Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Wij zijn telefonisch bereikbaar op +31 20 442 1170
Onlangs zijn in de landelijke pers enkele scenario’s naar voren gebracht om belasting in box 3 te ontwijken. Ongeruste Kamerleden hebben hierover vragen gesteld aan de Staatssecretaris van Financiën, die inmiddels zijn beantwoord. We bespreken de scenario’s en de reactie daarop.
Vraag en antwoord bij scenario 1: rentebetaling naar voren halen
Vraag: Klopt het dat een belastingplichtige met veel spaargeld een deel van de box 3-heffing in het overbruggingsstelsel (tot de invoering van de het stelstel op basis van werkelijk rendement) kan ontwijken door rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te laten betalen en in jaren waarin weinig rente wordt uitgekeerd gebruik te maken van de tegenbewijsregeling?
Antwoord: Bij sommige banken is het mogelijk om via het opzeggen van een spaarrekening de uitbetaling van maximaal één rentetermijn naar voren halen, zodat deze nog in december plaatsvindt in plaats van in januari van het volgende jaar. Tot de invoering van het stelsel op basis van werkelijk rendement, voorzien per 1 januari 2028, zou dit dan een belastingvoordeel kunnen opleveren.
Vraag en antwoord bij scenario 2a: verkoop toekomstige huurtermijnen
Vraag: Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door huurtermijnen te verkopen, al dan niet aan een eigen bv?
Antwoord: De suggestie is dat een belastingplichtige in het huidige box 3-stelsel door middel van een verkoop van huurtermijnen de inkomsten van meerdere toekomstige jaren in één jaar zou kunnen laten vallen. De belastingplichtige zou in dat jaar kunnen kiezen voor het (lagere) forfaitaire rendement en in de andere jaren voor het werkelijke rendement, omdat er in die andere jaren geen of minder inkomsten zouden zijn.
Deze ontwijkingsroute is niet mogelijk. Een verkoop van huurtermijnen leidt namelijk tot een jaarlijkse vermogensaanwas bij de verhuurder. Dit betekent dat het rendement toch over de looptijd van de overgedragen huurtermijnen wordt verdeeld.
Een overdracht van huurtermijnen leidt bij de verhuurder tot een verlaging van de grondslag voor de box 3-heffing ter grootte van de contante waarde van de overgedragen huurtermijnen. De verlaging van de grondslag van de box 3-heffing wordt veroorzaakt doordat de overdracht van de huurtermijnen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaken verlaagt, hetzij als waardedrukkend 'genotsrecht', hetzij als met de bezitting samenhangende schuld, hetzij als reguliere schuld.
In het jaar van overdracht staat tegenover deze verlaging van de grondslag een dienovereenkomstige verhoging in de vorm van de koopsom voor de toekomstige huurtermijnen.
Elk jaar dat de huurovereenkomst voortduurt, daalt de contante waarde van de overgedragen toekomstige huurtermijnen, omdat er minder overgedragen huurtermijnen over zijn. Dat leidt jaarlijks tot een stijging van de grondslag van de box 3-heffing bij de verhuurder. Daarom werkt deze ontwijkingsroute niet.
Vraag en antwoord bij scenario 2b: vooruitbetaling van huur
Vraag: Denkt u dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt de box 3-heffing gedeeltelijk kan ontwijken door een huurder simpelweg de huur vooruit te laten betalen?
Antwoord: Een verhuurder kan aan zijn huurder vragen om de huur vooruit te betalen met als doel om zo min mogelijk huurinkomsten te laten vallen in een belastingjaar waarin de verhuurder van plan is om gebruik te maken van de tegenbewijsregeling.
Huurders hebben hier in principe geen belang bij en zullen ook lang niet altijd de financiële middelen hebben om de huur lange tijd vooruit te betalen. Verder is van belang dat box 3 niet van toepassing is bij verhuur aan de eigen bv. In dat geval is namelijk de terbeschikkingstellingsregeling van box 1 van toepassing. Dat betekent dat de inkomsten van de verhuurder niet in box 3, maar in box 1 worden belast.
Bij een vooruitbetaling van de huur voor een langere periode dan een jaar is de nihilwaardering van het genotsrecht van de huurder die voor de meeste huurovereenkomsten geldt, niet meer van toepassing en moet de huurder een bezitting in de vorm van een genotsrecht opgeven in box 3. De verhuurder heeft in dat geval in het jaar van de vooruitbetaling niet alleen een regulier voordeel (de vooruitbetaalde huur), maar ook een negatieve vermogensaanwas als gevolg van een waardedaling van zijn vermogen. De waarde van het vermogen van de verhuurder neemt vervolgens gedurende de looptijd van de vooruitbetaling steeds toe. Deze waardestijging wordt jaarlijks in de heffing betrokken als vermogensaanwas.
Toch aanpassing overgangsrecht
Vraag: Klopt het dat een belastingplichtige die woningen bezit en verhuurt zijn reguliere inkomsten in de eerste jaren van het nieuwe stelsel voor box 3 (onder de Wet werkelijk rendement) kan minimaliseren door toekomstige huurtermijnen te verkopen of huur vooruit te laten betalen, waardoor het voordeel wordt genoten onder het overbruggingsstelsel en dus over het forfaitair rendement belasting kan worden betaald in plaats van over het werkelijk rendement? Ziet u mogelijkheden om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan?
Antwoord: Er is overgangsrecht opgenomen in het toekomstige stelsel voor box 3 (Wet werkelijk rendement box 3) dat aan de ene kant als doel heeft om deze vorm van belastingontwijking tegen te gaan en aan de andere kant moet voorkomen dat er een dubbele heffing plaatsvindt. In het kader van de berichtgeving en deze Kamervragen is dat overgangsrecht nogmaals zorgvuldig bekeken. Dat heeft geleid tot de conclusie dat er een kleine aanpassing nodig is. Het waardedrukkende effect van op onroerende zaken gevestigde genotsrechten wordt in aanmerking genomen bij het bepalen van de inbrengwaarde van onroerende zaken in de vermogenswinstbelasting per 1 januari 2028.
Let op: De wijzigingen van de regelgeving rond box 3 zullen de gemoederen nog geruime tijd bezig houden. We houden u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen.
In 2022 en 2023 was de belastingrente over te betalen vennootschapsbelasting 8%. Bij andere belastingen was de rente 4%. Hiertegen heeft een onderneming zich verzet. De rechtbank heeft het bedrijf in het gelijk gesteld en de rente gecorrigeerd naar 4%. Het Ministerie van Financiën heeft de zaak vervolgens aan de Hoge Raad voorgelegd, die onlangs uitspraak heeft gedaan.
De Hoge Raad onderzoekt of het percentage van de belastingrente terecht alleen bij belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting is verhoogd tot acht.
