie af te handelen, en de garage wordt sowieso gemengd gebruikt. Daaraan kan niet de conclusie worden verbonden dat een optie belaste verhuur van een werkkamer nooit mogelijk is. De werkkamer en garage zijn onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en vormen in feite één geheel. Nu dit geheel hoofdzakelijk door de BV wordt gebruikt en anders dan als woning, is het hof van oordeel dat een optie belaste verhuur mogelijk is. Het privégebruik zal ondergeschikt zijn aan het zakelijke gebruik.
Tot slot merkt het hof op dat bij afwisselend gebruik door verschillende gebruikers en bij gelijktijdig verschillend gebruik de vraag opkomt of voor de heffing van BTW wel sprake is van verhuur. Indien de prestatie geen verhuur is omdat de exclusiviteit ontbreekt, is sprake van een dienst die niet onder een vrijstelling valt en dus belast is. Ook als geen sprake zou zijn van verhuur is het gelijk aan het echtpaar.
Conclusie
Het gerechtshof stelt het echtpaar volledig in het gelijk. De Belastingdienst moet alsnog ruim € 30.000 BTW terugbetalen.
Let op: Interessant dat het Gerechtshof over deze situatie toch milder oordeelt dan de Belastingdienst en de rechtbank. Het echtpaar had de feiten met het oog op de BTW-aftrek dan ook vanaf het begin keurig op orde. En dat loonde dus.