De Hoge Raad overweegt in de eerste plaats dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting en belastingplichtigen voor andere belastingen met het oog op de berekening van belastingrente zijn te beschouwen als gelijke gevallen.
Kort gezegd veegt de Hoge Raad vervolgens de vloer aan met alle argumenten die het Ministerie aanvoert voor deze selectieve verhoging. De Hoge Raad heeft geen gronden kunnen vinden die het hogere belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting zouden kunnen rechtvaardigen.
Voor de selectieve renteverhoging voor vennootschapsbelastingplichtigen ontbreken dus redelijke rechtvaardigingsgronden. Er is een lastenverzwaring doorgevoerd waardoor extra lasten op het gebied van de belastingrente zonder goede grond bij slechts één groep belastingplichtigen zijn gelegd. Dat in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en bovendien met het gelijkheidsbeginsel. De regeling is daarom onverbindend en moet als gevolg daarvan buiten toepassing blijven. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de belastingrente in dit geval moet worden berekend op basis van een percentage van 4.
De Hoge Raad geeft, gezien de vele procedures die over deze kwestie lopen, ook nog aan dat het voor de vennootschapsbelasting geldende percentage van de belastingrente moet worden bepaald op het percentage dat ook geldt voor andere belastingen.
Let op: De uitspraak heeft verstrekkende gevolgen. Ook na 2023 was de belastingrente voor vennootschapsbelasting hoger vastgesteld dan voor andere belastingen. De landelijke pers spreekt over een bedrag van 1,3 miljard euro dat ondernemers teveel hebben betaald door deze onrechtmatige regelgeving.
Hebt u in 2025 bedragen aan iemand betaald die niet als ondernemer bij u werkt en ook niet bij u in (fictieve) dienstbetrekking is? Dan moet u de gegevens over deze uitbetaalde bedragen aan derden (UBD) vóór 1 februari 2026 aanleveren aan de Belastingdienst.
De Belastingdienst maakt onderscheid tussen 2 verschillende soorten uitbetalers:
Inhoudingsplichtige uitbetaler
U bent een inhoudingsplichtige uitbetaler als u een loonheffingennummer hebt en aangifte loonheffingen moet doen.
Verplicht gegevens aanleveren
Bent u een inhoudingsplichtige uitbetaler, dan bent u verplicht om gegevens over uitbetaalde bedragen aan derden te registreren. De gegevens rond de uitbetaling in 2025 moet u vóór 1 februari 2026 aanleveren. Inhoudingsplichtige uitbetalers die bij de Belastingdienst bekend zijn vanwege eerdere UBD-aanleveringen, ontvangen hiervoor een uitnodiging. Maar ook zonder uitnodiging bent u als inhoudingsplichtige uitbetaler verplicht om deze gegevens aan te leveren.
Welke gegevens aanleveren?
U moet de volgende gegevens aanleveren:
En van de persoon aan wie u hebt uitbetaald:
Hebt u die laatste 4 gegevens nog niet? Vraag deze dan alsnog op.
Niet-inhoudingsplichtige uitbetaler
U bent een niet-inhoudingsplichtige uitbetaler als u geen loonheffingennummer hebt.
Alleen met uitnodiging gegevens aanleveren
Bent u een niet-inhoudingsplichtige uitbetaler, dan hoeft u alleen de gegevens over uitbetaalde bedragen aan derden te registreren en aan te leveren als u een uitnodiging van de Belastingdienst hebt ontvangen.
Geen burgerservicenummer
U levert dezelfde gegevens aan als de inhoudingplichtige uitbetaler met uitzondering van het bsn van personen aan wie u bedragen hebt uitbetaald.
Let op: In tegenstelling tot de inhoudingsplichtige uitbetaler mag u als niet-inhoudingsplichtige uitbetaler het bsn van personen aan wie u bedragen hebt uitbetaald niet vastleggen. U mag het bsn dus ook niet aanleveren.
Een technologiebedrijf levert IT-diensten en oplossingen aan opdrachtgevers. De werknemers werken bij opdrachtgevers. Als de opdracht eindigt, gaan werkgever en werknemer op zoek naar een nieuwe opdracht. In de tussentijd zit de werknemer op de bank en wordt zijn loon met emolumenten doorbetaald. Als dat voor een werknemer te lang duurt, wil de werkgever de overeenkomst om deze reden ontbinden. De werknemer verzet zich.
Standpunt werknemer
De werknemer voert aan dat hij tot maart 2025 werkzaam was voor een vaste opdrachtgever en dat deze opdracht zonder reden is geëindigd. Sindsdien heeft de werkgever niets gedaan om hem opnieuw te plaatsen. Omdat de werkgever niet voldaan heeft aan zijn inspanningsverplichting, dient de verzochte ontbinding te worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt de werknemer naast de transitievergoeding ook om toekenning van een billijke vergoeding, omdat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
Overwegingen rechter
Vast staat dat de inspanningen van werkgever en werknemer niet geleid hebben tot plaatsing van de werknemer bij een volgende opdrachtgever. Omdat de werknemer inmiddels meer dan 9 maanden op de bank zit, is de conclusie gerechtvaardigd dat de mogelijkheid om de werknemer commercieel in te zetten ondermaats is gebleven. Onderwerp van debat tussen partijen is of de ondermaatse inzetbaarheid het gevolg is van gebrek aan inspanningen van de werkgever of van de werknemer zelf.
De meest vergaande stelling van de werknemer houdt in dat de ondermaatse plaatsing voor rekening en risico van de werkgever komt, waarmee hij, zo begrijpt de kantonrechter, bedoelt dat de werkgever hem in dienst moet houden ook als plaatsing bij opdrachtgevers niet lukt. De vraag is dan of de werkgever zich voldoende heeft ingespannen om de werknemer bij opdrachtgevers te plaatsen. Daarbij gaat het om hetgeen in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kon worden gevergd. Inherent aan de indiensttreding bij de werkgever is immers dat de plaatsingsmogelijkheden beperkt zijn tot de opdrachten die de werkgever in portefeuille krijgt. Verder heeft de werkgever het niet in haar macht opdrachtgevers te dwingen voor de werknemer te kiezen.
Gemiddeld zit een werknemer tussen opdrachten 6 weken op de bank. Voor de werkgever is een thuis zittende werknemer die volledig doorbetaald krijgt een verliespost. De werkgever heeft er dan ook belang bij om een thuiszitter zo snel mogelijk weer aan het werk te krijgen en als dat niet lukt, om de arbeidsrelatie te beëindigen. Na zeven weken heeft de werkgever de werknemer uitgenodigd voor een gesprek over zijn status als ‘bankzitter’ en hoe verder. Na deze meeting ontving de werknemer een concept vaststellingsovereenkomst. Dat de werkgever in een voor de werknemer vroeg stadium aanstuurde op een beëindiging van de arbeidsrelatie kan haar niet worden tegengeworpen. Bovendien had de werknemer de mogelijkheid om de aangeboden vaststellingsovereenkomst af te wijzen, wat hij heeft gedaan.
Uit het voorgaande volgt dat de werkgever een redelijke grond heeft om de arbeidsovereenkomst met de werknemer te laten ontbinden. Vast staat dat sprake is van ondermaatse plaatsing. De werknemer is immers al ten minste 9 maanden inactief. Gelet op de zwaarte van de functie en de hoogte van het salaris (bijna € 10.600 per maand exclusief emolumenten) kan van de werkgever in redelijkheid niet gevergd worden dit ‘papieren dienstverband‘ langer te laten voortduren.
Voor ontbinding is vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Nu de werknemer al meer dan 9 maanden thuis zit, terwijl er voldoende passende functies voorhanden waren, valt niet in te zien dat een herplaatsing binnen redelijke termijn zal lukken.
Conclusie rechter
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 februari 2026, de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. De werknemer heeft recht heeft op de wettelijke transitievergoeding. Maar de rechter kent aan de werknemer geen billijke vergoeding toe. In dit geval is immers geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Let op: Een hooggekwalificeerde werknemer bij een detacheerder in de IT wordt, terwijl er voldoende opdrachten beschikbaar waren, gedurende negen maanden niet geselecteerd door opdrachtgevers. Dat vormt in deze zaak voldoende grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Ondernemers krijgen in 2026 meer ruimte om met belastingvoordeel te investeren in energiezuinige technieken. Hiervoor is € 460 miljoen beschikbaar, een verhoging van € 29 miljoen vergeleken met 2025. De Energie-investeringsaftrek (EIA) stimuleert energiebesparing, CO2-vermindering en duurzame economische groei. Wat zijn de opvallendste wijzigingen in de Energielijst voor 2026?
De basis van de EIA is de Energielijst, met daarop verschillende innovatieve, energiebesparende en duurzame energietechnieken. Bedrijven die investeren in bedrijfsmiddelen van de Energielijst hebben belastingvoordeel, omdat ze 40% van de investeringskosten mogen aftrekken van hun fiscale winst. Ondernemers vragen het belastingvoordeel aan bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). RVO past de Energielijst elk jaar aan. Voor 2026 zijn bedrijfsmiddelen toegevoegd en verwijderd, of zijn de eisen van investeringen aangepast.
1 Bedrijfsgebouwen
Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):
Andere aanpassingen, eisen en voorwaarden
U krijgt in 2026 alleen nog energie-investeringsaftrek voor deze investeringen in bepaalde situaties:
2 Processen
Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):
Andere eisen of omschrijving
U krijgt in 2026 energie-investeringsaftrek voor uw investeringen in bepaalde situaties:
Geen energie-investeringsaftrek meer
U krijgt in 2026 geen energie-investeringsaftrek meer voor deze investeringen:
3 Vervoersmiddelen
Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):
4 Duurzame energie
Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):
Aanpassingen aan eisen en voorwaarden
Voor deze investeringen gelden in 2026 andere eisen om belastingvoordeel te krijgen:
Geen energie-investeringsaftrek meer
U krijgt in 2026 geen energie-investeringsaftrek meer voor deze investeringen:
Energiebalancering en energietransitie
Meer mogelijkheden voor energie-investeringsaftrek
U krijgt in 2026 ook energie-investeringsaftrek voor deze investeringen (nieuw op de Energielijst):
Niet meer onder energiebalancering
Tip: U vindt de Energielijst 2026 op de website van RVO.
Per 1 januari 2026 is de wetgeving rondom de banenafspraak gewijzigd. Werkgevers kunnen makkelijker gebruik maken van het loonkostenvoordeel (LKV) voor de doelgroep banenafspraak. Het loonkostenvoordeel (LKV) is een tegemoetkoming voor werkgevers die oudere werknemers en werknemers met een arbeidsbeperking in dienst hebben of nemen. Ook wordt de doelgroep banenafspraak verbreed. Sommige mensen met een Wajong- of WIA-uitkering vallen sinds 1 januari 2026 onder de doelgroep banenafspraak.
Makkelijker loonkostenvoordeel
Als een werkgever recht heeft op het LKV voor een werknemer uit de doelgroep banenafspraak, is sinds 1 januari 2026 niet langer een doelgroepverklaring nodig. De werkgever kan het LKV krijgen als de werknemer in het doelgroepregister staat. Via het werkgeversportaal van het UWV kan een werkgever zelf zien of een medewerker in het doelgroepregister staat. In de loonaangifte bij de Belastingdienst geeft de werkgever aan het LKV voor de doelgroep banenafspraak te willen ontvangen.
LKV doelgroep banenafspraak structureel
Eerst kon de werkgever het LKV voor werknemers van de doelgroep van de banenafspraak voor maximaal 3 jaar ontvangen. Nu kan de werkgever dit LKV ontvangen zolang de werknemer in dienst is.
Als een werknemer in dienst is gekomen vóór 1 januari 2026 kan nog tot en met 3 maanden na de start van het dienstverband een doelgroepverklaring banenafspraak worden aangevraagd volgens de oude regeling.
Voor 2 groepen werknemers kan de werkgever sinds 1 januari 2026 geen LKV doelgroep banenafspraak meer krijgen:
Doelgroep banenafspraak verbreed
Mensen met een Wajong-uitkering die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben en werken bij een gewone werkgever vallen sinds 1 januari 2026 onder de doelgroep banenafspraak. Ook mensen met een WIA-uitkering die nu en in de toekomst niet of nauwelijks kunnen werken (IVA) en werken met loondispensatie vallen nu onder de doelgroep banenafspraak. Deze groepen staan echter pas vanaf maart 2026 in het doelgroepregister.
Andere voordelen en regelingen
Als een werknemer in het doelgroepregister staat, kan de werkgever ook van andere voordelen en regelingen gebruik maken.
Tip: Hier vindt u meer informatie over het in dienst nemen van iemand uit de doelgroep van de banenafspraak met loonkostenvoordeel.
Voor 2026 trekt de overheid € 155 miljoen uit voor de Milieu-investeringsaftrek (MIA) en de Willekeurige afschrijving milieu-investeringen (Vamil). Hiermee krijgen ondernemers belastingvoordeel als zij investeren in een van de ruim 200 innovatieve en milieuvriendelijke technieken die op de Milieulijst 2026 staan. Op de lijst staan een aantal nieuwe innovatieve technieken. Voor enkele investeringen die al op de Milieulijst stonden, zijn de mogelijkheden uitgebreid.
Met het belastingvoordeel van de MIA/Vamil maakt de overheid investeren in innovatieve, milieuvriendelijke bedrijfsmiddelen extra aantrekkelijk. Jaarlijks doen bedrijven voor € 3 tot 5 miljard aan milieu-investeringen een beroep op de MIA/Vamil. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) voert de regelingen uit.
Investeringen waarvoor ondernemers via de MIA/Vamil belastingvoordeel kunnen krijgen, staan op de Milieu- en Energielijst 2026. Deze krijgt ieder jaar een update: vergeleken met 2025 staan er 12 nieuwe innovatieve investeringen op de lijst, zijn 78 investeringen gewijzigd en 27 investeringen verwijderd. Wat zijn de opvallendste wijzigingen?
1 Verkeer en vervoer (mobiliteit)
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor:
U krijgt geen belastingvoordeel meer voor:
Het is in 2026 niet meer mogelijk MIA en Vamil te combineren met de volgende subsidies:
Daarnaast veranderen een aantal voorwaarden voor belastingvoordeel op:
2 Grondstoffen- en watergebruik
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor:
3 Voedselvoorziening- en landbouwproductie
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor:
U krijgt geen belastingvoordeel meer voor:
Ook veranderen een aantal voorwaarden voor belastingvoordeel op:
4 Klimaat en lucht
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor:
Ook veranderen voorwaarden voor belastingvoordeel op:
5 Bouw (gebouwde omgeving) en klimaatadaptatie
U krijgt nu ook belastingvoordeel voor:
Daarnaast veranderen voorwaarden voor belastingvoordeel op investeringen in:
Tip: De Milieulijst 2026 vindt u op de website van RVO.
Een influencer en vlogger produceert op social media voor eigen rekening unboxing video’s. Het doel is om meer volgers, sponsoren en commissies uit affiliate marketing aan te trekken. Fiscaal is sprake van een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. Zijn de kosten van de zelf aangeschafte kleding en accessoires aftrekbaar? Hierover heeft een kennisgroep van de Belastingdienst een standpunt bepaald.
Drie scenario’s
Nadat de influencer de unboxing video's heeft gemaakt, is het gebruik van de kleding in drie scenario's te onderscheiden:
Vragen
Antwoorden kennisgroep Belastingdienst
Beschouwing bij antwoord 1
De zakelijke functie van de kleding staat vast. De kleding wordt gebruikt voor het produceren van een unboxing video die hiermee een bijdrage levert aan de ondernemingsactiviteiten en de omzetgroei.
Beschouwing bij antwoord 2
Kledingkosten (met uitzondering van kosten voor werkkleding) die ten behoeve van een belastingplichtige zelf zijn gemaakt worden door de wet van aftrek uitgesloten. Onder kleding moeten ook schoeisel en accessoires worden begrepen.
Ten aanzien van scenario’s 1 en 2 is er geen sprake van kledingkosten ‘ten behoeve van de belastingplichtige zelf’ ondanks het feit dat de influencer de kleding op video heeft vertoond door de kleding uit te pakken en zelf te dragen. In de voornoemde scenario’s zijn de kledingkosten gemaakt met het doel om kortstondig bij te dragen aan het produceren van de unboxing video’s, wat een (kern)activiteit is van de eenmanszaak. Van zogenaamd gemengd gebruik is geen sprake in deze scenario’s. De kledingkosten worden in scenario’s 1 en 2 dus niet in aftrek beperkt.
Let op: Bij scenario 2 vervult de kleding na het produceren van de unboxing video’s geen functie meer binnen de onderneming en vindt op dat moment een onttrekking van de kleding naar privé plaats tegen de waarde in het economisch verkeer.
Bij scenario 3 is voor wat betreft het uitpakken en het kortstondig op video dragen van de kleding geen sprake van kledingkosten ‘ten behoeve van de belastingplichtige zelf’. Indien de influencer de kleding vervolgens gebruikt voor ondernemingsdoeleinden anders dan het produceren van unboxing video’s is er mogelijk wel sprake van kledingkosten ‘ten behoeve van de belastingplichtige zelf’.
De kleding vormt geen werkkleding omdat deze niet uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om in het kader van de onderneming te worden gedragen. Deze kleding is juist bedoeld om voor privédoeleinden te worden gedragen.
Beschouwing bij antwoord 3
Het begrip ‘presentator’ betekent ‘het aankondigen en begeleiden van activiteiten van anderen bij een volgende gebeurtenis en niet om activiteiten die primair zijn gericht op het verkopen van goederen of diensten. De unboxing video’s zijn gericht op de influencer zelf en de producten die op video worden getoond. Van het aankondigen en begeleiden van activiteiten van anderen is daarom geen sprake. De influencer/vlogger kan daarom niet worden aangemerkt als een presentator.
Een artiest is iemand die ingevolge een overeenkomst van korte duur als musicus of anderszins als artiest optreedt. Voor een optreden als artiest het vereist is dat een artistieke prestatie wordt geleverd die bestemd is om hetzij middellijk, hetzij onmiddellijk door het publiek te worden beluisterd en/of te worden bezien.
In de Handleiding Loonheffingen van de Belastingdienst zijn de volgende voorbeelden van artiesten opgenomen: conferenciers, leden van bands en orkesten, komieken, zangers, solomusici, acrobaten, goochelaars, buiksprekers, mimespelers, poppenspelers en acteurs. Ook een acteur die wordt ingehuurd om een rol te spelen in een praktijksimulatie voor een opleiding, is een artiest. Geen artiesten zijn: regisseurs, geluids-, opname- en belichtingstechnici, roadies, managers, kleedsters en visagisten.
Het creëren van unboxing video’s wordt niet aangemerkt als een artistieke prestatie. Het overheersende artistieke element ontbreekt, er zijn geen artistieke kwaliteiten vereist en het uitpakken en vertonen van producten waaronder kleding kan naar maatschappelijke opvattingen en spraakgebruik niet als artistiek worden beschouwd. Het feit dat het uitpakken van de kleding wordt opgenomen en via sociale media aan een publiek wordt getoond, maakt het voorgaande niet anders.
De influencer/vlogger kan dus niet als een presentator of een artiest kan worden aangemerkt zodat de aftrekbeperking van kledingkosten van toepassing is.
Voor een fiets die u ook voor privédoeleinden ter beschikking stelt aan een werknemer geldt een bijtelling van 7%. Maar wat als de fiets niet of slechts incidenteel (niet meer dan bijkomstig) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer wordt gestald? De Nieuwsbrief Loonheffingen 2026 geeft het antwoord.
Als de ter beschikking gestelde fiets niet of slechts incidenteel (niet meer dan bijkomstig) bij het woon- of verblijfadres van de werknemer wordt gestald, geldt voortaan een bijtelling van nihil.
Van stallen bij het woon- of verblijfadres is geen sprake als de werknemer, in de periode waarin de fiets zich bij het woon- of verblijfadres bevindt, niet de beschikkingsmacht over de fiets heeft. Stallen bij het woon-of verblijfadres is bijvoorbeeld wel het geval als de fiets voor het huis wordt neergezet en de werknemer de sleutel naar binnen meeneemt. Als een fiets voor de woning bijvoorbeeld kan worden ‘ingeleverd’ via een app, waardoor de fiets daarna niet meer exclusief ter beschikking staat aan de werknemer, kwalificeert dat niet als het stallen van de fiets bij het woon- of verblijfadres.
Voor een fiets die de werknemer wel meer dan bijkomstig (meer dan 10%) thuis stalt, waarbij de fiets voor privé beschikbaar blijft, blijft de bijtelling van 7% gelden.
Let op: Ook voor een ter beschikking gestelde fiets die uitsluitend wordt gebruikt voor de route tussen station en werkplek (zoals een ov-fiets of een hubfiets) geldt een bijtelling van nihil. De maatregel geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020.
Vanaf 1 januari 2026 zal de Belastingdienst weer regulier handhaven op schijnzelfstandigheid. In de Tweede Kamer zijn op 18 december 2025 echter enkele moties aangenomen die om enige verzachting vragen. Gaat het kabinet uitvoering geven aan deze moties en hoe dan?
Toch enige verlenging zachte landing
Het kabinet acht het onwenselijk om de zachte landing in 2026 volledig te verlengen. Maar het kabinet kiest ervoor om de zachte landing in 2026 wel deels te verlengen door ook in 2026 geen verzuimboetes op te leggen en in beginsel te starten met een bedrijfsbezoek. Pas vanaf 1 januari 2027 zullen ook deze elementen van de zachte landing komen te vervallen. Dit betekent dat, ten opzichte van 2025, vanaf 2026 wel vergrijpboetes kunnen worden opgelegd. Het kabinet vindt dit belangrijk, omdat deze boetes alleen worden opgelegd in het geval van opzet of grove schuld. Opzet of grove schuld onbestraft laten is zeer onwenselijk voor de belastingmoraal.
Dit betekent dat in 2026 de volgende zaken wijzigen tegenover 2025:
Handhavingsplan 2026
Op 11 december jl. is het handhavingsplan arbeidsrelaties 2026 gepubliceerd. Met het uitvoeren van de moties zal het handhavingsplan nog worden aangepast. De Belastingdienst zal het aangepaste handhavingsplan arbeidsrelaties publiceren op de website van de Belastingdienst.
Tip: Het handhavingsplan 2026 vindt u hier. De versie van 11 december 2025 wordt dus nog aangepast.
Op 16 december 2025 heeft de Eerste Kamer ingestemd met de wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan 2026. De wet treedt pas in werking als de Koning deze heeft goedgekeurd en de wet ook is gepubliceerd. Het ministerie van Financiën geeft een overzicht van de belangrijkste wijzigingen in de belastingen per 2026. Dit overzicht omvat ook veranderingen per 2026 uit eerder gepubliceerde wetten.
Tip: Hier vindt u het Eindejaarsbericht Financiën.
Voor de werkruimte thuis kunnen vergoedingen, verstrekkingen of terbeschikkingstellingen binnen de werkkostenregeling gericht vrijgesteld zijn. Het gaat om arbovoorzieningen, gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur en de thuiswerkvergoeding. De Belastingdienst heeft eind november 2025 een update van de handreiking hierover gepubliceerd.
1 Arbovoorzieningen
De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen is van toepassing, als u voldoet aan de volgende 3 voorwaarden:
Dit geldt bijvoorbeeld voor een ergonomisch verantwoorde bureaustoel, een beeldschermbril en een voetenbankje bij beeldschermwerk.
Duurdere uitvoering arbovoorziening
Vergoedt of verstrekt de werkgever een even veilige maar duurdere uitvoering van een verplichte arbovoorziening, zoals een duurder montuur bij een computerbril of een duurdere stof op een bureaustoel? Dan geldt de gerichte vrijstelling niet voor de meerprijs hiervan. De extra vergoeding of verstrekking is loon van de werknemer. U kunt dit ook aanwijzen als eindheffingsloon en onder de vrije ruimte laten vallen. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Eigen bijdrage
Als de werknemer kiest voor een duurdere uitvoering van de arbovoorziening en alleen voor de meerprijs een eigen bijdrage betaalt, blijft voor de basisvoorziening die de werkgever betaalt de gerichte vrijstelling van toepassing. De eigen bijdrage voor de luxere versie gaat van het nettoloon af.
Voorbeeld eigen bijdrage
Een werknemer schaft onderstaande arbovoorzieningen voor de werkruimte thuis aan en declareert deze bij de werkgever:
De voorzieningen voldoen aan de voorwaarden voor de gerichte vrijstelling. De vergoeding voor de bureaustoel en het beeldscherm zijn gericht vrijgesteld. Voor de koptelefoon betaalt de werknemer een eigen bijdrage van € 25. De vergoeding voor de koptelefoon is gericht vrijgesteld, als de werknemer voor € 75 een koptelefoon kan kopen die voldoet aan de arbo-eisen.
Cafetariaregeling
De gerichte vrijstelling is niet van toepassing, als de werkgever de arbovoorziening volledig of gedeeltelijk uitruilt met het brutoloon. Omdat de kosten dan ten laste van de werknemer komen, wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat de werknemer geen eigen bijdrage betaalt voor de voorziening.
Kiest de werknemer voor een duurdere uitvoering van de arbovoorziening en wordt alleen de meerprijs uitgeruild met het brutoloon? Dan is dit wel toegestaan als de werkgever de meerprijs aanwijst als eindheffingsloon. Deze valt dan onder de vrije ruimte. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd. De gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen is niet van toepassing op de meerprijs.
Voldoet de arbovoorziening niet aan de voorwaarden?
Dan valt deze onder de vrije ruimte, als de werkgever deze aanwijst als eindheffingsloon. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
2.Gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur
De gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen is van toepassing, als u voldoet aan de volgende voorwaarden:
Een werknemer mag privévoordeel hebben van de voorziening. Dit voordeel hoeft u niet tot het loon te rekenen.
Heeft de werknemer de voorziening niet meer nodig en geeft of betaalt de werknemer deze niet terug aan de werkgever? Dan moet u de restwaarde van de voorziening tot het loon rekenen. U doet dit vanaf het moment dat de werknemer de voorziening niet meer nodig heeft. U kunt dit ook aanwijzen als eindheffingsloon en onder de vrije ruimte laten vallen. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Noodzakelijk
‘Noodzakelijk’ betekent dat de werknemer zonder de voorziening de dienstbetrekking niet goed kan uitoefenen. Dat houdt in dat de werknemer de voorziening voor het werk nodig heeft en gebruikt. Als het werk in theorie ook mogelijk is zonder de voorziening, kan de werkgever toch aan het noodzakelijkheidscriterium voldoen. Waar het om gaat is dat de voorziening naar het redelijke oordeel van de werkgever noodzakelijk is voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking en de werkgever dus kan aantonen dat deze voorziening gericht is op een optimale bedrijfsvoering.
Gereedschap en dergelijke apparatuur
Voorbeelden van gereedschap zijn: fototoestel van fotograaf, muziekinstrument van muzikant en kwast van schilder. Een voorbeeld van ‘dergelijke apparatuur’ is een kalibreerapparaat dat nodig is om gereedschap bedrijfsklaar te houden.
Computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur
Hieronder vallen desktops, laptops, tablets, mobiele telefoons en smartphones. Simkaarten, dongels, abonnementen voor internet en mobiele telefonie en software kunnen ook onder de gerichte vrijstelling vallen. Voorbeelden van ‘dergelijke apparatuur’ zijn een organizer, een printer en een navigatiesysteem.
Eigen bijdrage
Als de werknemer kiest voor een duurdere uitvoering van een noodzakelijke voorziening en alleen voor de meerprijs een eigen bijdrage betaalt, blijft voor de basisvoorziening die de werkgever betaalt de gerichte vrijstelling van toepassing. De eigen bijdrage voor de luxere versie gaat van het nettoloon af.
Ook mag de werkgever een eigen bijdrage voor privégebruik vragen. Deze gaat ook van het nettoloon af.
Cafetariaregeling
De gerichte vrijstelling is niet van toepassing, als de werkgever de noodzakelijke voorziening volledig of gedeeltelijk uitruilt met het brutoloon.
Kiest de werknemer voor een duurdere uitvoering van een noodzakelijke voorziening en wordt alleen de meerprijs uitgeruild met het brutoloon? Dan is dit wel toegestaan als de werkgever de meerprijs aanwijst als eindheffingsloon. Deze valt dan onder de vrije ruimte. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd. De gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen is niet van toepassing op de meerprijs.
Mogelijk betaalt de werknemer een eigen bijdrage voor privégebruik. De werkgever mag deze eigen bijdrage uitruilen met het brutoloon. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden.
Bestuurders en commissarissen
Voor bestuurders en commissarissen (opting-in) geldt de vrijstelling alleen als de werkgever aannemelijk kan maken dat de voorziening gebruikelijk is voor de behoorlijke uitoefening van de dienstbetrekking. In dit geval heeft de werkgever dus de bewijslast.
Voldoet een voorziening niet aan de voorwaarden van het noodzakelijkheidscriterium?
Dan valt deze onder de vrije ruimte, als de werkgever deze aanwijst als eindheffingsloon. Er moet dan wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Voorbeeld: vergoeding inrichting werkruimte thuis zonder factuur
Alle werknemers ontvangen een vergoeding van € 500 voor de inrichting van de werkruimte thuis. De werknemers kunnen zelf bepalen aan welke voorziening ze dit uitgeven. Ze hoeven geen factuur in te leveren. De werkgever wijst de vergoeding aan als eindheffingsloon. Wat zijn de gevolgen voor de werkkostenregeling?
De gerichte vrijstellingen voor arbovoorzieningen en noodzakelijke voorzieningen zijn niet van toepassing. De werkgever kan zonder factuur niet toetsen of voldaan is aan de voorwaarden van deze gerichte vrijstellingen. De vergoeding van € 500 valt onder de vrije ruimte. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Voorbeeld: kosten internet- en telefoonabonnement
Een werknemer werkt thuis. Kan een werkgever de kosten van een internet- en telefoonabonnement onbelast vergoeden? Kan dit ook als de werknemer een eigen bijdrage voor privégebruik betaalt?
Internetaansluiting
Als het naar het redelijke oordeel van de werkgever noodzakelijk is dat een werknemer voor het thuiswerken een internetaansluiting heeft, mag de werkgever deze onbelast vergoeden. De vergoeding valt dan onder de gerichte vrijstelling voor noodzakelijke voorzieningen. Het privévoordeel dat de werknemer heeft, is geen loon.
De gerichte vrijstelling geldt ook als de werknemer een eigen bijdrage voor het internetabonnement betaalt of als de werkgever een vergoeding geeft naar rato van het aantal thuiswerkdagen.
Abonnementskosten telefoon
Een vergoeding van de abonnementskosten voor de vaste telefoon valt niet onder de gerichte vrijstelling. De vergoeding valt onder de vrije ruimte, als de werkgever deze aanwijst als eindheffingsloon. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
De gerichte vrijstelling kan wel gelden voor de abonnementskosten van mobiele communicatiemiddelen. Dit moet dan wel voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium.
De gerichte vrijstelling geldt ook als de werknemer een eigen bijdrage voor het abonnement voor de mobiele telefoon betaalt.
Voorbeeld: internet in 3-in-1-pakket
Een werkgever vergoedt de kosten van internet thuis aan een werknemer. De vergoeding voldoet aan het noodzakelijkheidscriterium. De werknemer heeft een abonnement afgesloten voor een 3-in-1-pakket (internet, telefoon en televisie). Welk bedrag valt onder de gerichte vrijstelling?
U moet bepalen welk deel van de factuur voor internet is. Als dit niet op de factuur staat, informeert u bij de provider wat deze kosten zijn bij een apart abonnement. Dat gedeelte valt onder de gerichte vrijstelling.
Als de werkgever de rest ook vergoedt, valt dat deel onder de vrije ruimte wanneer de werkgever dit aanwijst als eindheffingsloon. Dan moet wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan. Bij overschrijding van de vrije ruimte is de werkgever 80% eindheffing verschuldigd.
Thuiswerkvergoeding
Vanaf 1 januari 2022 mag een werkgever een onbelaste vergoeding geven voor thuiswerkkosten. Hiervoor geldt in 2025 een gerichte vrijstelling van maximaal € 2,40 per thuisgewerkte dag.
De vergoeding voor thuiswerkkosten is bedoeld voor de extra kosten door het thuiswerken. Bijvoorbeeld voor water- en elektriciteitsgebruik, verwarming, koffie, thee en toiletpapier. Het bedrag is gebaseerd op onderzoek dat het Nibud heeft gedaan. U kunt de vrijstelling ook toepassen als een werknemer slechts een deel van de dag thuiswerkt.
Werkt een werknemer een deel van de dag thuis en het andere deel op de vaste plaats van werkzaamheden? Dan kiest u voor die dag of u de gerichte vrijstelling toepast voor de reiskostenvergoeding (€ 0,23 per kilometer) óf voor de thuiswerkkosten (€ 2,40 per thuiswerkdag). Er is in ieder geval sprake van een vaste plaats van werkzaamheden, als de werknemer meer dan 40 dagen per kalenderjaar op dezelfde plek werkt.
Als de werknemer op een dag deels thuiswerkt en een zakelijke reis niet zijnde woon-werkverkeer (dienstreis) maakt, mag u wel de gerichte vrijstelling van € 0,23 per kilometer én de gerichte vrijstelling voor thuiswerken toepassen.
Tot en met 2021 was de vergoeding van thuiswerkkosten niet gericht vrijgesteld. Deze vergoeding viel onder de vrije ruimte, als de werkgever deze had aangewezen als eindheffingsloon. Er moest dan wel aan de gebruikelijkheidstoets zijn voldaan.
Een stichting exploiteert namens meerdere sportverenigingen een kantine. Een eventueel exploitatieoverschot van de stichting wordt ingezet voor de primaire activiteiten van die sportverenigingen. Daarnaast is het doel van de stichting om de leden van de verenigingen te verenigen en de onderlinge saamhorigheid te stimuleren. De stichting is belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting voor het exploitatieoverschot. Maar hoe wordt dat bepaald?
De Staatssecretaris van Financiën heeft voor deze praktijksituatie onlangs met toepassing van de hardheidsclausule een goedkeuring gegeven.
De wet bevat een voorwaardelijke vrijstelling voor stichtingen. Deze is in beginsel van toepassing als de winst van het jaar niet meer bedraagt dan € 15.000 of de winst van het jaar en de daaraan voorafgaande vier jaren tezamen niet meer dan € 75.000 bedraagt.
De wet bevat ook een aftrek wegens fictieve loonkosten die, indien aan de voorwaarden wordt voldaan, de winst dusdanig kan verlagen dat daardoor de vrijstelling (eerder) van toepassing wordt.
De aftrek wegens fictieve loonkosten is (onder andere) van toepassing op lichamen die een sociaal belang behartigen. Wat is dat?
Van een sociaal belang is sprake als de instelling activiteiten verricht die primair gericht zijn op het particuliere belang van leden of een beperkte doelgroep en waaraan een grote maatschappelijke waarde toegekend kan worden omdat deze activiteiten ook voor de maatschappij als geheel van belang zijn.
Op basis van deze uitleg van de term sociaal belang kunnen de activiteiten van de kantinestichting zelf niet worden aangemerkt als het behartigen van een sociaal belang. De stichting richt zich namelijk primair op het belang van de verenigingen en daarmee slechts indirect op het particuliere belang van de leden van de verenigingen. Het gevolg is dat de stichting (eerder) vennootschapsbelasting dient af te dragen over het volledige exploitatie-overschot dat in feite toekomt aan de verenigingen.
Deze uitkomst is onbillijk, omdat in de stichting een taak is ondergebracht die in feite door, voor en met de leden van de verenigingen wordt uitgeoefend. Hierbij wordt de exploitatie van de kantine materieel door de verenigingen verricht, waarbij de verenigingen ingeval de betreffende exploitatie door de verenigingen zelf zou zijn verricht, (naar verwachting) ook niet in de heffing van vennootschapsbelasting zouden worden betrokken.
Goedkeuring
In deze specifieke situatie waarbij de exploitatie van de kantine materieel door de verenigingen wordt verricht, de verenigingen ingeval de betreffende exploitatie door de verenigingen zelf zou zijn verricht (naar verwachting) ook niet in de heffing van vennootschapsbelasting zouden worden betrokken en een eventueel exploitatieoverschot van de stichting wordt ingezet voor de primaire activiteiten van die verenigingen, heeft de staatssecretaris van Financiën met toepassing van de hardheidsclausule goedgekeurd dat de stichting - ondanks dat de activiteiten van de stichting zelf niet kunnen kwalificeren als het behartigen van een sociaal belang - gebruik kan maken van de aftrek wegens fictieve loonkosten, mits de stichting aan de overige voorwaarden van deze regeling voldoet.
Tip: Bent u betrokken bij een vergelijkbare situatie waarin u een beroep wilt doen op de hardheidsclausule? Dan helpen we u graag met het verzoek aan het Ministerie van Financiën.
De kosten van outplacement kunt u onbelast vergoeden als sprake is van loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Hiervoor geldt dan een gerichte vrijstelling. Outplacement is het geheel van diensten en adviezen voor de werknemer om op een zo kort mogelijke termijn een passende nieuwe werkkring te vinden door het verbeteren van kennis en vaardigheden. De Belastingdienst heeft eind november 2025 een update van de handreiking hierover gepubliceerd.
Er geldt een gerichte vrijstelling voor de vergoeding van de kosten van outplacement of voor de verstrekking van outplacementfaciliteiten. Om van de vrijstelling gebruik te kunnen maken moet u de vergoeding of verstrekking aanwijzen als eindheffingsloon. Er moet dan wel zijn voldaan aan de gebruikelijkheidstoets.
Loon uit vroegere dienstbetrekking
Is outplacement loon uit vroegere dienstbetrekking, dan kunt u dit alleen aanwijzen als eindheffingsloon als u de werknemer daarnaast nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking betaalt. U kunt de outplacementkosten in dit geval aanwijzen als eindheffingsloon en onder de gerichte vrijstelling laten vallen. Er moet dan wel zijn voldaan aan de gebruikelijkheidstoets.
Genietingsmoment
Om vast te stellen wanneer het outplacementtraject loont vormt, is het genietingsmoment relevant.
Voorbeeld 1
Werkgever en werknemer sluiten op 1 november 2025 een beëindigingsovereenkomst. Daarin spreken zij af dat de werknemer met ingang van 1 december 2025 uit dienst zal treden. In de overeenkomst staat ook dat de werknemer recht heeft op een outplacementtraject als deze geen nieuwe dienstbetrekking heeft vóór 1 maart 2026.
Het outplacementtraject start op 1 april 2026 en eindigt op 1 juli 2026. De werkgever ontvangt en betaalt de facturen hiervoor in 2026. De ex-werknemer geniet in 2026 geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking meer van de ex-werkgever. Geldt in deze situatie de gerichte vrijstelling voor outplacementkosten?
Uitwerking
Het genietingsmoment van het outplacementtraject is in dit voorbeeld het moment waarop het traject start, dus op 1 april 2026. Dit is loon uit vroegere dienstbetrekking, omdat de werknemer uit dienst is. Is het outplacementtraject loon uit vroegere dienstbetrekking, dan kunt u dit alleen aanwijzen als eindheffingsloon als de werknemer in hetzelfde loontijdvak nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet. In dit voorbeeld is dat niet het geval. De gerichte vrijstelling is daarom niet van toepassing. De werkgever kan ook geen gebruikmaken van de vrije ruimte.
Voorbeeld 2
Werkgever en werknemer sluiten op 15 september 2025 een beëindigingsovereenkomst. Daarin spreken zij af dat de werknemer met ingang van 1 december 2025 uit dienst zal treden en recht heeft op een outplacementtraject.
Het outplacementtraject start op 2 januari 2026 en eindigt op 30 juni 2026. De werkgever ontvangt en betaalt de facturen hiervoor in 2026. De ex-werknemer ontvangt in tijdvak januari 2026 nog een nabetaling van vakantiebijslag van de ex-werkgever. Is de gerichte vrijstelling voor outplacementkosten van toepassing?
Uitwerking
Het genietingsmoment van het outplacementtraject is in dit voorbeeld het moment waarop het traject start, dus op 2 januari 2026. Dit is loon uit vroegere dienstbetrekking, omdat de werknemer uit dienst is. Is het outplacementtraject loon uit vroegere dienstbetrekking, dan kunt u dit alleen aanwijzen als eindheffingsloon als de werknemer in hetzelfde loontijdvak nog loon uit tegenwoordige dienstbetrekking geniet. In dit voorbeeld is dat het geval. De werknemer ontvangt namelijk in januari 2026 nog een nabetaling van vakantiegeld. De gerichte vrijstelling is daarom van toepassing. De werkgever moet het outplacementtraject dan wel aanwijzen als eindheffingsloon.
Wat valt onder outplacement?
Hieronder leest u welke voorzieningen onder outplacement kunnen vallen.
Loopbaanscan
Een loopbaanscan behoort tot het loon voor de loonheffingen, tenzij die scan deel uitmaakt van een voorziening waarvoor een gerichte vrijstelling geldt. Bijvoorbeeld als de scan een integraal onderdeel is van een outplacementtraject of een procedure tot erkenning van verworven competenties (evc-traject).
Prepensioencursus
Een prepensioencursus als voorbereiding op een nieuwe levensfase is vergelijkbaar met outplacement. Als de cursus een meer recreatief karakter heeft, dan is de vergoeding of verstrekking loon van de werknemer. Maar u kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen, als aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan. Dit valt dan onder de vrije ruimte. Bij overschrijding betaalt u 80% eindheffing.
Scholingsbudget
De scholingsbudgetten hebben als doel om de persoonlijke en vakinhoudelijke ontwikkeling van werknemers te stimuleren en zodoende hun positie op de arbeidsmarkt te versterken. Werknemers mogen de scholingsbudgetten uitsluitend gebruiken voor scholing. De werknemer kan het scholingsbudget ook gebruiken voor outplacementkosten als de voorwaarden van het budget dat mogelijk maken.
Geen outplacementkosten
Onder outplacement vallen niet de kosten van bemiddeling of contractonderhandeling door een vertegenwoordiger van de werknemer.
Reiskosten
Een vergoeding voor binnenlandse reizen in verband met outplacement is vrijgesteld tot maximaal € 0,23 per kilometer. Als de werknemer met het openbaar vervoer reist, mag u ook de werkelijke kosten onbelast vergoeden.
Let op: Een outplacementtraject kan helemaal zijn vrijgesteld, maar ook helemaal belast. De planning in de tijd van de uitdiensttreding, eventuele nabetaling en de start van het outplacementtraject zijn van groot belang voor de (loon-)belastingheffing. Als u die wilt optimaliseren, vraag dan tijdig advies.
Bij de behandeling van de Belastingplan 2026 in de Tweede Kamer zijn enkele belangrijke amendementen aangenomen. Zo zijn in box 3 het forfaitaire rendement voor overige bezittingen en het heffingsvrij vermogen gunstiger geworden. Ook blijft de korting op de bijtelling privégebruik voor elektrische auto’s langer bestaan. Maar de leeftijdsgrens voor de youngtimerregeling wordt verhoogd.
Box 3
De voorgestelde aanpassing van het forfait voor overige bezittingen in box 3 komt te vervallen. Daardoor komt het forfait in 2026 uit op 6% in plaats van 7,78%. Ook vervalt de voorgestelde verlaging van het heffingsvrije vermogen in box 3. Het heffingsvrije vermogen wordt als gevolg van het amendement op 1 januari 2026 volledig geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor. Het heffingsvrije vermogen in 2026 komt daardoor uit op € 59.357, in plaats van € 51.396.
Als dekking wordt de afbouw van de aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld (Wet Hillen) versneld. Met ingang van 1 januari 2026 wordt het jaarlijkse afbouwpercentage verhoogd van 3 1/3%-punt naar 4,8%-punt, met dien verstande dat de aftrek niet verder kan worden verlaagd dan tot nihil. Hierdoor wordt de aftrek in 2041 volledig beëindigd, in plaats van in 2048 zoals in de huidige wet is voorzien.
Privégebruik elektrische auto’s – leeftijdsgrens youngtimerregeling
De korting op de bijtelling voor het privégebruik van een auto van de zaak zonder CO2-uitstoot blijft toch nog twee jaar bestaan, en wordt stapsgewijs afgebouwd naar 2028. De bijtelling bedraagt momenteel 22% van de catalogusprijs. De korting geldt alleen voor auto’s zonder CO2-uitstoot en is als volgt vormgegeven:
De korting op de bijtelling wordt gemaximeerd (de zo te noemen cap). Voor zover de cataloguswaarde boven deze cap uitkomt geldt de bijtelling van 22%. De maximale korting wordt bereikt bij een autowaarde van € 30.000. De korting kent ook eerbiedigende werking: als in 2026 of 2027 sprake is van een eerste toelating van een auto zonder CO2-uitstoot en recht ontstaat op de korting op de bijtelling, geldt deze korting voor een periode van 60 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van eerste toelating.
Zonder dit amendement zou de korting op de bijtelling per 2026 vervallen, waarbij de eerbiedigende werking (zie hiervoor) wel nog als gevolg heeft dat deze korting een aantal jaren na 2026 kan blijven gelden.
Ter dekking van de verlenging van de korting wordt de zogenoemde youngtimerregeling aangepast. De youngtimerregeling verwijst naar de manier waarop het privévoordeel wordt vastgesteld van een auto die meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen: 35% van de waarde in het economische verkeer.
De leeftijdsgrens wordt per 2026 verhoogd van 15 jaar naar 16 jaar. Voor auto’s die onder deze leeftijdsgrens zitten, wordt de bijtelling in 2026 vastgesteld op 22% van de catalogusprijs, voor zover van toepassing verminderd met de hiervoor genoemde kortingspercentages. Vanaf 2027 wordt deze leeftijdsgrens verder verhoogd van 16 jaar naar 25 jaar.
Let op: De Belastingdienst gaat voorlopige aanslagen inkomstenbelasting over 2026 opleggen zonder met deze amendementen rekening te houden.